Voortaan kreupel
Wat moet je als je verlangt naar een betekenisgever, maar je kunt niet meer geloven in een persoonlijke God? En je bent geen Spinozist? En je bent oud?
Dan bedenk je een instantie, een niemand, desnoods een volle leegte, of je keert terug naar de godmens.
Die wij denken
de ooit bedachte
die wij stotteren vrezen
bespotten twitteren
in tochtige uithoeken en broeikassen
die overwegen
in haat- en aanbiddingsboeken
vleien en vervloeken
godallemachtig
die wij toezingen in basilieken
bij contrabassen en hoge
fluittonen huiverend
op knarsende knieën prevelend
om vergeving.
Dit is de eerste strofe van een lange tekst over vertwijfeling en heimwee.
Ik vraag me af hoe het komt dat ik, katholiek opgevoed, in bezit van een godsdienstdiploma, behaald bij de paters Augustijnen in Culemborg, die vertwijfeling niet ken.
Maar, zegt iemand, ken je dan ook niet de angst voor de dood, het verlangen naar een hemels paradijs?
Huub Oosterhuis schrijft in zijn nieuwe bundel Die wij denken:
WACHTTIJD
Ik ben niet klaar
ik luisterwacht
ik hoor een oude verveloze vrouw
zij lispelzingt mijn eerste lied
‘Zolang…’
Hoezo hoelang?
Het kan vannacht gebeuren -
ik stel het me niet voor.
Ben bang voor brandende bomen
laaiend woud
vlamvattende kinderharen
vuur slaat in
hun kleine zachte haren
vuur slaat in
hun kleine zachte geslachten
Zolang er mensen zijn.
Ik wacht op niets
dan lentelicht
en vingertoppen
lippen mogen ook
en hou van rozen.
‘Zolang er mensen zijn op aarde’ is het eerste kerklied van Huub Oosterhuis. "Op de fiets geschreven, in november 1959, tegen de wind in, van Winsum naar Groningen. Daar werd het in haast opgeschreven en 's avonds tijdens het lof gezongen, begeleid door een saxofoon, op de melodie van O Heer, Gij zijt mijn god en here".
Nu het antwoord op de boven gestelde vraag. Nee, geen angst voor de dood, geen verlangen naar een ‘hemel’. Ik ken wel de angst voor vuur dat inslaat in ‘hun kleine zachte haren’. En ja, de vreugde om het leven: lentelicht is mooi.
Hoe kom je in god? ‘Steile trappen af. /Niemand zeggen./ En dan springen. // Niet meer weten / of hij wel bestaat // of niet.’ Dat doet denken aan Kierkegaard. Zijn sprong in het absurde.
In het gedicht BEN VAN RELIGIE NIET citeert Oosterhuis het bevrijdingsvisioen uit de Joodse Bijbel en zegt: ‘De stem die dit / tot mijn geweten spreekt / is god voor mij.’ Dat is helder.
In het voetspoor van Paul Celan laat hij in de afdeling ‘Die wij zijn’ rozen zeggen: ‘Wij ontbloeien / die wij zijn.’
Is dat niet voldoende? Wat is onze opdracht? Bloemen moeten bloeien. Wij moeten leven, liefhebben, schrijven, musiceren, strijden tegen onrecht en dan sterven.
Maar Oosterhuis blijft strijden tegen de God van zijn jeugd, in AFSCHEID (een aandoenlijk gedicht) bijvoorbeeld, paradoxaal: hij is als Jacob en de engel; kreupel moet hij verder.
Huub Oosterhuis, Die wij denken, Ten Have, Utrecht 2017.
59 bladzijden
zondag 26 augustus 2018
Kreek Daey Ouwens, De eenden zijn stil
De eenden zijn stil
De tweede druk van `Oefening in het alleenlopen’ (Kreeks zevende bundel) is een herziene uitgave van de eerste. Wat ging er fout? Wie heeft de eerste druk? Overigens komt er al een derde druk aan. De Wereldbibliotheek heeft een zeer fraaie bundel gemaakt met een kunstwerk van Elly Strik op het voorplat. De grafische vormgeving is van Joost van de Woestijne. Op het achterplat staat dat de bundel gaat over ‘het tekort van de taal, het onvermogen van mensen elkaar door middel van de taal te bereiken’.
