maandag 12 maart 2018

Henk van der Waal, Mystiek voor goddelozen

Filosoof en dichter

Op de foto op de achterkant van Mystiek voor goddelozen staat Henk van der Waal afgebeeld als een Franse filosoof zoals Lyotard of Bataille, Blanchot of Derrida. Hij studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Sorbonne. In 1995 debuteerde hij als dichter met de bundel De windsels van de sfinx, die werd onderscheiden met de C. Buddingh’-prijs.

Zijn taal lijkt vaak op die van de genoemde Franse filosofen en ook wel op die van Heidegger, op wie Van der Waal promoveerde.
In zijn nieuwe boek ontvouwt hij de situatie van de moderne mens en hij doet dat met toenemend inzicht en indrukwekkende overtuigingskracht. Mystiek voor goddelozen  is een belangrijk boek. Wie zijn wij, waar komen we vandaan en waar gaan we naar toe? Naar de technologische verdinglijking of slagen wij er in onze menselijkheid te bewaren?

Daarbij behandelt hij kennis van de kosmologie, de natuurkunde (quantumfysica), filosofie en psychologie. Dit geeft al aan dat het geen gemakkelijk boek is. Men moet het rustig en uitgerust lezen en herlezen. De presentatie waarvoor hij gekozen heeft, maakt het niet tot een boek dat ‘leest als een trein’, nee, het leest ‘als een postkoets’. In die postkoets zitten de raadselachtige en de welwillende - de dichter en de filosoof - en dat zijn mensen die elkaar aanvullen, maar ook bekritiseren. Zij lijken ook twee zielen in één borst, wat niet te verwonderen is omdat de auteur filosoof en dichter is. Zij nemen afwisselend het woord en richten een kathedraal van woorden op, die leiden tot het boek. De wijze waarop ze dat doen heeft mij vaak geïrriteerd. De welwillende zegt bijvoorbeeld tegen de raadselachtige: ‘Je bent wat dwingend ineens. Zeg het gewoon zelf als je het zo goed weet.’ Dan antwoordt de raadselachtige: ‘Jij bent de inkopper.’ ‘Ja, ja, maar stiekem schrijf jij het doelpunt dat ik maak bij achter jouw naam. Ik ken jouw soort.’ Dit is nog aan het begin, in het tweede gesprek. Uit het vijftiende: ‘Je zoekt uitvluchten en houdt me aan het lijntje.’ ‘Dat lijkt zo. Je moet gewoon geduld hebben en vooral nog een paar laatste stappen zetten.’
Even verder: ‘Je zegt het met de ondeugende lach van de betweter om je mond. Een paar keer wat veren in je kont en je denkt het denken al te slim af te zijn. ‘Niet zo scherp ineens. We hielden het juist even zonder gekissebis met elkaar uit.’
Ik begrijp wel dat het Van der Waals bedoeling is de discussie te laten voeren door echt aandoende mensen, of om wat luchtige passages te creëren, maar kinderachtige commentaren op elkaar hoeven van mij niet.

De tekst is overigens een wonderlijke mengeling van moeizaam zoeken en zelfbewust doceren: ‘Kortweg laten alle krachten of willen die in ons werkzaam zijn, zich in twee categorieën onderverdelen. De ene komt overeen met het ervaringsbereik dat jij koppelde aan de eerste differentie en dat onze lichamelijkheid  en ons verleden en onze toekomst controleert en integreert. Die controle en integratie leiden tot de door onze subjectiviteit aangeblazen identiteit waarmee we in de wereld opereren.’ Hier is de welwillende, de filosoof, aan het woord. De raadselachtige, de dichter, is niet minder lastig te lezen: ‘Je kunt ook zeggen dat zíjn de weerstand is die ontstaat als de tijdvertragende kracht tegen de tijd in probeert te bewegen. In elk geval heeft zíjn die weerstand nodig om echt te zíjn.’ en ‘Als dat (het uitstijgen boven de eigen identiteit, RE) ons door de combinatie van het intern oscilleren en het extern oscilleren lukt, voelen we ons ineens niet meer gedetermineerd door en gereduceerd tot het hele bouwwerk van lichamelijkheid, subjectiviteit, individualiteit en identiteit waarmee we het doorgaans moeten doen.’

Maar waar gaat het boek over? Over ons menszijn, ons verleden, onze toekomst. De religies zijn obsoleet geworden, de wetenschap kan geen antwoord geven op onze levensvragen. Hersenwetenschappers kunnen alleen maar de structuur van onze hersenen blootleggen en onderzoeken waar verschillende activiteiten plaats vinden, maar waar ons  bewustzijn vandaan komt, wat ons ‘zelf’ precies is, om te zwijgen van de ‘ziel’ - geen idee! We hebben moeite aan te nemen dat ons bewustzijn ‘een uitvloeisel is van iets wat vele malen groter en omvangrijker is dan wijzelf’. De filosoof zegt: ‘een puur afzonderlijk bewustzijn bestaat niet. (…) Dat wij ons van onszelf en de wereld om ons heen bewust zijn, komt doordat we allemaal als welpjes aan de borst van een veel grotere openheid lurken.’
De huidige technologische ontwikkeling, die exponentieel versnelt, dreigt ons op te nemen doordat we cyborgs worden, door superintelligente quantumcomputers. We zouden, betoogt Van der Waal, onze ‘geboortelijkheid’ en onze sterfelijkheid moeten eerbiedigen en niet door het screenen van embryo’s en door al te gemakkelijke euthanasie ontmenselijken.

