zondag 26 augustus 2018

Maartje Smits, Ecologische teksten

Ecologische teksten

Het is een rare titel ‘Hoe ik een bos begon in mijn badkamer’ en misschien ook wel een rare bundel. Dat is niet erg, maar Maartje Smits rekt de grenzen van het genre op, niet alleen door de vele foto’s in haar dichtbundel, maar ook door de Engelse en Duitse woorden in haar Nederlandse teksten en door de vreemdheid er van.

WEBCAM VOS

even geduld
wildernis
watch watch

door slechte verbinding in het bos
kan de camera eruit liggen

en de webcamvos
jongt vroeg dit jaar

berken zeven hun dagelijkse kilo’s
een partijtke lichte zoogdieren
spot in het struikgewas

Het titelgedicht vertelt hoe de ik verleid (werd) door handzame varens in de supermarkt. De vulploegmedewerker vermaant en zegt dat je in Suriname moet vechten tegen de natuur, anders neemt ze alles over. De voorplaat laat een dubbel stopcontact  zien, omgeven, overwoekerd bijna, door korstmos.

De NOTITIES BIJ NATUURBRUG ZANDPOORT zijn opgebouwd uit 6 artikelen. De laatste tekst van de reeks 6.1 tot 6.6:

6.3 tussenzone
ecologisch en
recreatief liggen
duintjes

Een wonderlijke strofe. Verderop in het gedicht(?):

6.4 over de natuurbrug loopt
schrikdraad 2m40 ingegraven
tegen gulzige damherten
die niet mogen oversteken
damherten gaan te weinig dood
en eten te veel

6.5 damherten zijn een gevaar voor de natuur

6.6 de natuur is geen damhert

Het is duidelijk dat Smits vragen stelt over ons natuurbeheer. Prikkelende vragen, maar de vorm doet me eerder denken aan een standpuntbepaling met veel gevoel, in korte regels, dan aan gedichten, ondanks de wonderlijke metaforen.

Nog een voorbeeld:

AFBREEKBAAR

als bomen mogen blijven liggen op de Veluwe
een tuin waar alles uitslaapt en ik niet opval

hoe lang zou ons vermolmen duren

mijn omgedroomde kind klopt
zuchtend zaagsel uit mijn kruin
onder de slapende zaden van haar ogen
liggen fijne nerven die afbreken als ik lach
mijn lijf is al jaren van plantaardige oorsprong

ik denk niet
dat we hier zullen aarden


Ik heb de bundel vaak ter hand genomen in de hoop dat de teksten mij op een moment zouden raken, maar het is niet gebeurd. Laten we er het maar op houden dat ik niet de geschikte lezer ben voor deze bundel.

Maartje Smits, Hoe ik een bos begon in mijn badkamer, De Harmonie, Amsterdam 2017
69 bladzijden

Jeroen van Kan, De wereld onleefbaar

De wereld onleefbaar

Wesley Albstmeyer werd geboren in 1979 in Kaapstad. In 2008 publiceerde hij in jaargang 6 van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Jij de wereld’:

je bent niet van mij nooit geweest maar wel altijd

hier ook al onttrekt zich dat aan wat jij voelt ziet

hoort ruikt met alle gulzigheid omarmt jij die je vol

overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat sleuren



want onmatigheid is je middle name en juist dat is wat

ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan onmatig

verzamelde omarmingen van deze wereld jij als vat waarin

ik zonder voorbehoud zou willen verdrinken



jij die uit alle poriën leven ademt ervaringen indrukken

kleuren en geluiden jij die dit alles misschien zelfs bent

jij die alles omvat waar ik geen deel aan hebben kan



vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed

dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben jij

de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend

=
Jeroen van Kan publiceerde de wereld  onleesbaar  in 2017 bij Querido. Hij werd geboren in Hoorn 1968. Hij is dus 11 jaar ouder dan Wesley. Inmiddels weten we dat Wesley een schuilnaam is voor Jeroen. Leek jonger beter voor de publiciteit? Voelde Jeroen zich jonger? Leek Kaapstad interessanter dan Hoorn? (De schippers van Hoorn voeren om de Kaap!)
Het gedicht ‘jij de wereld’ staat op p.62:

jij die je vol overgave over het rulle asfalt van je zinnen laat
sleuren

jij die alles met gulzigheid omarmt want onmatigheid is
je middle name

dat is wat ik graag zou willen grijpen die flexawaaier aan
onmatig verzamelde omarmingen van deze wereld

jij die uit alle poriën leven ademt

jij die alles omdat waar ik geen deel aan kan hebben

vol schaafwonden blauwe plekken en geronnen bloed
dat op je shirt een al te verse landkaart vormt zo ben

jij de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend

=
De sonnetvorm, zonder eindrijm of metrum, is losgelaten. Het ontbreken van interpunctie is gebleven. Opvallend is ook het feit dat ‘sleuren’ nu op de volgende regel staat, net als ‘onmatig’ en ‘jij’.

Is de ‘jij’ iemand op wie de ‘ik’ jaloers is of is de ‘jij’ de naar buiten tredende ‘ik’, die hij graag ook van binnen zou zijn?
Uit de bundel is duidelijk dat de ‘ik’ enerzijds naar buiten wil treden en dat ook kan, anderzijds zich wil verbergen voor de wereld.