Ik zou zeggen dat de bundel gaat over taalarmoede in een bepaald gezin; het onvermogen om emotionele gebeurtenissen in woorden met elkaar te delen. Soms zijn er alleen maar kreten of korte zinnetjes na uren zwijgen. Het is bekend dat in sommige milieus de opvoeding vooral plaats vindt door slaan of stompen. Dat is hier niet het geval. Wel gaat het in het eerste deel van de bundel om een opmerkelijk, taalgevoelig kind. Ze ziet scherp hoe het is met de volwassenen, hoewel ze niet veel van hen begrijpt. Ze voelt wat broeit. Belangrijk speelgoed is de eendenplank:
‘We spelen met de eendenplank. Als je de
plank heen en weer beweegt gaan de eenden
met hun kop omlaag en weer omhoog. De stem-
men raken in een knoop. De andere grootvader
plant zijn mes in de tafel. Moeder loopt
weg. We laten de snavels van de eenden zo
hard mogelijk tikken tegen het hout. Ze
buigen alle drie tegelijk hun kop, hoewel
ze elkaar niet kunnen zien.’
Let op de eigenzinnige afbrekingen. Het is alsof het verschil tussen dichtvorm en proza de dichteres niet boeit.
Het gedicht is eenvoudig van taal. Er zijn geen moeilijke metaforen. De eendenplank krijgt natuurlijk wel een symbolische betekenis van onmacht, herhaling, sprakeloosheid, starheid. Er is ‘de andere’ grootvader die zijn mes in de tafel plant: een gebaar van woede en onmacht, misschien ook verveling. Moeder loopt weg. De kinderen reageren op de situatie, niet met vragen of opmerkingen, maar door ‘de snavels van de eenden zo hard mogelijk’ te laten tikken tegen het hout. De eenden buigen hun kop: overgave, machteloosheid. Ze kunnen elkaar niet zien: isolement in de groep.
Het gaat om niet begrijpen, wel verstaan. De dramatis personae zijn de ik, twee oudere zussen, de moeder, de grootmoeder, twee grootvaders (de stille en de vrager, de andere), een afwezige vader, die later opgezocht wordt achter hekken.
Het hart van de moeder is een kersenpit: zo klein, zo hard.
Er was een broertje, maar dat is gestorven voor het kind geboren is. Elk jaar is er een stille dag.
‘Vandaag zetten moeder en grootmoeder een
vierde bord op de tafel. Ze leggen er behoed-
zaam een lepel naast. Bij de lepel ligt de
foto van het jongetje. Na het eten wast
onze moeder het lege bord af en zet het
terug in de kast.’
Het kind krijgt niets uitgelegd, maar het ziet haarscherp de behoedzaamheid,van hun gebaren. Ze ziet de foto. Opmerkelijk detail: het ongebruikte bord wordt afgewassen. De illusie wordt serieus genomen. Op de volgende bladzijde kijkt de grootmoeder van opzij (!) naar het kind: ‘Als jouw broertje was blijven leven, was jij niet / geboren.’ Wat een onbedoelde wreedheid!
En zie wat er nu gebeurt: ‘De eenden zijn stil. Ze zijn stom. Ze zijn dood. / Ik wacht erop dat ze gaan pikken. Hard en hevig / gaan pikken. Ik wacht erop dat de woorden terug / vallen in grootmoeders mond. Dat er nu iemand / binnenkomt. Iemand die niet oud, stokoud is.’
Het huis is stil soms, maar het is gevaarlijk, overal ligt glas.
De vader wordt opgezocht. Ze rijden in een bus naar hem toe en lopen dan naar de ijzeren hekken, waarachter mannen lopen in gestreepte overalls. Grootmoeder roept haar zoon en geeft hem sigaretten. Het kind weet van het pakje Caballero. Ze ziet dat hij diep ademt. Ze weet niet wat inhaleren is, zoals een verslaafde dat doet. Ze telt de strepen op zijn pak. Ja, wat moet ze anders? Niemand legt iets uit. De andere grootvader loopt weg als zijn naam valt. De stille grootvader blaast zeepbellen, die kapot slaan tegen de muur.
In deel twee is de ik volwassen, maar het kind leeft nog in haar. Dan is er de liefde en de eenzaamheid, maar nu is er de taal, waarmee ze kan omgaan en ze weet hoe zuinig ze moet zijn met de taal. Zei Ben Okri niet: ‘The highest things are beyond words.’? Ook in dit deel zijn we als lezer in de positie van het kind: we krijgen niet te lezen wat er precies aan de hand is, wat de geschiedenis van dit gezin is in de grote geschiedenis van grensstreek en oorlog met Duitsland.