Hij geeft een overzicht van de geschiedenis van het ‘leven’ vanaf de bigbang. Het begint met een oneindig klein punt met een ongelooflijke hoeveelheid energie. Er was geen ruimte, geen tijd. Er was alleen potentie. In de mystiek spreekt men van nunc stans,  een eeuwig nu. Hier heerst de absolute orde. Na de inflatie gaat die orde verloren. Een beslissende rol speelt de tweede wet van de thermodynamica, het entropisch beginsel. Alles vervalt. Hiertegenover staat de syntropie ( een term die niet door hem wordt genoemd), waarbij structuren worden opgebouwd. Om dat te bewerkstelligen moet altijd energie worden toegevoerd.
Elke nieuwe ontwikkeling zorgt voor een extra tijdvertraging, dat wil zeggen er gebeurt meer in dezelfde hoeveelheid tijd. De materie heeft gezorgd voor een lagere entropie; de ordeningen zorgen voor het vertragen van de tijd. Tijdvertraging wordt in de verklarende begrippenlijst omschreven als ‘1. Het stabiliseren en vertragen van tijd en ruimte door de grote materiele constellaties om ons heen. 2. De weerstand die een systeem biedt aan zijn eigen teloorgang.’
Wij staan midden in de tijd, hebben verleden en toekomst, maar de tijd trekt aan ons. We gaan mee met de totale ineenstorting.
In de volgende fasen: melkwegstelsel, zonnestelsel, aarde, wordt steeds tijd vertraagd. De mens is ‘kampioen tijdvertrager’ door het uitbreiden van zijn organisch stelsel met mythes, verhalen, instrumenten, talen, maatschappijen, instituties, internet.
Ruimte, tijd, taal, stilte en muziek staan als een kathedraal om ons heen. Het is zaak, betoogt Van der Waal in een treffende metafoor, om het dak van de kathedraal open te houden, zodat we niet worden opgesloten in de dogma’s van een kerkleer.
Uiteindelijk zouden wij moeten uitkomen in een situatie van vrijheid en open zíjn in onze wereld, want ‘we zijn er om het vrije in de tijd te actualiseren. (…) Wij zijn er om tijd te bloeien.’ Van der Waal wijst het kleine wiel van het boeddhisme af. We mogen ons niet terugtrekken in een klooster en de wereld de wereld laten. Dat heeft alles te maken met de oerliefde: mystiek voor goddelozen.


Henk van der Waal, Mystiek voor goddelozen, Querido, Amsterdam-Antwerpen, 2017
431 bladzijden

Carlos Ruiz Zafón Het labyrinth der geesten,

 Pedant, uitvoerig en gekunsteld

Als Daniel aan het woord is en vertelt over Fermín, die hem probeert op te fleuren, citeert hij Fermín, die nogal ingewikkeld spreekt. Dan staat er: ‘Halverwege de voordracht begreep ik er al geen woord meer van, hetzij vanwege de werking van zijn explosieve recept, hetzij vanwege het grammaticale vuurwerk dat mijn goede vriend had aangestoken.’

We zijn nu op p.17 van het 845 bladzijden tellende boek van Carlos Ruiz Zafón Het labyrinth der geesten, behorende tot de cyclus van romans ‘die in het literaire universum van het Kerkhof der Vergeten Boeken met elkaar vevlochten zijn.’
Wonderlijk perspectief! Hoe kan Daniel ondanks het feit dat hij er geen woord meer van begrijpt, zijn vriend zo keurig citeren? Dat doet de verteller achter Daniel natuurlijk. Die verteller lijkt veel op Carlos Ruiz, een wat pedante schrijver, die graag wil laten zien dat hij niet van de straat is, maar die zich niettemin afzet tegen wat hij modieuze, intellectuele schrijvers noemt. Hij wil een mooi verhaal vertellen, een spannend verhaal en hij wil laten zien dat hij opgewassen is tegen Umberto Eco of Borges of Marquez.

Hij laat Fermín het volgende zeggen: ‘De waarheid, dat is de onzin die mensen verkondigen wanneer ze menen iets te weten, Daniel. Ik weet net zoveel van de waarheid als van de maat brassière van die geweldige vrouw met puntige naam en boezem die we laatst zagen in de Capitol-bioscoop.’
Wat een ongepaste metaforiek! De schrijver wil geestig zijn en prikkelend. Het is ook wel een beetje onzinnig, want hij zal vast meer weten van die maat dan van de waarheid.

Nog een voorbeeld van een ontspoorde metafoor, die ook wat ranzig is: ‘De kaas - of wat die sponzig vettige substantie ook mocht zijn - smaakte naar zeep en bevatte, voor zover het gastronomisch inzicht van Fermín reikte, geen aanwijzingen dat een koe of een andere herkauwer de hand of de uier had gehad in de productie ervan.’

De heldin van het verhaal, Alicia, moet vluchten en laat zich een achteruitgang wijzen door een ober die ze om haar vinger windt, zoals ze vaak doet bij behulpzame mannen: ‘naargeestige straatjes zoals ze alleen in het oude Barcelona te vinden zijn, nauw als de spleet tussen de billen van een seminarist.’

Fermín ligt gewond in het ziekenhuis na bombardementen in Barcelona in 1938. Over een verpleegster staat er dan: ‘Ze kon niet ouder zijn dan achttien, en het eerste wat Fermín dacht was dat ze er voor een engel op de goddelijke loonlijst behoorlijk veel beter uitzag dan kon worden aangenomen op grond van de bidprentjes die altijd bij doopplechtigheden en communies werden uitgedeeld. Het opkomen van onkuise gedachten kon enkel twee dingen betekenen: verbetering van de fysieke tonus of nakende eeuwige verdoemenis.’ Er zullen vast wel lezers zijn die dit knap en geestig vinden, gezien de populariteit van Zafóns boeken.