Hier is een dichter die enerzijds allerlei intieme gevoelens en situaties weergeeft, anderzijds de lezer afschermt: ho, het mag niet te anekdotisch worden, niet te persoonlijk. Het moet wel beheerst. Geen sentimentaliteiten alstublieft. Zie bijvoorbeeld ‘scherven 1 en 2’ (waarbij de lezer aan Faverey moet denken, die het had over de dood en niet over de liefde):

kijk ons daar staan
tussen onze voeten de vaas die jij
niet liet vallen en ik evenmin

kijk ons die breuklijn strelen
hoe onze vingertoppen het parcours
afleggen op niks af langs de rand

kijk die eens niet meer passen op
die andere scherpe rand en die
andere ook al niet op die



Het volgende gedicht heet ‘uittocht’. Moeten we dat nu begrijpen als een soort toekomstbeeld voor de verloren partner? Toch niet, omdat het het laatste gedicht uit de bundel is als afscheid/waarschuwing van/aan de lezer?
De ik uit de gedichten wordt opgejaagd door een verlangen. De dichter benoemt het als ‘doodsbenauwde haast’. Daar tegenover staat een ochtendlijke ‘bedauwde landweg’ ‘waar nog niets lijkt begonnen’. Rust, maar jij rent. De notering is iconisch:
‘en jij rent
                             jij rent
                                                    jij rent’
De ‘jij’, de ‘ik’ die zichzelf toespreekt, realiseert zich dat hij rent naar een toekomst, waar als het goed is ‘elk verlangen is genezen’.
Hij kan jaloers zijn op de ongenaakbaarheid van een steen. De steen die hij bekijkt - hij lijkt op zoek naar een opening - is ‘in zichzelf genoeg’, vindt ‘in zichzelf vervulling.
Het is een verlangen naar stilstand. Elders in de bundel krijgt dit gestalte in ‘dode roofvogel’.
Het verlangen spreekt ook in ‘hoop hulpmotor hart’: ‘zo afgerond lig ik hier in het graf zo puntgaaf’ en ‘zoafgerond aan alle hoeken zo heerlijk glad en / klaar en af zo ben ik nooit geweest toen dit alles / nog werd bezield’.

Jeroen van Kan, de wereld onleesbaar, uitg. Querido, Amsterdam 2017.
71 pagina’s

Vergeet het niet Anna Enquist

 Vergeet het niet

Anna Enquist publiceerde onlangs  Een tuin in de winter, herinneringen aan Gerrit Kouwenaar.
Begin jaren negentig ontmoetten zij elkaar op Poetry International in Rotterdam. Enquist was kort daarvoor als dichter gedebuteerd met de bundel Soldatenliederen, die later in die week bekroond werd met de Buddingh’-prijs.
De ontmoeting was het begin van een lange vriendschap. Anna en haar man bezochten bijna elk jaar  het echtpaar Kouwenaar in Zuid-Frankrijk, in het vakantiehuis met uitzicht op de Franse Alpen en bij helder weer op de Pyreneeën.
In het boekje staan enkele gedichten van haar, naast vele van Kouwenaar. Het eerste is:

Buitentijd

Dit is dichters boomgaard. Buiten
het kwadraat van stoelen glijden
zwijnen en slangen. Op tafel
lezen wij het eetbare: de nacht
is een vangzeil voor voedzame
woorden, de korst van het brood.

Dieren en dingen dragen eenvoudige
jongensnamen. Boven ons hangt
de zilveren maan, de valbijl.

Als het gedicht in een bundel staat, is het misschien moeilijker voor de lezer. Nu staat het ingekaderd in herinneringen. Jullie zitten op het terras en Gerrit is bezig met een vleesrooster en braadt met veel gespetter eendenbouten. De eendendijen noemt hij Wim en Henk.
‘Zwijnen en slangen’ lijkt niet positief.
A.E.: ‘Het kwadraat van stoelen heeft wel iets gezelligs. Je zit met vier mensen bij elkaar. En ja, het is buiten, er is een boomgaard en dan heb je in Frankrijk kans op wilde zwijnen en slangen.’

Het ‘eetbare’: dat is een Kouwenaarachtig idioom.
‘Kouwenaar heeft het heel vaak over eten. Zo lang je eet kan je ook dichter zijn en schrijver.’

‘Lezen’ betekent ook verzamelen.
‘Je zou ook kunnen denken: lezen wat je geschreven hebt. De dichters buigen zich over de vraag wat er eetbaar is, waar je over kunt schrijven. Je kunt het verzamelen. Je kunt ook met elkaar lezen wat er verzameld is. Je kunt overleggen, voorlezen. Dat gebeurde ook daar.
De nacht heeft hier iets veiligs. ‘nacht is een vangzeil’. Als het donker is en je hebt wat gedronken, dan durf je ook meer te zeggen.
‘voedzame woorden’: waar je iets mee kan.’

‘eenvoudige jongensnamen’: dat is voor de lezer zonder het verhaal niet gemakkelijk. 
‘Misschien is het minder ingewikkeld dan het lijkt. Je kunt de dingen op een eenvoudige, simpele manier benoemen. Er is ontspanning in die boomgaard, zo dat je vrijelijk met elkaar praat, waar je mee bezig bent en wat je heel graag wil schrijven. Je hoeft je er niet voor te generen. Het mag eenvoudig en simpel zijn. Het uitwerken en ingewikkeld doen komt morgen wel weer bij daglicht.
De dieren grijpen terug op die zwijnen en slangen. Maak het niet ingewikkelder dan het is.’

‘De zilveren maan, de valbijl.’ Dan is het gebeurd.
‘Bij die zilveren maan kun je nog denken: lekker, maar dan komma: de valbijl. Het zal afgelopen zijn.  Als je ontzettend gezellig en prettig met elkaar aan het vertieren bent, denk je in je achterhoofd: eens zal het afgelopen zijn. Het gaat om een gesprek tussen Kouwenaar en mij. Hij was natuurlijk wel twintig jaar ouder dan ik. Dus ik dacht daar wel eens aan. Wanneer houdt dit op? Paula leefde nog. Het is een heel vroeg gedicht en ook een heel konkreet gedicht.’

Jullie hadden een heel andere poëtica.
‘Totaal anders.’