Kreek Daey Ouwens, Oefening in het alleenlopen, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017
102 bladzijden
De tweede druk van `Oefening in het alleenlopen’ (Kreeks zevende bundel) is een herziene uitgave van de eerste. Wat ging er fout? Wie heeft de eerste druk? Overigens komt er al een derde druk aan. De Wereldbibliotheek heeft een zeer fraaie bundel gemaakt met een kunstwerk van Elly Strik op het voorplat. De grafische vormgeving is van Joost van de Woestijne. Op het achterplat staat dat de bundel gaat over ‘het tekort van de taal, het onvermogen van mensen elkaar door middel van de taal te bereiken’.
Ik zou zeggen dat de bundel gaat over taalarmoede in een bepaald gezin; het onvermogen om emotionele gebeurtenissen in woorden met elkaar te delen. Soms zijn er alleen maar kreten of korte zinnetjes na uren zwijgen. Het is bekend dat in sommige milieus de opvoeding vooral plaats vindt door slaan of stompen. Dat is hier niet het geval. Wel gaat het in het eerste deel van de bundel om een opmerkelijk, taalgevoelig kind. Ze ziet scherp hoe het is met de volwassenen, hoewel ze niet veel van hen begrijpt. Ze voelt wat broeit. Belangrijk speelgoed is de eendenplank:
‘We spelen met de eendenplank. Als je de
plank heen en weer beweegt gaan de eenden
met hun kop omlaag en weer omhoog. De stem-
men raken in een knoop. De andere grootvader
plant zijn mes in de tafel. Moeder loopt
weg. We laten de snavels van de eenden zo
hard mogelijk tikken tegen het hout. Ze
buigen alle drie tegelijk hun kop, hoewel
ze elkaar niet kunnen zien.’
Let op de eigenzinnige afbrekingen. Het is alsof het verschil tussen dichtvorm en proza de dichteres niet boeit.
Het gedicht is eenvoudig van taal. Er zijn geen moeilijke metaforen. De eendenplank krijgt natuurlijk wel een symbolische betekenis van onmacht, herhaling, sprakeloosheid, starheid. Er is ‘de andere’ grootvader die zijn mes in de tafel plant: een gebaar van woede en onmacht, misschien ook verveling. Moeder loopt weg. De kinderen reageren op de situatie, niet met vragen of opmerkingen, maar door ‘de snavels van de eenden zo hard mogelijk’ te laten tikken tegen het hout. De eenden buigen hun kop: overgave, machteloosheid. Ze kunnen elkaar niet zien: isolement in de groep.
Het gaat om niet begrijpen, wel verstaan. De dramatis personae zijn de ik, twee oudere zussen, de moeder, de grootmoeder, twee grootvaders (de stille en de vrager, de andere), een afwezige vader, die later opgezocht wordt achter hekken.
Het hart van de moeder is een kersenpit: zo klein, zo hard.
Er was een broertje, maar dat is gestorven voor het kind geboren is. Elk jaar is er een stille dag.
‘Vandaag zetten moeder en grootmoeder een
vierde bord op de tafel. Ze leggen er behoed-
zaam een lepel naast. Bij de lepel ligt de
foto van het jongetje. Na het eten wast
onze moeder het lege bord af en zet het
terug in de kast.’
Het kind krijgt niets uitgelegd, maar het ziet haarscherp de behoedzaamheid,van hun gebaren. Ze ziet de foto. Opmerkelijk detail: het ongebruikte bord wordt afgewassen. De illusie wordt serieus genomen. Op de volgende bladzijde kijkt de grootmoeder van opzij (!) naar het kind: ‘Als jouw broertje was blijven leven, was jij niet / geboren.’ Wat een onbedoelde wreedheid!
En zie wat er nu gebeurt: ‘De eenden zijn stil. Ze zijn stom. Ze zijn dood. / Ik wacht erop dat ze gaan pikken. Hard en hevig / gaan pikken. Ik wacht erop dat de woorden terug / vallen in grootmoeders mond. Dat er nu iemand / binnenkomt. Iemand die niet oud, stokoud is.’