Maar is het een spannend boek? Ja, Zafón kan spanning opbouwen, hij weet wat cliffhangers zijn. Het boek bevat alle bekende ingrediënten van het genre: intelligente, mooie jonge vrouw met bijzondere gaven, goede intuïtie, snelle waarnemingen en deducties. Ze heeft natuurlijk ook een gebrek: hier een ernstige wond uit de oorlog (1938!), die steeds opspeelt en waartegen ze  zware middelen moet gebruiken. Het maakt haar vaak dodelijk bleek, wat veel mannen weer buitengewoon aantrekkelijk vinden. Ze is bovenal snedig en superieur. Er is tragiek: ze kan zich niet binden, misschien niet van iemand houden. Ze is eenzaam, maar ze is een weergaloos lezeres, die volkomen in goede (!) boeken kan opgaan. Er is een opdrachtgever, die tegelijk gevaarlijk en beschermend is en die haar ruim financiert. Ze heeft een vijand die op de loer ligt en zorgt voor veel spanning. Er is een raadsel dat moet worden opgelost. Ze heeft een helper die haar op beslissende momenten steunt, ook al wil ze de zaak eigenlijk alleen oplossen.
Er zijn wrede vijanden, weerzinwekkende moordenaars, die met plezier martelen in stinkende kerkers. Er is een complot op grote schaal. Schoften uit het fascistische Spanje moeten worden gestraft, maar niet alles mag boven komen. Een nieuwe overheid bestaat toch weer uit opportunistische geldwolven en als Alicia de zaak dreigt op te lossen, wordt van hogerhand verklaard dat de zaak al is opgelost en dat de schuldigen zijn gestraft, onder dankzegging aan Alicia en haar helper. Ze wordt ontslagen en krijgt een hoop geld mee, maar ze kan de zaak natuurlijk niet loslaten, wat weer voor veel spannende gebeurtenissen zorgt.
Een minpunt is de gekunsteldheid van de intrige. Zo gaat een amateur-achtervolger achter een gevaarlijke man aan. Hij komt bij een groot huis op een heuvel, besluit om over een muur te klimmen (geen honden!), door de tuin naar het huis te sluipen. Hij komt bij een raam en is getuige van een brute marteling en moord. Keert terug, klimt over de muur, maar dan wacht de gevaarlijke man op hem, die vragen stelt en uiteindelijk de jongen meeneemt voor verhoor (!) naar het bureau.
En dan is er, zoals in meer detectives, het merkwaardige perspectief, waarbij de lezer /kijker meer weet dan de speurder. Het is dan ‘spannend’ hoe de speurder de informatie-achterstand inhaalt, waarbij soms de lezer/kijker eerst nog in het ongewisse wordt gelaten. Aan het eind komt alles goed, nou ja, alles?


Carlos Ruiz Zafón, Het labyrinth der geesten, vertaling Nelleke Geel, Signatuur, Amsterdam 2017. 845 blz.

Frans Budé De dagen

De jongen

Hoe schrijf je een autobiografie van je kindertijd? In de verleden tijd? In de eerste persoon? Vertel je alles, voor zover dat mogelijk is? Koel of betrokken, emotioneel? Verzwijg je de psychische botsingen of suggereer je die alleen en laat je de gevolgtrekkingen over aan de lezer? Of is het kind zich nog niet bewust van die botsingen? Blijkt alleen uit kleine opstandige gedragingen wat later leidt tot afstand nemen?

Frans Budé kiest voor De dagen de tegenwoordige tijd. De ondertitel is ‘Belevenissen van een jongen’. Ik wil het niet hebben over de bekende soortgelijke belevenissen; geen vergelijkingen.

Deze jongen woont in Maastricht in een zeer oude straat, waar Karel de Grote nog is doorgetrokken. Zijn vader heeft daar een, zeggen we nu, mooie ouderwetse drogisterij, met kasten met kruiden, potjes met Latijnse namen, die de jongen uit het hoofd kent, flessen met glycerine kamferspiritus, vaten met spannende vloeistoffen, diepe kelders. Aan het eind van de belevenissen  moet de jongen verhuizen naar een nieuwe wijk. Dat wordt al veel eerder  aangekondigd in een gesprek met het dienstmeisje Stella, die alles schoon houdt. De jongen heeft een goede verstandhouding met haar. Maar hier geen Vestdijkiaanse toestanden! Stella vertelt dat zijn moeder last heeft van het vochtige huis. Er zijn plannen om te verhuizen. Vader wil niet, maar ja, moeder wint uiteindelijk. Dat bedenkt de lezer, niet de jongen. Hij is er bijna ziek van. Bovendien is de lagere-school-tijd ten einde. Hij neemt met heel wat minder verdriet afscheid van de broeders. Dat lees je niet, maar dat begrijp je, omdat een paar keer situaties met de broeders worden beschreven, zoals het trekken en omdraaien van een oor om een onnozele reden, tot bloedens toe. Tegenwoordig zouden de ouders de inspectie of zelfs de politie inschakelen, maar toen werd dit alles met de mantel der liefde bedekt. Mantel der liefde? Schaamte, verkeerde saamhorigheid, angst voor het religieuze gezag! Geen sexuele strapatsen, maar wel machtsmisbruik.

Frans Budé schrijft in de hij-vorm. De jongen krijgt geen naam. Toch wordt hij zichtbaar en navoelbaar. Hij is een brave jongen en hij heeft brave ouders: de vader opgewekt en humorvol, die stoute grappen uithaalt, de moeder liefhebbend maar streng. Zij lijkt dwars door de jongen heen te kijken. Liegen zal niet goed mogelijk zijn. Er dan is er nog het blozen dat je verraadt.

Zijn ouders trouwen in 1942. Eén jaar, vijf maanden en achttien dagen later wordt een meisje geboren, Anna, die na een dag overlijdt. De jongen is van 1945 en het valt de lezer op hoe historisch zijn jeugd is geworden. Ik zou willen lezen met de ogen en levenservaringen van een vijftienjarige. Die zal toch wel  regelmatig verbaasd zijn over omgangsvormen en maatschappelijke omstandigheden. Een priester die voorafgegaan door een misdienaar het Sacrament van de stervenden komt brengen bij een buurvrouw. Op straat wordt geknield.
Hij of zij zal het boek lezen als een historische roman. Voor mij geldt dat niet omdat ik ouder ben dan de jongen en hoewel ik opgroeide in Den Helder, bracht ik een deel van mijn diensttijd door in Maastricht. Overigens zat ik als kind ook op een broederschool. Ik herkende veel, maar verbaasde me over het herinneringsvermogen van de jongen, van de auteur dus.

Budé is bekend als dichter, meer dan tien bundels, die positief werden ontvangen. Hij schenkt in dit proza veel aandacht aan voorwerpen. De jongen heeft een gedetailleerd waarnemingsvermogen en de verteller laat dat ook allemaal zien.