Ik heb het een beetje meegemaakt, die ontmoeting tussen Kouwenaar en jou bij Poetry en later hoorde ik van hem: ‘Anna Enquist, dat is een goede dichter!’ Ik was verbaasd, omdat hij zo anders schreef. Zeker in die periode, want later werd hij veel meer anekdotisch.
‘We groeiden naar elkaar toe. Ik werd wat geacheveerder toen ik eenmaal over de euforie van dat debuut heen was en Gerrit werd een beetje toegankelijker.
Het ging meer over zijn eigen leven. Dat was al eerder zo, maar dan op een ingewikkelde manier.’

Het eerste gedicht van hem over een brand en zijn vader die journalist was. Dat was op zijn geboortedag. Later ging het meer om de taal en niet om de anekdote. Jij betwijfelde dat.
‘Ik geloofde er eigenlijk niets van. Hoe kan het ook anders? Je kunt toch alleen maar schrijven over wat je ergens raakt, iets wat een gevoel oproept. Hij moest niet veel van dat gevoel hebben, maar het was wel de waarde van zo’n gedicht. Hij maakte er een heel verhaal van: je moet in taal een bouwwerk maken en dat correspondeert dan met het leven, maar het valt nooit helemaal samen.’

Hij viel op jou, toen bij Poetry? Dat had denk ik vooral te maken met jouw persoonlijkheid en je voorkomen, je jeugd.
‘Nou zo jong was ik ook weer niet. Ik was toch ook al halverwege de veertig. Ik denk vooral dat we elkaar goed aanvoelden; snel grapjes konden maken. Hij was een aardige man. Hij hield op een kinderlijke manier van gezelligheid. Het werd een vriendschap, een kwart eeuw. En ook met zijn vieren, met Paula en mijn man.

Jullie spraken met elkaar over poëzie.
‘In het begin heb ik heel veel geleerd van Gerrit, met name over de indeling van zo’n gedicht. Ik schreef in het begin van die hele klonten en dan een witregel en dan een contra-klont, zal ik maar zeggen. Hij heeft me geleerd hoe je dat op kan delen: stukje van drie regeltje of twee, hoe je witregels gebruiken kan. Dat waren technische foefjes. Hij raadde mij het boek aan van Brouwers, Het juiste woord. Hij zei dat hij niet zonder kon. Ik meteen naar de boekhandel. Prachtig! Bladeren in een woordenboek is ook heel leuk en nuttig.’

Jij was musicus en psycholoog en therapeut. Je koos niet voor de poëzie. Koos de poëzie jou?
‘Dat had met het afscheid van de muziek te maken. Ik heb een aantal jaren na het conservatorium het niveau bij proberen te houden, maar dat kost je twee en half uur per dag en die had ik op een gegeven moment niet meer. Ik was in opleiding voor psycho-analyticus en ik had jonge kinderen en een baan. Ik kon er niet tegen om mezelf achteruit te horen gaan. Toen heb ik besloten dat de piano dicht ging. Ik heb mijn hele leven twee dingen naast elkaar gedaan zonder echt een keuze te maken. Dat vond ik infantiel. Daar wilde ik vanaf. Ik moet één ding doen als een volwassen mens. Dicht die piano, maar daar werd ik depressief van. Ik kon niet slapen en zat ’s nachts op mijn werkkamer te schrijven en dat leek al heel snel op een gedicht en toen ging ik daar plezier in krijgen. Ik las altijd al veel, ook gedichten. Ik was een geoefend lezer, maar ik wist niks van taaltheorie en poëtica’s. Daar had ik wel last van bij het samenstellen van de bloemlezing van Kouwenaars gedichten (Van woorden gemaakt) maar ik besloot om gewoon mijn smaak te volgen.
( ‘Geen literair-kritisch verantwoorde bloemlezing waarin alle aspecten van het werk aan de orde komen maar een persoonlijke selectie, gedreven door de vraag hoe Gerrit eigenlijk was en wat hij met zijn werk wilde,’ schrijft ze in haar inleiding.)

In het gedicht ‘Een plaats’ staat: ‘Vergeet het niet, niet het knipselwerk/ van de reling, het volmaakte vierkant, / het blauwste uur – vergeet het niet.’
‘Na de dood van Herman de Coninck in Lissabon zijn Gerrit en ik er met zijn tweeën op uitgegaan om even verlost te zijn en samen te praten. We zaten de hele middag bij een klooster en de wolken  trokken met een rotvaart over, ‘woest’. Er was daar een veiligheid, voor zo lang als het duurde: ’pen, / klok en stokvis’; het schrijven, de tijd die je nog toegemeten is, het eten in Portugal.

Het woord ‘woest’ is kenmerkend voor jouw gedichten.
Ja. Ik doe het niet expres hoor. Het komt vanzelf, maar het maakt je ook razend dat de tijd beperkt is en dat je zo maar dood neer kunt vallen. De achterblijvers worden in de steek gelaten. Dat roept na verdriet ook een enorme agressie op.’

Maar vergeet het andere niet.
‘Dat klooster was mooi en het zitten daar bij ‘het knipselwerk / van de reling, het volmaakte vierkant, / het blauwste uur – vergeet het niet.’ Droomuur, eind van de middag, de blauwe lucht met de wolken. Dat is waarom je schrijft. Je mag het niet vergeten.

In je verjaarsgedicht voor Gerrit is de dreiging van de dood ook aanwezig.
‘Het staat tegenover het vitale: het van rotsblokken af springen, wat we in Frankrijk deden. Er is de redding van de poezie: ‘vlijtig meten in regels. / met timmermansoog, daarover spreken.’ Je moet schrijven over wat je  overkomt.
Een wat ouder gedicht is:

Een zaterdagmiddag op de Lijnbaan

‘Tachtig, en ineens zijn vrouw dood, alleen
achtergebleven, zo gaat dat.’ Guur waait
het door de vleesloze straat waar geen hond
woont. Ogen in ogen. Wachten op een woord,
op de gedekte tafel, palaver, zomer straks
zomer, de zuivere wijn, op mosselen
die men uitdraagt in hun laatste hemd.