Het huis is stil soms, maar het is gevaarlijk, overal ligt glas.
De vader wordt opgezocht. Ze rijden in een bus naar hem toe en lopen dan naar de ijzeren hekken, waarachter mannen lopen in gestreepte overalls. Grootmoeder roept haar zoon en geeft hem sigaretten. Het kind weet van het pakje Caballero. Ze ziet dat hij diep ademt. Ze weet niet wat inhaleren is, zoals een verslaafde dat doet. Ze telt de strepen op zijn pak. Ja, wat moet ze anders? Niemand legt iets uit. De andere grootvader loopt weg als zijn naam valt. De stille grootvader blaast zeepbellen, die kapot slaan tegen de muur.
In deel twee is de ik volwassen, maar het kind leeft nog in haar. Dan is er de liefde en de eenzaamheid, maar nu is er de taal, waarmee ze kan omgaan en ze weet hoe zuinig ze moet zijn met de taal. Zei Ben Okri niet: ‘The highest things are beyond words.’? Ook in dit deel zijn we als lezer in de positie van het kind: we krijgen niet te lezen wat er precies aan de hand is, wat de geschiedenis van dit gezin is in de grote geschiedenis van grensstreek en oorlog met Duitsland.
Kreek Daey Ouwens, Oefening in het alleenlopen, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017
102 bladzijden
Rozalie Hirs, Voelen slokt denken
Voelen slokt denken
We nemen een kaart van bijvoorbeeld Japan en we kiezen zes bestemmingen, bijvoorbeeld Nagasaki, Hiroshima, Okayama, Osaka, Kyoto, Tokio. Al die plaatsen hebben een eigen geschiedenis, leeftijd, omgeving, inwonertal en verschillende eetgelegenheden. In Hiroshima kun je bijvoorbeeld in Okonomi-Mura een soort pizza eten.
We beginnen bijvoorbeeld in Huis ten Bosch - die plek noemen we en trekken zes paden naar die zes bestemmingen. Dat zijn dus zesendertig wegen. We voegen nog één pad toe dat de zes plaatsen verbindt; de kortste weg, maar die wordt gehinderd door bergen, rivieren, binnenzeeën. Je moet goede wandelschoenen hebben, een rugzak en voor onderweg een tent, een slaapzak, misschien een geweer.
We hebben nu gedaan wat het eerste gedicht van de afdeling ‘Bewegingslijnen’ van de bundel verdere bijzonderheden van Rozalie Hirs voorstelt. Je kunt ook naar het noorden van Canada of naar China.
Het gedicht bestaat uit drie terzinen met regels van vergelijkbare lengte. Het tweede gedicht bestaat uit twee quintetten. Wat opvalt in de reeks is het aantal punten:
‘naast een jonge berk. op 1 mei. in een maisveld. wanneer het regent.
in een auto, niet noodzakelijkerwijs zonder dak. door een verrekijker.
gedroomd. zeer langzaam, zonder contactlenzen in. indien gewenst.
alleen. dan.’
Het geheel heeft een opgewekt, monter karakter. Zo gaan we op weg. We gaan dat doen. Het pad dat we kiezen is voor ons. Er is stof, er zijn ‘slangen en glinsterend zand’.
Vanwege die slangen besluiten we vannacht niet buiten te kamperen. We hebben enge dromen, maar de volgende morgen eten we pannenkoek met stroop en boter en vertelt de moteleigenaar over een film van lang geleden.
De afdeling telt twintig gedichten, afwisselend terzinen, kwatrijnen en quintetten. Er wordt geen verhaal verteld. De verzwegen ik reist niet door Japan. Er is een je-figuur en een ander. Er wordt gekust, in bad gegaan, een modern museum bezocht, friet gegeten, ‘zeg maar’ gezegd. Taal klinkt als muziek, soms met een dissonant. Woorden verwijzen naar werkelijkheden, dromen, herinneringen. De lezer moet het lezen en herlezen, hardop, misschien proberen te zingen.