De kleine Anna: de ouders hebben een herinneringskamer voor haar ingericht, een soort dodenkapel met babykleertjes en allerlei parafernalia, op Romeinse wijze, die de jongen pas aan het eind van zijn kindertijd ontdekt.
De verteller laat ons op p.31 al weten: ‘In de laatste maanden van haar zwangerschap haalt zijn moeder op een zomerse dag de naaimachine tevoorschijn en tovert de sluier van het bruidskleed om tot een haast doorzichtig gordijn. Ze bevestigt het aan een standaard boven de wieg. Kijkt Anna wat weken later omhoog, dan ziet ze de hemel. Maar haar oogjes blijven dicht.’ Wat er precies gebeurt vertelt hij niet, zoals hij ook meestal de clou van een verhaal of de afronding weglaat. De lezer kan het zelf wel aanvullen immers. Op een dag steekt de jongen per ongeluk een prullenmand in brand. In zijn angst om te blussen gebeuren er allerlei andere ongelukken. Zijn moeder is furieus en dwingt hem op zijn knieën vergiffenis te vragen. Dat weigert de jongen en vervolgens brengt ze hem naar een priester die ‘mensen kan overlezen’, een soort exorcisme begrijp ik. Vader vraagt aan de jongen als hij hem naar bed brengt, wat er is gebeurd bij die priester. Vader troost hem. De lezer denkt: en wat gebeurt er verder met de moeder? Neemt de jongen het haar kwalijk? Vast wel, maar dat krijg je niet te lezen. Hoe is eigenlijk de verhouding met de moeder, denkt de lezer vervolgens. Is zij een rooms-katholieke hysterica en tegelijkertijd een vrouw die haar gezin heel goed kan besturen en die ook chocolade smokkelt uit België? De jongen wil een abonnement op de Donald Duck, maar de moeder geeft hem het blad van de Heilige Kindsheid: “‘Je bent nu lid van de Heilige Kindsheid.’ Ze zegt het verheerlijkt.”

Op bladzijde 44 wordt beschreven hoe de jongen een foto vindt, terwijl zijn moeder slaapt: op de foto de kleine Anna, niet in haar wieg, maar in haar doodskistje, omgeven door aronskelken, de bruidsbloemen (!) van zijn moeder. Moeder vraagt wat de jongen doet. Hij zegt: ‘Niets, helemaal niets.’ en komt er kennelijk mee weg. Op pagina 57 staat: ‘En jij, Anna, lieve zus van me, jij die in de hemel bent, waak alsjeblieft over papa, bescherm hem, heb hem lief.’ De verteller voegt er aan toe: ‘Al krijgt hij geen antwoord, hij heeft in ieder geval zijn zegje gedaan.’ Dit commentaar doet veronderstellen dat de volwassen geworden jongen afstand heeft genomen van zijn religieuze opvoeding. Een kennis van de moeder uit België heeft voor de kinderen iets meegebracht. Voor Anna heeft ze een lieflijk jurkje meergebracht. Het jongere zusje van de jongen denkt volgens hem wie Anna dan wel mag zijn. De ouders houden het dode zusje weg van de andere kinderen. Zij mogen er niet onder lijden.

De voorplaat van het mooi verzorgde boek toont twee foto’s: de ene foto van kale bomen ligt over een andere waarop een jonge vrouw met een zwarte jurk wandelt in een ommuurde hof (?). Haar hoofd is verdwenen onder de eerste foto.

Ik zou wel meer over de jongen willen lezen. Hoe vergaat het hem op de middelbare school en later?

Frans Budé, De dagen, Karaat, Amsterdam 2017.
213 bladzijden

Eyeless in Gaza (Aldous Huxley)

Eyeless in Gaza (Aldous Huxley)

Is het een goede vertaling van de titel die Pé Hawinkels verzon: ‘De ogen uitgestoken’?
Het boek gaat over de ontwikkeling van een man uit de vorige eeuw, vóor WO I, van cynisme tot geloof in de groei in bewustwording, de intelligentie van het universum. Het is een soort autobiografie onder andere naam, omgezet in didactische fictie.

Blind in Gaza: zoals Simsom in de bijbel.
De hoofdpersoon komt tot innerlijk inzicht en bevrijding van de slavernij die leek op vrijheid, de illusie van vrijheid, die leidt tot een spiritueel vacuüm. Huxley ervoer een metafysische malaise, net als  Eliot in ‘The waste Land.’
De anti heroïsche held Anthony Beavis wordt pacifist.
Hij had een affaire met Helen, dochter van zijn eerdere maîtresse Mary Amberley, die buitengewoon cynisch was.
Een absurd incident, het vallen van de hond uit een vliegtuig, waar bij Anthony en Helen, naakt op het dak bespat werden met bloed, lijkt op de scène van Boeddha die een lichaam zag langs de weg in Nepal. Anthony gaat naar Mexico, ervaart daar de armoede en de bijna onmogelijkheid om daar iets aan te doen. Zijn vriend Mark raakt zijn been kwijt en wordt gered door Miller, dokter, antropoloog en boeddhist, pacifist. Mark blijft cynisch.

Het boek opent in 30-8-’33 met het bekijken van foto's die Anthony doen denken aan de dood van zijn moeder, aan Mary Amberley etc. In hoofdstuk vier gaat Anthony met zijn vader John naar het dorp waar zijn moeder wordt begraven (6-11-1902). Eind van zijn kindertijd. Daar is ook Mary, negen jaar ouder dan Anthony (21 en 12). 10 jaar later ontmoet hij haar (31 en 22) in Oxford. Mary is cultureel immoreel en zij beïnvloedt zijn denken. In hoofdstuk één is hij minnaar van Helen, zonder verantwoordelijkheidsgevoel in een zogenaamde vrijheid. In de roman rekent hij daarmee af: niets is toevallig, we zijn gevangen in een karmische ketting, onze daden bepalen ons latere zijn. We zijn verbonden in onze eenzaamheid.
Waarom gooit Huxley de hoofdstukken als het ware door elkaar?
Het boek is zo opgebouwd als gebeurt in Anthony's bewustzijn. Het verleden maakt het heden, zoals het heden licht werpt op het verleden.