IJzig liedje van de bazuin. Wachten tot die
met de stofjas en zwarte oogkas je pakt,
met ivoren prachthand je hart verlamt
wakken hakt in je brein met kracht en
je wacht en blijft achter hij komt niet,
hij komt niet, alleen hij komt.

De tegenstelling tussen de zachte a’s en de ij in ‘brein’en ‘blijft’ en ‘hij’ (3 maal).

‘Dat heb ik van Frans Budé geleerd, met wie ik in Duitsland optrad.
Het is een heel konkreet gedicht. We moesten voorlezen in Rotterdam en we hadden wat tijd over. We hadden alletwee een beetje honger en toen zijn we van die gegratineerde mosselen gaan eten. Gerrit vertelde over een vriend die ineens zijn vrouw was verloren.

Heb je het idee dat je voortleeft in de poëzie?

Daar maak ik me geen illusies over. Als je eenmaal dood bent, is het snel met je gedaan als schrijver, tegenwoordig. Je merkt het al als je een tijdje niet gepubliceerd hebt. Dan ben je al half vergeten. Tenzij je een hele grote bent. Als je in schoolboeken staat. Voor zover kinderen nog poëzie-onderwijs krijgen.


In het afscheidsgedicht, waarmee het boekje bijna eindigt, schrijf je:

Maar die zomeravond, uitzicht op blauwe
bergen en jij met het glas: ‘Viva!’ - dat blijft
een woordloos ontberen na dit vaarwel.

‘Zo deed hij dat, vitaal, jongensachtig. ‘We moeten toch een beetje genieten’, zei hij.

maandag 12 maart 2018

Karel Capek, Meteoor

Hoe schrijf je een roman?

Meteoor’ is behalve een zoektocht naar de identiteit van een patiënt een soort ars poëtica van een roman.

Als een gloeiende meteoor die elk ogenblik in stukken kon barsten.

De roman’ Meteoor’ gaat over twee dromen, over de beelden van een helderziende en vooral over
de fantasie van een schrijver.  Aanleiding is het neerstorten van een vliegtuigje, waarbij de passagier anoniem in het ziekenhuis belandt.

De zuster droomt twee nachten over hem. Ze gelooft niet in dromen, maar twee keer achter elkaar… dat moet iets betekenen. Ze vertelt haar dromen aan de chirurg. Het waren telkens veranderende beelden en ze heeft ze nu in haar hoofd gerangschikt en samengevoegd. ‘Alle dingen  zouden in louter dromen vervallen als ze niet een zekere orde bezaten.’ In de droom spreekt de man tot haar en vraagt om hulp. Ze ziet hem op een houten trapje zitten met een tropenhelm. Hij heeft zijn moeder niet gekend en haatte zijn vader, een ondernemer, die zijn onderneming zag als iets dat door zijn zoon moest worden voortgezet. Hij leidde een ongehoorzaam en wellustig leven. Hij ontmoette een tenger meisje, gelukkig, zelfbewust, succesvol als ingenieur in een fabriek. Hij wilde haar verleiden en dat lukte. Daarna keek ze glimlachend naar hem en zei: ‘Zo, nu ben ik van jou!’. Hij ging er als een straatjongen vandoor. In haar droom vertelt hij haar van alles: hoe hij gevlucht is naar een eiland, hoe hij geld verdiende met suikerriet, hoe hij zijn arbeiders opzweepte en met mulattinnen de liefde bedreef. Hij beseft nu ‘dat het leven, evenals de dood, ook van een duurzame materie is gemaakt, dat het op zijn manieren met de eigen, kleine middelen de wil en de dapperheid heeft om voor eeuwig te zijn.’ Hij draagt haar op het meisje te zeggen dat hij terug is. 

De helderziende voelt griezelig duidelijk aan wat er met het slachtoffer van het vliegongeluk gebeurd is, niet alleen door het ongeluk, maar ook daarvòòr door een besmetting met rode koorts en gele koorts. Hij kan ruiken dat de vorige patiënt een nieroperatie heeft ondergaan. De reuk is, zegt hij, zeer intelligent. Hij komt ook met een vergelijking met klank: als je de A laat klinken op een piano, weerklinkt ook de A van een viool. ‘Zie het zo dat het leven een soort weerklinken is, dat de mens weerklinkt, dat zijn geest, herinnering en onderbewustzijn weerklinken.’  Hij vertelt het verhaal van het slachtoffer, die zijn moeder niet heeft gekend. Hij legt uit hoe zijn leven moest verlopen, door de aanvankelijke eenzaamheid, door het gedrag van de vader. Hij weet van de tropen, van zijn baan als opzichter, dat hij chemicus was in de suikerfabriek, dat een hoogleraar het onderzoek van de jonge man frustreerde. De helderziende weet van Cuba. Het is allemaal kennis die hij nauwelijks bewust naar buiten brengt. De medische gegevens kloppen met het verhaal en ook het zwakke hart, door te veel drank, tropische ziekten, sigaren. De helderziende begon met het beeld van een cirkel. Het slachtoffer heeft de cirkel van zijn leven gesloten door terug te keren naar de plek vanwaar hij vertrokken is, om het meisje op te zoeken, dat hij is ontvlucht.