In de volgende afdeling ‘je andere onophoudelijk’ vinden we drie gedichten zonder interpunctie. Je zou de dichteres moeten horen voorlezen, zodat je sommige syntactische pauzes zou kunnen ontdekken:
‘vult modder een holle weg wanneer een schaduw pasgeboren
lucht het water kust die bloedkring was rond de maan daar een kind
in melksteen zit naast stapels vlekken de droom en ochtend blauw
en breekbaar vinden van dauw krakende botten met glasgordijnen
het dier beademen dat naar verdwenen handen kijkt’
In ‘varens’ krijgen we zeer konkreet te lezen hoe en wat varens zijn. We kennen ze uit onze bossen, maar varens en varenachtigen komen over de hele wereld voor. Er zijn duizenden verschillende soorten. In het bijzonder zijn ze overvloedig aanwezig in tropische of gematigde regenwouden, niet verwonderlijk omdat ze van vocht houden. De dichteres zag in Venezuela de meest exotische exemplaren. De vier gedichten zijn opgedragen aan Stefan Hertmans, die wellicht haar fascinatie deelt.
Na ‘oneindig breekbare’, gedichten met een titel, komt nog een sneeuwalfabet, wit op zwart, een ‘sneeuwdroom anno 2017’ met allerlei sneeuwwoorden van a tot z, waarbij sommige letters ontbreken omdat er geen sneeuwwoorden mee te vinden waren en tenslotte ‘zeg liefde’, vier liefdesgedichten, Grieks-mythologisch, dionysisch, dronken van liefde: ‘het heerlijkst leeft wie zonder besef en zonder verstand bijna / geen verdriet heeft om direct daarna te verwelken of bloeiende // schoonheid te verschrompelen’.
Rozalie Hirs viert het leven in deze bundel: zintuiglijk, zingend, maar ook schrijft zij:
‘geluk treedt dan pas volledig in als voelen denken haar oorspronkelijke
lichaam verliest en onsterfelijkheid ontvangt tot zover ben jij liefde
zowel verankerd in het lichamelijke als boven het lichamelijke verheven
het onzichtbare boven het zichtbare wat geen oog heeft gezien
geen oor heeft gehoord wat in geen hart hoofd is opgekomen
al wat het onbekende heeft bereid voor mensen die liefhebben
dat ben jij die door de overgang naar het andere leven
niet wordt weggenomen maar wordt vervolmaakt’
Rozalie Hirs, verdere bijzonderheden, Querido, Amsterdam-Antwerpen 2017.
61 bladzijden
We nemen een kaart van bijvoorbeeld Japan en we kiezen zes bestemmingen, bijvoorbeeld Nagasaki, Hiroshima, Okayama, Osaka, Kyoto, Tokio. Al die plaatsen hebben een eigen geschiedenis, leeftijd, omgeving, inwonertal en verschillende eetgelegenheden. In Hiroshima kun je bijvoorbeeld in Okonomi-Mura een soort pizza eten.
We beginnen bijvoorbeeld in Huis ten Bosch - die plek noemen we
We hebben nu gedaan wat het eerste gedicht van de afdeling ‘Bewegingslijnen’ van de bundel verdere bijzonderheden van Rozalie Hirs voorstelt. Je kunt ook naar het noorden van Canada of naar China.
Het gedicht bestaat uit drie terzinen met regels van vergelijkbare lengte. Het tweede gedicht bestaat uit twee quintetten. Wat opvalt in de reeks is het aantal punten:
‘naast een jonge berk. op 1 mei. in een maisveld. wanneer het regent.
in een auto, niet noodzakelijkerwijs zonder dak. door een verrekijker.
gedroomd. zeer langzaam, zonder contactlenzen in. indien gewenst.
alleen. dan.’
Het geheel heeft een opgewekt, monter karakter. Zo gaan we op weg. We gaan dat doen. Het pad dat we kiezen is voor ons. Er is stof, er zijn ‘slangen en glinsterend zand’.
Vanwege die slangen besluiten we vannacht niet buiten te kamperen. We hebben enge dromen, maar de volgende morgen eten we pannenkoek met stroop en boter en vertelt de moteleigenaar over een film van lang geleden.
De afdeling telt twintig gedichten, afwisselend terzinen, kwatrijnen en quintetten. Er wordt geen verhaal verteld. De verzwegen ik reist niet door Japan. Er is een je-figuur en een ander. Er wordt gekust, in bad gegaan, een modern museum bezocht, friet gegeten, ‘zeg maar’ gezegd. Taal klinkt als muziek, soms met een dissonant. Woorden verwijzen naar werkelijkheden, dromen, herinneringen. De lezer moet het lezen en herlezen, hardop, misschien proberen te zingen.