Korte samenvatting (chronologisch)
Anthony's kindertijd-dood moeder-ontmoeting met Mary die haar ongeboren kind Helen draagt. De schoolvrienden Mark, Goggler Ledwige (broer van Helen) met zijn auto-erotische fantasieën, de scrupuleuze stotterende Brian.
Oxford, Anthony de erudiet, snob. Brian wordt verliefd op Joan, kan niet lichamelijke met haar zijn, voor het huwelijk. Kan geen geld van zijn moeder aannemen. Joan zoekt troost bij Anthony en Mary dwingt hem haar te verleiden. Dit moet Brian verteld worden. Anthony ziet zijn vriend in het Lake District. Hij wacht te lang. Dan komt een brief van Joan. Brian springt in een afgrond. Anthony verlaat Mary.
Helen steelt goederen om haar durf te laten zien aan haar zus. Anthony gaat naar een party van Mary, na jaren. Mary is oud, heeft een gigolo Gerry, die haar bedriegt met haar geld. Mark is cynisch, nihilist èn communist, voor zijn eigen zaak. Beppo vertegenwoordigt degeneratie, in Helens visie. Helen wordt verleid door Gerry. Haar moeder aan de heroïne. Helen wordt in Parijs geaborteerd. Zij trouwt met Hughes. Mislukt huwelijk. Zij heeft het over de betekenisloosheid van zijn sentimentele gehechtheid.
Helen cynisch, teleurgesteld. Zij ontmoet Anthony weer. Er is alleen nog lichamelijke passie. Dit wordt verbroken door het vallen van de hond. Anthony voelt zich leeg. Hij weet niet hoe hij dat moet genezen en gaat dan maar in op de invitatie van Mark naar Mexico. Mark heeft het existentialistische idee dat de betekenis van het leven afhangt van zijn eigen acties. Miller redt, zaagt het gangreen been van Mark af voor een publiek van indiaanse kinderen. Miller gelooft: wie goed doet goed ontmoet. Hij zegt dat Anthony leidt aan chronische constipatie.
Helen heeft Hugh verlaten en is verliefd op Ekki, die echter wordt gekidnapt door de nazi’s. Zij realiseert zich de valsheid van het communisme.
Anthony is veranderd. Hij is nu actief pacifist. Hij moet een vergadering toespreken; wordt bedreigd, maar gaat toch. De paradox is dat je het onmogelijke bereikt als je mediteert over de vrede, hoe dan ook, vriend of vijand. Ook als je ten onder gegaan in het duister, zie je het licht. De duisternis van de blindheid veranderd in het licht van de extase.

Het doel heiligt niet de middelen. De zachte krachten zullen zeker winnen aan het eind.

Henriëtte Roland Holst
(1869-1952)
De zachte krachten zullen zeker winnen 
in ’t eind -- dit hoor ik als een innig fluistren 
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren 
alle warmte zou verstarren van binnen.
De machten die de liefde nog omkluistren 
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, 
dan kan de groote zaligheid beginnen 
die w’als onze harten aandachtig luistren
in alle teederheden ruischen hooren 
als in kleine schelpen de groote zee. 
Liefde is de zin van ’t leven der planeten
en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen 
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: 
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.
Met dank aan George Woodcock

Jan Bommerson De ontdekking van Shetland

De grote, kleine, vriendelijke reus

Waarom gaat iemand naar de Shetland eilanden? Er is daar helemaal niets. Dat wil zeggen, er zijn altijd schapen en pony’s en vogels natuurlijk. Er is wind en zee en regen en er zijn rotsen, waar je af kunt lazeren en er is eenzaamheid, maar ook gezelligheid, gastvrijheid en bier. Waarom gaat Jan Bommerson er naar toe? Hij schrijft: ‘Een keer, toen ik in mijn eentje over een landweggetje wandelde, heel in de verte de zee, bulten afgegraven turf in de berm, een paar schapen en een pony in de heide, het gekrijs van meeuwen in mijn oren, overspoelde me een golf van emotie, sprongen me de tranen in de ogen, kreeg ik slappe knieën, en wilde ik in het gras van de heuvel gaan liggen. Voor altijd. Het overviel me, op klaarlichte dag. Zomaar. Terwijl er niets gebeurde. Het was er  ineens. Dat gevoel. Dat ik hier altijd wilde blijven. Dat alles goed was. ‘ Hij overweegt later om bijvoorbeeld met een Landrover daar electriciteitsmeters op te nemen; hij kan immers rijden. Verder heeft hij hier niets aan zijn diploma’s. Wat moet een leraar Nederlands op Shetland? Van schapen heeft hij geen verstand. Hij doet het niet, hij keert terug naar Groningen.

Hij gaat naar een onbewoond eilandje. Hij heeft een afspraak met iemand gemaakt. En hoopt dat die man er ook is. En dat is zo. De voormalige visser brengt hem naar het eilandje. Het is nog een hele klus om aan land te stappen. Wanneer wordt Jan weer opgehaald? Over twee dagen, Als het weer meezit. Anders later. Heeft hij wel genoeg eten en drinken bij zich? Wat gebeurt er als hij een been breekt? Als de visser een hartaanval krijgt? Het is lang voor de smartphone. Wie weet dat hij hier is? Een buschauffeur?
Hij  gaat wandelen op het eilandje. Een kaart is niet nodig. Hij maakt weinig foto's want dat gaat nog  ouderwets met een filmrolletje. Alleen als je zeker weet dat een foto de moeite waard is maak je hem. Hij ziet veertig zeehonden, sluipt naderbij, stelt zijn toestel in, gaat staan en de zeehonden zijn weg, lachen hem uit in de zee.
Bommerson doet gevaarlijke dingen, dat weet hij ook wel, maar hij heeft een bijna kinderlijk vertrouwen in de goede afloop. Als lezer denk je soms: nu gaat het mis, maar nee, het weer blijft goed, de visser komt met zijn bootje en haalt hem weer op.

Het is heel aangenaam om het reisverslag van Jan Bommerson te lezen, " De ontdekking van Shetland". Hij begint dit boek met zijn tweede reis en beschrijft de tocht per boot van Aberdeen naar Lerwick, de avond in de lounge met een merkwaardig muzikaal duo, dat veel decibellen produceert, waarbij veel bier wordt gedronken, zijn pogingen om te slapen, het opzetten van de tent op het vasteland, waarbij hij ook weer wordt gestoord, maar nu door oude vrienden en dan gaan  ze samen naar het Queens Hotel.

Zijn lengte leidt soms tot hilarische situaties, bijvoorbeeld bij een behendigheidsrace met een Landrover of als een oude boerin haar handen voor haar gezicht slaat, omdat ze zo’n lange man nog nooit heeft gezien. En natuurlijk als Muira die het met alle mannen van Lerwick heeft gedaan, vraagt:
‘Are you shaped in proportion all over?’ De kleine reus weet niet wat hij moet zeggen, maar gelukkig lacht iedereen zo lang en luid dat het niet hoeft.