De schrijver gebruikt zijn fantasie en komt nog het verst met de reconstructie van het leven van het slachtoffer. Hij schrijft: ‘Over de fantasie wordt gezegd dat ze dwaalt (…) maar veel vaker holt ze alert en aandachtig voort als een hond die met zijn snuit een vers spoor volgt.’ En dan komt er een theorie over het schrijven van bijvoorbeeld een roman. Dat ‘is een bezigheid die meer met jagen gemeen heeft dan met, laten we zeggen, het bouwen van een kathedraal volgens van tevoren uitgewerkte plannen.’ ‘Dat wat talent  wordt genoemd, is voor het grootste deel interesse of bezetenheid, de interesse om achter iets levends aan te gaan.’
Wat weet de schrijver? Dat de man verschillende munten in zijn zakken had: Franse, Engelse en Amerikaanse en een Hollands dubbeltje. Dat wijst op de Antillen. Hij had haast, want hij vloog ondanks de storm.
De schrijver weet dat alles wat hij schrijft betrekking heeft op hem zelf. Als hij over Hecabe zou schrijven, zou hij het over zichzelf hebben, ‘ik zou de weeklagende oude vrouw zijn die haar verschrompelde  zakjes van borsten openkrabt.’
Hij begint zijn verhaal met de vondst van een gewonde man, ergens op Cuba, met een pistool in zijn hand. Hij wordt volgegoten met rum en ontwaakt na 36 uur, zonder herinnering. Uiteindelijk wordt hij in dienst genomen door een zakenman die gebruik van hem maakt, omdat hij vele talen spreekt en omdat hij gewetenloos allerlei dingen kan regelen.
De schrijver legt op geheimzinnige wijze de hele geschiedenis bloot. Hij vertelt waar de man vandaan kwam, wat er gebeurde en hoe hij terugkwam en neerstortte.
Is het juist wat wij lezen? Hij blijkt inderdaad uit Cuba te komen, maar verder is alles verzonnen. Is het waar omdat het is opgeschreven? Het doet er niet toe: het is een verhaal en het is waar omdat het overtuigend is opgeschreven en omdat je als lezer er in kunt geloven.


Karel Capek, Meteoor, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017.
190 bladzijden

The shape of water

Veel lof voor idiote film The shape of water

Dat de schoonmaakster schattig is, is buiten kijf, maar dat ze verliefd wordt op een visman is onwaarschijnlijk, ook al probeert de verhalenverteller het aannemelijk te maken doordat het meisje wees is en doordat ooit (waarom?) haar stembanden zijn vernield. Ze heeft in haar haar hals drie strepen als een litteken van de operatie. Ze communiceert met gebaren en de visman begrijpt die gebaren. Ze doet ‘ei’ en hij doet haar na ‘ei’. Ze neemt een platenspeler mee en ze draait een plaat voor hem en doet ‘muziek’ en hij doet ‘muziek’. Allemaal nogal onwaarschijnlijk vanwege het zeer beveiligde complex waar zich dit allemaal afspeelt en dan ook nog de aparte ruimte die is afgesloten met een cijferslot. Goed, zij krijgt als schoonmaakster de cijfercombinatie, maar die sessies zijn toch onwaarschijnlijk en ook wel idioot.
Ze is bevriend met een collega, een zogenaamd zwarte vrouw, ook een schat, die haar antwoorden vertaalt voor een Amerikaanse hufter, een baas. Die baas zegt natuurlijk vreselijke dingen over schoonmaaksters en negers
Hij heeft de visman gevangen en in een druktank vervoerd, hoewel hij ook buiten het water kan functioneren. Niet te lang en hij moet groen spul krijgen en het water moet zout. Dat levert allerlei humoristische scènes op. Het meisje, Elisa, houdt een zoutbus omgekeerd vast, waarbij het zout op de grond van de badkamer stroomt. Ze heeft de visman gered en naar huis gebracht, met hulp van de tekenaar bij wie ze woont en die homoseksueel is en daarom uit een eettent wordt gezet.
Dat was allemaal heel spannend, want de hufter had Elisa’s plannen uiteindelijk door en hij was zeer gevaarlijk.
Hij martelde de visman met een stroomstok.
Waarom dit allemaal gebeurt? Het heeft veel te maken met begin jaren zestig koude oorlog-gedrag. Amerika tegen de Sowjet-Unie. Er speelt ook een cliché-klootzak-generaal een rol. Hij bedreigt de hufter, die geen fout mag maken. De hufter is ook een beetje zielig: hij kauwt kindersnoepjes, heeft schattige kinderen die kijken naar een zwart-wit tv-beeld van Ed en het sprekende paard. Hij heeft ook een cliché-Amerikaans vrouwtje, zo’n Madman-vrouwtje uit het begin, dat zich overdag laat neuken, zo’n beetje met kleren aan, maar hij wil niet dat ze praat. Er is ook een scène waarin hij Elisa een omgevallen glas water laat schoonmaken en hij probeert haar te verleiden, omdat ze stom is.
Elisa vrijt met haar visman in bad en later, ook weer humoristisch, in de hele badkamer als een aquarium, waarbij ze het water probeert tegen te houden met wat kussens bij de drempel. Tevergeefs. In de onderliggende bioscoop gaat het geweldig lekken. Een man, ook weer geestig, is in slaap gevallen bij een film, maar hij krijgt een drup in zijn opengevallen mond en schrikt wakker. Dat vrijen met de visman roept weer humor op, want haar vriendin, die zelf last heeft van een luie man die ’s nachts voortdurend scheten laat, (‘als scheten woorden waren, was hij een Shakespeare’) zegt zoiets als dat elke man zijn penis kan verbergen. De visman doet dat in een plooi. Maar hij is dus wel in staat om de schattige blote Elisa te nemen.

Aan het eind worden ze allemaal neergeschoten, maar de visman is ook een visgod. Hij kan wonden genezen door hand (met vlies)-oplegging. Hij springt met Elisa in het water en daar kan ze ademen in het water, doet haar ogen open en ze leven nog lang en gelukkig. Elisa als omgekeerde zeemeermin, als niet zo erg mooie beauty en haar beest.
Wie ook wordt neergeschoten is een Russische spion-wetenschapper, omdat hij niet meer vertrouwd wordt. Hij wil de visman niet doden en hij helpt Elisa met het ontsnappen van de visman. Vreselijk spannend: haar tekenaar (die door een reclamebaas op een koude manier wordt afgedankt) maakt een vals pasje. De MP vertrouwt het niet en neemt hem onder schot, maar dan wordt hij door de spion in een nekklem gezet. De tekenaar rijdt door, neemt de was met de visman in ontvangst, met Elisa en rijdt weg. Ze worden beschoten door de hufter en bewakers, maar ontsnappen.
Later wordt de neergeschoten spion met een stroomstoot gedwongen te zeggen wie de ontvoerders zijn, zodat de hufter achter de schoonmakers aankan. Hij komt, geheel volgens het cliché van misdaadseries net op tijd bij het dok aan en schiet dus Elisa en de visman neer. Shakespeariaans drama? Nee, de tekenaar slaat hem neer en nadat de visman zijn wonden heeft geheeld, krijgt de slechterik nog een fatale uithaal met zijn klauw. De politie komt er aan, gewaarschuwd door de zwarte vriendin. Wat gebeurt er met de hufter? Is hij dood? Wordt hij ingerekend of verpleegd en vrijgelaten of zorgt de generaal er voor dat hij alsnog wordt geliquideerd? Wat gebeurt er met de schattige kinderen en het praatzieke vrouwtje? Krijgt zij weduwenpensioen? Zoekt zij een nieuwe hufter? En de kinderen? Groeien zij op met de Amerikaanse ‘waarden’?







Julian Barnes Het enige verhaal

Fatale liefde

De mannelijke hoofdpersoon Paul van Julian Barnes Het enige verhaal heeft besloten van Susan te houden toen hij 19 was, zij 48 en getrouwd en met twee volwassen dochters, ouder dan Paul.
Barnes maakt voor mij niet duidelijk waarom hij van Susan houdt en misschien kan dat ook nooit. Hij vindt haar origineel en geestig, maar is dat genoeg? Wil hij origineel zijn? Hij heeft een afkeer van ‘normale’ mensen.
Waarom Susan van Paul houdt? Misschien omdat zij ongelukkig is met haar drinkende en af en toe gewelddadige man, misschien omdat zij verlangt naar liefde, misschien omdat Paul zo’n typetje is, zoals zij zegt. Barnes vertelt niet veel over het ontstaan van hun liefde en hoe zij van het tennis dubbel glijden naar het bed. Later vluchten zij naar Londen om samen te wonen in een armoedige woning. Paul gaat voor de advocatuur studeren, om haar te kunnen onderhouden. Susan is veel alleen en raakt aan de drank. Daarom? Of is er iets fundamenteels mis met haar? En wat is er met Paul? Laat hij de dingen gebeuren, omdat hij niet veel begrijpt van het leven. Hij is voortdurend aan het denken en overwegen. Hij noteert alle citaten over de liefde en streept ze weer door omdat ze niet juist zijn. Zo is ook in de Nederlandse uitgave de titel doorgehaald en opnieuw geschreven.
Uiteindelijk gaat ze lijden aan Korzakov en eindigt ze volkomen dement. Paul moet haar dan toch in de steek laten. Hij zegt dat hij haar teruggeeft aan het gezin, aan één van de dochters. Hij gaat reizen, krijgt vriendinnen, maar nooit voor lang. Waarom niet? Omdat hij ze niet toelaat tot zijn intimiteit. Omdat hij zelf niet ‘bij zijn gevoel kan komen’.

Barend en Sarie uit Stadium IV  van Sander Kollaard kennen  op een heel andere manier een fatale liefde. Hier is kanker de spelbreker. Uiteindelijk slaat Barend het hoofd van Sarie kapot, omdat ze, bijna stervend, nog heel even gelukkig is op de plek waar ze voor het eerst elkaar beminden, vele jaren geleden. Hoe hij daar mee wegkomt - lijk laten meenemen met een vissersboot, politievragen beantwoorden etc. - vertelt Kollaard niet. Daar gaat het hem niet om. Het gaat om wat je voor je geliefde over hebt als het er werkelijk op aankomt. Moest Sarie doorgaan met belastende en vergeefse chemokuren? Moest zij sterven, ongelukkig, in een ziekenhuisbed met fatale middelen. Mocht zij niet, ziek, doodziek, terug naar de plek van haar geluk?

Aan het eind van de film Call me by your name staart de hoofdpersoon, de 17-jarige Elio, minutenlang betraand naar het haardvuur, tot hij aan tafel wordt geroepen om het chanoekafeest te vieren.
Zijn vader nodigt ieder jaar een promovendus uit om te helpen bij archeologische opgravingen. Dit keer is het een blonde adonis, Oliver: 24 jaar. Als deze aankomt kijkt Elio met zijn vriendinnetje vanuit het raam boven en merkt op dat de ‘nieuwe’ wel erg zelfverzekerd is. Al snel wordt voor de toeschouwer duidelijk dat Elio zich tot hem aangetrokken voelt, dat wil zeggen dat Elio het nog niet weet, maar zijn lichaam wel. Dat kun je als toeschouwer zien! Hoe doet een regisseur of een acteur dat? Ook Oliver is aangedaan, maar hij wil niet. Hij is bang voor zijn reputatie, maar de hormonen kruipen waar ze niet gaan kunnen. Elio vrijt met zijn vriendin, maar kan Oliver niet uit zijn hoofd krijgen. Uiteindelijk geven ze beiden toe en beleven een hartstochtelijke liefde, maar Oliver moet weer weg.
De ouders van Elio zijn zeer liefdevol en begrijpend. Ze zien ook eerder dan het liefdespaar waar het naar toe gaat. Aan het eind spreekt de vader zijn zoon toe en vertelt hem dat hij zich niet moet schamen voor de overweldigende ervaring, maar dat hij deze moet koesteren. Hij bekent ook dat hij vroeger dergelijke gevoelens kende, maar er niet aan mocht toegeven. Dit wordt heel subtiel aangegeven.
Het is de toeschouwer duidelijk dat Elio nog lang gebukt zal gaan onder deze zomerliefde.