Het is allemaal veertig jaar geleden, Jan was 27, nu 67. Waarom heeft zo zo lang geduurd voor we dit mogen lezen? Hij heeft nu eindelijk de tijd om zijn aantekeningen rustig te ordenen. Wat is er in die tijd allemaal gebeurd? Cabaret, presentatie, een school-carrière, een huwelijk, kinderen, een volkstuin en wat niet al.
 Heeft hij Saundra nog éen maal gezien? Saundra die in het begin opving dat hij de voorplaat van de TVTimes met Tommy Cooper zo mooi vond en bij het afscheid de uitgescheurde bladzijde geeft met de tekst: ‘To Jan with love from Saundra 21st July 1978 XX’ en later - dat ziet hij pas aan boord van het schip dat hem terugbrengt naar Aberdeen - ‘As an afterthought more love from Saundra’. Was hij die avond in de Queens maar wat sneller geweest om haar te vragen mee te gaan naar de dance. Hij bedenkt hoe hij het moet vragen, onzeker, zo, nee zo en dan is Robbie hem voor en gaat Saundra met hem dansen. Jan gaat dan maar terug naar the cottage, waar hij logeert met zijn vrienden, waaronder Big Jim, die plotseling vertelt hoe zijn ouders hem op zijn achttiende verjaardag met twee koffers het huis uitzetten. ‘We hebben nu achttien jaar voor je gezorgd, en dat vinden we langzamerhand wel genoeg. We zijn klaar. We stoppen ermee. (…) We don’t like you. We never did. That’s why!’

Jan kan nu niet meer terug, de boot vaart onverbiddelijk naar Aberdeen.

In 1979 maakte hij een reis naar het noorden van Noorwegen. Ook daarover verscheen een verslag in 2016, vol treurnis, melancholie, eenzaamheid en vreugde, bij de zelfde uitgever.

Jan Bommerson, De ontdekking van Shetland, uitg. Sylfaen, Lobith, 2017.
152 bladzijden.

Emily Kocken De Kuur

Vluchten kan niet meer

Wat bezielt een hedendaagse auteur om in de schaduw van de Toverberg te staan?
Van Emily Kocken las ik ‘Witte vlag’ en ik was onder de indruk van haar intelligentie, haar originaliteit, haar eigenzinnigheid, van het onafhankelijke van de hoofdfiguur. Ik moest wennen aan haar stijl.

Dat ze het vak in haar vingers heeft, kun je zien aan een passage als volgt. Yves, de vader, rijdt weg van Vera, zijn eerste vrouw en denkt aan de bergen van Davos: ‘Een joekel van een bocht eiste zijn aandacht, een soort luchtbrug voorbij het viaduct noordoostelijk van Den Haag, een stijging en kromming ineen en zo extreem dat je op het hoogste punt moest gassen. Zijn hart klopte in zijn keel toen hij de helling had genomen, rare associatie. De onverwachte hoogte in het ‘lage’ landschap, de groeiende opwinding in het gemoed van zijn inwoners. Het populisme dat in iedere natie om de zoveel generaties zijn kop opstak.’
Niettemin dacht ik ook vaak: schiet ze hier niet uit de bocht door haar versnellingen, weglatingen, wonderlijke associaties? Zoals aan het slot van haar nieuwe boek De Kuur.

Uit angst? om redundant te zijn is Kocken wel erg zuinig met informatie over wie wie is in het begin van De Kuur. De eerste hoofdstukken zul je dan ook over moeten lezen. Met korte zinnetjes geeft de auteur een beeld van snelle, intelligente, maar op life-style gerichte personages.
Ze is van alles zeer goed op de hoogte, volgt vast met tegenzin de nieuwsmedia met Van Nieuwkerk en Jinek om ons duidelijk te maken in wat voor wereld wij leven. Het hedendaagse taalgebruik wordt zonder twijfel geïroniseerd: corporaal gesodemieter, vintage, boeien, aanklooien, hip, blablabla, fok, dat kwam er niet zo lekker uit, boobies, kappen, een oké leven, ja het is goed met je,nope. Er wordt ook veel gevloekt, maar dan op zijn Tirools: gopfertami is godverdomme. Een lijst van Zwitserduitse woorden en uitdrukkingen is achterin opgenomen: giggerig is bijvoorbeeld geil, gang go kafi hole is ga toch weg!

Het boek begint zo: ‘Ook zijn vader had ze gezien, onder het bed, in de kast. Achter een struik. Op de berg. Noem een plek, ongelukkig van nature, en daar waren ze.’ De spoken van het hotel, eens een sanatorium.
Yves - de rijke vader van vier kinderen, ex van Vera en Ank, zoon van de overleden Alexander Altman, die voor zijn zoon een aanzienlijk kapitaal (‘enorme bedragen’) op een Zwitserse bank achterliet, directeur van een succesvol congrescentrum - heeft het over de geesten van de Toverberg. Het boek speelt in zijn gezin dezelfde rol als de bijbel bij orthodoxe christenen: er wordt uit voorgelezen en speels-ernstig geciteerd.
Yves wil daarboven zijn 60ste verjaardag vieren. Dat gaat niet lukken, maar zijn dochter Billy (die doet denken aan de auteur) gaat eindelijk trouwen met Hans jr, zoon van zijn oudste studievriend. (Kocken is zo attent geweest om van alle personages achterin het boek een overzicht te geven.)

Af en toe vinden we een persoonlijke spreuk of bewering, zoals ‘Overdrijving is het kind van moeheid en herinnering’, die mij duister blijft en dat geldt misschien wel voor het hele boek.
Wat wil de schrijfster beweren met ‘De Kuur’? Zelf schrijft ze: ‘ Het immateriële aspect en de bezieling was een ander verhaal. Daar konden we helaas weinig commentaar op leveren, gemotiveerd om de personages van De kuur, een levend verslag van menselijk falen, flink in de problemen te brengen. Anders gebeurde er weinig op papier en minder in de hoofden van de mensen.’ Let wel, het perspectief ligt hier bij de geesten van de berg. Het is de moeite waard de rest van de ‘gedachten’ te citeren: ‘Wanneer wij waren blijven toekijken en de boel hadden laten verslappen, dan was het ook prima geweest om dit boek louter met een veelvoud van het euroteken en het cijfer nul bedrukt te hebben, daarmee de progressief recessieve teloorgang van de Europese vooruitgang visualiserend, een betere metafoor wellicht dan de avonturen van een familie uit de bovenklasse wier leuke wandelvakantie lelijk verpest werd door een boek.’
Ik neem aan dat de schrijfster de geesten van de berg laat denken wat zij denkt. Het boek gaat over de decadentie en de voortwoekerende rijkdom van enkelingen, maar op een luchtige, vrolijke manier. Jort Kelder doet er in zijn glossy opgewekt over en met onverholen bewondering.
In Davos vinden conferenties plaats van de machtigen en rijken der aarde met het voorgestelde doel de armoe aan te pakken, maar de uitkomst is steeds dat de kloof tussen rijk en arm alleen maar groter wordt.
Maar wat is nu toch die kuur? In het verhaal van Mann is het duidelijk: de patiënten moeten genezen. Hans Castorp wordt ziek gepraat, geneest, maar sterft in een krankzinnige oorlog, die weer leidt tot een nog verschrikkelijker oorlog. Dystopisch ja. Ook De Kuur lijkt mij een dystopie.

Toch is de familie Altman niet zo dom en onsympathiek en ijdel en in wezen onzeker als de huidige machtswellusteling in Washington en New York.
Yves wil een goede vader zijn; zijn nieuwe geliefde Barbara behoort tot de geslaagde elite, maar zij is ook aardig, innemend, ‘gewoon’ en allerminst ijdel.

Kocken laat vaker ‘dingen’ aan het woord. Zo bijvoorbeeld het behang in de lift. ‘Wij zijn wat wevers willen maken wanneer ze weven, wij zijn de wilde natuur getemd in een structuur.’ De dingen relativeren het belang van de mensen. ‘Stoom’ heeft het over de ‘illusie van essentie, van het zijnde, sorry, platoonse platitude’.
Het hele verhaal wordt auctorieel verteld; de auctor kruipt naar believen in de huid van de verschillende personages  en laat ze denken wat haar uitkomt. Yves: ‘In het leven van de door hem bewonderde schrijver van de tragedie op de berg draaide alles om zijn carrière. Thomas Mann. Wat een succesverhaal. (…) Yves ontdekte dat er geen kuur was voor de ziekelijke onzekerheid van zijn eigen kinderen.’

Deel 1 begint met Vera Christine. Ze is boos omdat ze niet is uitgenodigd. Afwisselend vernemen we de gedachten van Yves en Vera, onderbroken door commentaar, ironische of ook sarcastische opmerkingen van de auctor. Vera heeft Yves door. Wat wil hij? Zijn verjaardag vieren? Zijn kinderen fêteren? Zijn nieuwe geliefde presenteren? Of toch gewoon zaken doen? Zij wantrouwt hem als vanouds.

Billy (Wilhelmina) is een verwend, boos meisje, maar is ook onverwacht zorgzaam voor haar oude grootvader in Liechtenstein, al vlucht ze na een maand naar facebookvrienden in Kuala Lumpur en daarna naar vriendin Katie in Japan. Billy is bi. De liefde is over als Katie haar confronteert met haar lazy-rich-girl-zijn. Dit wordt ons kortweg medegedeeld.
Billy heeft de gave van inzicht in de toekomst zoals Kassandra, al zullen veel lezers haar wel geloven in haar dystopie. De wereld gaat naar de sodemieter: klimaat en kapitaal, de arm-rijk tegenstelling.

Het lijkt of de auteur privé-herinneringen of fantasieën - vooral bij het vertellen over Ank, de tweede echtgenote van Yves en de moeder van Billy - in haar verhaal opneemt, waarvan deze lezer denkt: wees wat duidelijker, geef wat meer informatie over de gang van zaken. Vertel niet zo hortend en stotend met al die weglatingen uit angst? om redundant te zijn.

Moet je De Toverberg  gelezen hebben? Nee, maar je mist dan toch veel. Het gedoe over melk bijvoorbeeld: “‘Is er misschien porter?’ Wat zei ze? Hij, een Peeperkorn? Pas dus tout, hij dronk alleen bij grote dorst. Zoals Hans Castorp. ‘Hm!’” Kocken herhaalt het spelen met de tijd van Mann, al doet zij het in korte mededelingen, waar Mann in lange uiteenzettingen - denk aan de skitocht van Castorp - laat zien hoe subjectief de tijd kan duren.

Het gezin van Thomas Mann: de rol van de vader, de gehoorzaamheid van de kinderen en hun ongehoorzaamheid. De familie van Yves idem. De gesprekken aan de Altman-tafel zijn illustratief.

Al met al: het is goed en verhelderend om het boek een tweede maal te lezen (zoals bij alle interessante boeken). Toch blijven de korte zinnetjes zonder werkwoord, de sprongen, de weglatingen irriteren.
=