Madelon de Keizer, Als een meeuw op de golven

Dichter en criticus: liefde voor het leven
‘de droppels en de stroom’

Volgens Jan Veth, de schilder van het beroemde portret van de jonge Verwey, moet de kunstcriticus ‘niet zozeer een mening of oordeel geven over een kunstwerk, maar eerder het gevoel weergeven dat een kunstwerk bij hem opwekte’, aldus Madelon de Keizer in haar boek over Verwey en zijn tijdgenoten. Het geven van een oordeel, schrijft Veth, is iets van superioriteit.
De lezers willen echter graag oordelen lezen, al is het maar met bolletjes. Zij willen weten of een kunstwerk de moeite waard is en zij willen begrijpen waar het kunstwerk over gaat. Zij zoeken dus een autoriteit die hen vertelt wat zij ook zouden moeten menen.

Verwey noch Kloos trokken zich van Veths mening iets aan. Zij wilden wel degelijk voorlichting geven aan het publiek vanuit hun kennis, hun leeservaring en hun eigen dichterschap. Zij vertrokken vanuit hun eigen opvattingen over hoe kunst moest zijn. Kloos hield vast aan de Tachtiger principes, zoals ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’, terwijl Verwey na enige tijd de idee belangrijker vond. Dat was dan ook de belangrijkste reden voor hun verwijdering en later zelfs vijandschap. In hoeverre daarbij hun intieme verhouding een rol speelde, is moeilijk te achterhalen. Hoe ver ging hun liefde? In elk geval is wel duidelijk dat Verwey veel hield van zijn mentor in de kunst en dat Kloos verbitterd reageerde op zijn verloving met Kitty van Vloten, met wie Verwey een gelukkig huwelijk beleefde. 

Hoe oordeelde men over het portret van de jonge Verwey?  Wat zag men? Een slungelige jongen in niet voorname kleren, met een kop vol sterke eigenzinnigheid. Wat ik nu zie in het portret? Een jongen van negentien die met enig dedain niet kijkt naar zijn portrettist. De rechterhand in de zak van zijn broek. Het haar wild; brede neus, dunne, brede mond, de ogen kijkend naar, ja, naar wat? In zich zelf gekeerd, broedend op zijn toekomst, ambiteus.

Albert Verwey was de zoon van een godsdienstige meubelmaker, geen eenvoudige ambachtsman, maar iemand met een bedrijf met vele arbeiders. Zijn zoon mocht naar de HBS, eerst driejarig, later vijfjarig. Albert was aanvankelijk een slechte leerling, maar hij slaagde uiteindelijk als de beste. Hij was vooral goed in Nederlands en andere talen. Hij werkte kort als secretaris bij een handelsonderneming, reisde met zijn baas naar Brazilië, maar vestigde zich al gauw als dichter en literator, een armoedig bestaan.
Van Eeden vond het maar niks dat ‘den eerzuchtigen burgerjongen, (…) een goeden partij doet’. Van Eeden verafschuwde het huwelijk van zijn schoonzus met Verwey. Waarom? Daarvoor moet ik een uitstapje maken naar de biografie van Jan Fontijn over Van Eeden. Fontijn veronderstelt jaloezie. Kitty was populair in de kring van schrijvers. Kitty kwam in zijn dromen voor. Heeft hij haar als vrouw begeerd? Was Martha, de vrouw van Van Eeden frigide of heeft van Eeden haar frigide gemaakt met zijn schizofrene kijk op sexualiteit? En er was zeker jalousie de métier: Verwey schreef maar door, terwijl Van Eeden in een impasse zat.
Overigens waren al die literaire ‘vrienden’ af en toe zeer gefrustreerd en ziekelijk. Ze hadden hoofdpijn of ze waren overwerkt, overspannen, depressief. Ook Verwey leed aan depressieve buien, vaak na het voltooien van een bundel of boek. Sommige schrijvers waren alcoholist en suïcidaal. Het is nu niet anders dan toen. Veel schrijvers leven ongezond, al zijn er gelukkig ook veel uitzonderingen.

Hoe oordeelde men over Verwey’s dichterschap? Carel Scharten vond hem een ‘welbewusten, strengen en eigendunkelijken Hollander’. Zijn poëzie vond hij ‘ koel (…) bedenksel’, ingewikkeld en ‘vol onbegrijpelijke diepzinnigheden’.
Nog erger: zijn werk is ‘het genoeglijk maaksel van wie steeds over zijn zeer belangrijke  zelf tevreden is, en des te tevredener naarmate het resultaat stijver staat van gewicht en bizonderheid’.

Hoe oordeelde Verwey later over Kloos? ‘Ik zou hem de punt van het Zelf-gevoel willen noemen. Dat hij altijd zichzelf en zichzelf alleen zoo voelt, is zijn kracht en zijn grootheid.’ Verwey heeft vaker van die vreemde uitdrukkingen: ‘de punt van het Zelf-gevoel’. Gelukkig legt hij het hier uit.
Hij wilde zich richten op de wereld en zijn observaties ‘zuiver’ weergeven. Wie zou het onzuiver willen doen?
Volgens Kloos stonden in de debuutbundel van zijn vriend ‘nogal wat grammaticale fouten en overtredingen in zijn versbouw’ (MdK)

Hoe oordeelde Verwey over zichzelf? ‘Als kind had hij altijd al geweten dat hij meer dan iedereen het leven kende, omdat hij een dichter was.’ (MdK)
Zelf formuleert hij heel wat ingewikkelder: ‘Ik zou nu onopgemerkt gaan kunnen tusschen de wereld vol menschen en elk zou ik zien  en elks woorden hooren als de alleen door mij te begrijpen geheim-taal van Het Leven’. Nou, nou!