Emily Kocken, De Kuur, Querido, Amsterdam-Antwerpen 2017
275 bladzijden

Jan van der Vegt De onberekenbare paarden van de biograaf

De onberekenbare paarden van de biograaf

Met de overmoed van Phaëton heeft Jan van der Vegt zich gewaagd aan het besturen van vier dichterlijke paarden, dat wil zeggen het beschrijven van het leven van Hans Andreus, Adriaan Roland Holst, Hendrik de Vries en Jan Elburg. Nu heeft hij een verslag geschreven over dertig jaar werk aan deze biografieën, hoe het allemaal kwam en hoe het nooit eindigt. Wat hadden die dichters gemeen? Bij drie van hen de afsplitsing van het creatieve ik. Bij Roland Holst de dubbelganger, bij Andreus de tweelinghelft, bij De Vries de Spaanse demon van de scheppingsdrift. Overigens is ook Elburg zich bewust van een alter ego dat creatief is.
Wat een afschuwelijk vak heeft de biograaf, maar ook hoe spannend. Het is een horreur een woud van gegevens te moeten doorkruizen, valkuilen vermijdend, worstelend door het struikgewas van leugens, verdachtmakingen weerleggend. Je moet in een donker bos de lichte, open plekken zoeken, terwijl je weet dat achter elke boom de ‘waarheid ’kan schuil gaan. En wat is de waarheid? Jouw waarheid? De waarheid van de ‘biografeling’, zoals Van der Vegt zijn bewonderde onderwerpen noemt? Hij is zich zeer bewust van de betrekkelijkheid van zijn bevindingen en tevens van zijn verantwoordelijkheid om toch het meest aannemelijke verband tussen werk en leven zichtbaar te maken, waarbij hij zich ook nog eens realiseert dat sommigen zullen zeggen: wat heb ik te maken met de mogelijke pedofilie van de dichter, zijn oorlogstrauma’s, zijn pre-natale complexen, zijn narcisme, zijn verlegenheid? Het gaat alleen om de gedichten. Wat doet het gedicht? Kan ik het zorgvuldig lezend en herlezend begrijpen? Moet ik alles begrijpen? Mag ik me niet laten meeslepen door klank en ritme en sfeer?
Toch willen we bijna allemaal weten hoe de dichter tot zijn gedichten kwam. Hoe was zijn jeugd, zijn liefdesleven? Hoe werd zijn talent gevormd? Soms kunnen levensfeiten wel degelijk helpen bij een interpretatie
De biograaf gaat op zoek naar documenten (ook huis-aan-huisbladen zijn nuttig), verklaringen van ooggetuigen, die soms moeilijk te vinden zijn. Officiële instanties zijn vaak hindernissen, die niet lastig gevallen willen worden, of die de privacy van biografelingen moeten beschermen of die de onderzoeker niet  serieus nemen. Van der Vegt dacht meer dan eens: waarom schrijf ik geen roman over bijvoorbeeld Hans Andreus of iemand die op hem lijkt? Dan mocht hij fabuleren. Maar nee, Van der Vegt is een serieuze onderzoeker, zo integer mogelijk. Leugenaars moesten worden ontmaskerd door andere getuigen en geconfronteerd met de feiten. Vaak lijkt de biograaf op een rechercheur, die toch ook de leugens van zijn te onderzoeken personages moet doorprikken. Iemand kan beweren dat hij toen en toen in Parijs was, maar soms vindt de biograaf een bewijs dat dat niet kan kloppen.
En dan de brieven. Zijn ze er nog of heeft de adressant ze verbrand? Mogen ze worden ingezien? Hoe slordig ging de schrijver met ontvangen brieven om? Hans Andreus of beter Hans van der Zant, gebruikte zelfklevende enveloppen en de sluitingslipjes waarop een adres was geschreven, waren vaak losgeraakt. Bij welke brief hoorde zo’n lipje? Kon je dat zien aan bepaalde inkt of aan vlekjes? Wie was de werkelijke vader van Hans? Gelijkenis op een foto kan bedriegen. DNA-onderzoek was 25 jaar geleden niet gebruikelijk en zou je nu toestemming krijgen om een graf te openen voor een dergelijk onderzoek? En is het van belang dat je zeker weet wie de vader is als de dichter zelf de veronderstelde vader als inspiratiebron gebruikt voor de gedichten in ‘De witte netten van zon en maan’?
‘Biografengeluk ’noemt Van der Vegt het als hij op 24 december 1994 in de Volkskrant een reportage leest van Philip Freriks, die in een Parijs hotel de namen van Claus en Vinkenoog terugvond in het hotelregister. Niet de naam van Hans Andreus en die moest daar toen toch ook zijn. Gelukkig was Freriks zo vriendelijk nog eens terug te gaan op instigatie van Van der Vegt en vond toen wel de naam van Hans van der Zant. De biograaf kon het feit nog net in het al ingeleverde boek laten zetten.
Boos is hij ook wel geweest, bijvoorbeeld toen de burgemeester van Putten de naam van de Andreusschool liet veranderen, zogenaamd op grond van de biografie, terwijl Van der Vegt toch had duidelijk gemaakt dat ‘Hans van der Zant als zeventienjarige scholier onder evidente dwang bij het Vrijwilligerslegioen Nederland was ingelijfd, vervolgens buiten zijn wil om in de Waffen-SS was terechtgekomen en een jaar later door de SS-leiding uit de krijgsdienst was ontslagen omdat hij onder valse voorwendselen was geronseld.’
In de biografie over Hendrik de Vries vermeed Van der Vegt het woord pedofilie, terwijl er toch een strofe is als:

Een kleine, hem toegenegen,
Die hij in zijn armen sloot
Voor spelen, kussen en strelen,
Heeft over hem heen gelegen
En gesluimerd in zijn schoot.

Interessant is dat onze houding tegenover het liefdevol omgaan met jonge kinderen in de loop van de tijd is veranderd.
De biograaf heeft met enkele van de kinderen van toen kunnen spreken en ónbehoorlijke intimiteiten werden niet gemeld. Hij moet de feiten niet alleen naspeuren, hij moet ze ook zo mogelijk interpreteren, ook al is hij geen psychiater. Maar wat kan een psychiater? Is een inlevende biograaf zijn mindere op dat punt? Waar kwam de ‘liefde’ voor kleine meisjes vandaan? Had die te maken met zijn bipolaire stoornis, met de handelingen van zijn moeder? Was De Vries behept met een autistische aanleg? En had dat te maken met zijn ongeëvenaarde rijmvermogen en zijn ‘krankzinnige’ geheugen voor gerijmde dichtwerken?
Dat Jan van der Vegt geen droge, feitelijke biografieën wilde schrijven, blijkt wel uit het feit dat hij bewust kiest voor een pakkend en treffend begin: niet de geboorte, na de voorouders behandeld te hebben, maar bijvoorbeeld de geboorte van de dichter als dichter. Hij streefde naar een eerste pakkende zin en hij is dan ook niet weinig trots als de Volkskrant zijn eerste zin over Elburg positief waardeert.
Zijn boek ‘Vierspan’ is met vaart en enthousiasme geschreven. Ik zou bijna schrijven: het boek leest als een goede speurdersroman, dat wil zeggen als een boeiende blik op het bureau van de detective.

Jan van der Vegt, Vierspan, Over biografieën en het schrijven ervan, uitg. Prominent, Baarn 2017.
313 pagina’s