Eerst dacht ik dat het kiezen van figuren rond Verwey zou leiden tot een donut-biografie, maar later zag ik dat Verwey steeds de naaf in het wiel was.
Niettemin ben ik het eens met Rob Schouten dat Verwey wat veraf blijft, maar ligt dat niet eerder aan zijn ‘onbenaderbaarheid” dan aan zijn biografe?
Onbenaderbaar? Liet hij niet allerlei vrienden toe? Was het huis op het duin niet een gastvrije plek? Ja, maar zijn jongste zoon klaagde over zijn afwezigheid en de vrienden liet hij allemaal weer los. Was Kitty de enige die hij toeliet?
Madelon de Keizer heeft een tijdsbeeld willen schrijven, zoals Gundolf uit de kring van Stefan George dat deed. Zij wilde met een biografie een cultuurideaal laten zien aan de hand van een centrale figuur. Dat maakt het geheel wat droog.

Hoe oordeelde Kloos over Verwey? Hij vindt dat de ‘jonge, schoonheidszoekende lyricus Verwey vanaf 1886 (…) langzaamaan was verworden tot een betogend didacticus wiens veelvormige emotie was verdord tot hautain begrip.’ (MdK) Kloos heeft het ook over ‘zelfminnende bespiegeling’. 1886 … Verwey is dan 21! Het gaat hier over de Verzamelde Gedichten! De invloed van Kloos was zo groot, dat men tot diep in de 20ste eeuw zijn mening in het algemeen deelde. Vestdijk heeft geprobeerd het beeld te veranderen. Hij bewonderde Verwey om zijn enorme en belangwekkende oeuvre, maar sabelde ook vele gedichten neer als rijmelarij en dor denkwerk. Vele gedichten lijken eerder op verknipt proza.

Wat me verbaasde in het werk van Verwey waren de vele ongelukkige zinnen, de grammaticate fouten, overtredingen in de versbouw (volgens Kloos). En wat te denken van de volgende uitspraak over nieuwe verzen? Hij schreef vroeger verzen met mannelijk rijm, nu allemaal in het vrouwelijk rijm: ‘dat is omdat ik nu een vrouw heb’. Wat een onzin!

Bewonderenswaardig zijn echter zijn discipline en werklust: hij werd inderdaad een cultureel leider. In tegenstelling daarmee staat het geringe aantal verkochte exemplaren van de meeste van zijn bundels, met een oplage van 200 exemplaren. Van de  herdruk van de Verzamelde gedichten werden 28 exemplaren verkocht. De uitgever eiste dan ook steeds een aandeel in de kosten van uitgave. Het Blank Heelal had een oplage van 500. Het eerste jaar (1889) werden er 92 verkocht. In 1910 was er geen belangstelling meer en waren er 376 exemplaren over.
Het tijdschrift De Beweging moest steeds financieel ondersteund worden door Verwey zelf. Er waren meestal niet veel meer dan 200 abonnees.
Toen Verwey in februari 1928 werd uitgenodigd door prinses Juliana, die zijn colleges volgde, voor een diner, bleek ‘dat zelfs de hoogste dignitarissen geen idee hadden wie hij eigenlijk was’ (MdK). Hij schreef aan Uyldert: ‘Als ik ooit, als hollandsch dichter, gemeend heb eenigszins bekend te zijn, ben ik van die waan grondig genezen.’
Toch verklaarde hij nooit teleurgesteld te zijn geweest door de ontvangst van zijn boeken: ‘Waar ik één lezer verwachtte, heb ik er altijd twee of drie gevonden en soms meer.’ Hij werd nooit populair, maar aan het eind van zijn carrière werd hij niettemin door de meeste belangrijke literatoren vereerd als een groot dichter, zelfs door Ter Braak die hem een literaire administrator noemde en een superieure schoolmeester, maar toch zijn dichterschap ‘monumentaal’ achtte.
Een nieuwe generatie roemde zijn Europeese instelling. Hij hield van zijn land, maar hij was geen nationalist. Optimistisch betoogde hij dat de toekomst schoon zou zijn en dat we toegroeiden naar een mondiale eenheid. Dat was een gewaagde profetie in de dertiger jaren, in de tijd van het nationaal-socialisme. Verwey zag heel goed dat het fout ging met Duitsland. Vestdijk wilde een bloemlezing maken met zestig gedichten van uitnemende kwaliteit.
Maurits Uyldert, de eerste biograaf van Verwey schrijft over hem: ‘Een vonk van godswijsheid valt in de dichterziel. Deze vergeestelikt haar wezen en groeit uit tot de idee, die dit wezen zo eigen is, zó dit wezen zelf is, dat geen uiting ervan anders dan als symbool van deze idee denkbaar is.’
Hij benadrukt, net als Vestdijk in zijn Verwey en de Idee, dat Verwey de dichter van reeksen is, van een oeuvre. Veel gedichten krijgen hun betekenis in het geheel, als kralen aan een ketting. 


Erg enerverend, aantrekkelijk, avontuurlijk of meeslepend kan ik de biografie niet vinden, maar dat ligt ook aan het leven van Verwey, hoe polemisch, eigenwijs en zelfbewust hij ook was. Maar ik heb veel bewondering voor het geduldige graafwerk in de brieven, de zorgvuldigheid van alle commentaren, waarbij Madelon de Keizer negatieve opmerkingen over Verwey niet schuwt.

Verwey vond de biografie ‘een moeilijke en hoge kunst, maar ‘wie zich er aan waagt moet de druppels zien en de stroom, de boomen en het heele Bosch.’ Dat heeft zijn biografe goed gedaan. Het geheel had van mij echter wel korter gemogen. 

Madelon de Keizer, Als een meeuw op de golven, Albert Verwey en zijn tijd, Prometheus, Amsterdam 2017.
767 bladzijden