In de volgende afdeling ‘je andere onophoudelijk’ vinden we drie gedichten zonder interpunctie. Je zou de dichteres moeten horen voorlezen, zodat je sommige syntactische pauzes zou kunnen ontdekken:
‘vult modder een holle weg wanneer een schaduw pasgeboren
lucht het water kust die bloedkring was rond de maan daar een kind
in melksteen zit naast stapels vlekken de droom en ochtend blauw
en breekbaar vinden van dauw krakende botten met glasgordijnen
het dier beademen dat naar verdwenen handen kijkt’
In ‘varens’ krijgen we zeer konkreet te lezen hoe en wat varens zijn. We kennen ze uit onze bossen, maar varens en varenachtigen komen over de hele wereld voor. Er zijn duizenden verschillende soorten. In het bijzonder zijn ze overvloedig aanwezig in tropische of gematigde regenwouden, niet verwonderlijk omdat ze van vocht houden. De dichteres zag in Venezuela de meest exotische exemplaren. De vier gedichten zijn opgedragen aan Stefan Hertmans, die wellicht haar fascinatie deelt.
Na ‘oneindig breekbare’, gedichten met een titel, komt nog een sneeuwalfabet, wit op zwart, een ‘sneeuwdroom anno 2017’ met allerlei sneeuwwoorden van a tot z, waarbij sommige letters ontbreken omdat er geen sneeuwwoorden mee te vinden waren en tenslotte ‘zeg liefde’, vier liefdesgedichten, Grieks-mythologisch, dionysisch, dronken van liefde: ‘het heerlijkst leeft wie zonder besef en zonder verstand bijna / geen verdriet heeft om direct daarna te verwelken of bloeiende // schoonheid te verschrompelen’.
Rozalie Hirs viert het leven in deze bundel: zintuiglijk, zingend, maar ook schrijft zij:
‘geluk treedt dan pas volledig in als voelen denken haar oorspronkelijke
lichaam verliest en onsterfelijkheid ontvangt tot zover ben jij liefde
zowel verankerd in het lichamelijke als boven het lichamelijke verheven
het onzichtbare boven het zichtbare wat geen oog heeft gezien
geen oor heeft gehoord wat in geen hart hoofd is opgekomen
al wat het onbekende heeft bereid voor mensen die liefhebben
dat ben jij die door de overgang naar het andere leven
niet wordt weggenomen maar wordt vervolmaakt’
Rozalie Hirs, verdere bijzonderheden, Querido, Amsterdam-Antwerpen 2017.
61 bladzijden
Sasja Janssen, Kauwen als symbool
Kauwen als symbool
Verlangen naar vergetelheid vinden we bij Boutens (‘O alles te vergeten. Eer de avond valt!’) en bij Nijhoff (‘Maar laat mij uit dit land vandaan, / O laat mij zonder herinnering // En zingend het derde land ingaan.’) (Het eerste motto van de bundel Happy van Sasja Janssen.)
Waar wij vandaan komen (het eerste land) weten we niet en zeker niet waarom wij hier (het tweede land) zijn, maar we weten dat we eens moeten vertrekken. Daar kun je naar verlangen en laten we dat dan maar zingend doen.
Sasja Janssen verlangt in haar nieuwe bundel naar het ‘goede uur dat ik in de nacht spring.’ Of is het anders? Gaat de ik met verse voeten naar buiten en beseft zij dat een dode dichter geen gedichten maakt? ‘We weten dat we geboren worden om snel kapot / te gaan, dat weten dient geen doel.’ Maar de dichter kan zich losweken van zichzelf en zij kan iets maken, scheppen. Het schrijven van poëzie is essentieel voor het voortbestaan. De dichteres is happy in de gewone betekenis als een gedicht lukt. De titel van de bundel heeft ze ontleend aan de Engelse taalfilosoof John Austin, die er mee bedoelt dat een taaluiting doelmatig of effectvol kan zijn. (Vreemde keuze van Austin; ‘juist’ of ‘adekwaat’
of ‘deugdelijk’ lijkt me een betere term dan happy of gelukkig.)
Voor de vergetelheid is er ook mankop of blauwmaanzaad, een opium-achtige plant. En dan is er nog mindfuck oftewel verneukgedachte.
De ik in deze bundel is ongelukkig om allerlei redenen, maar wie heeft haar ooit een rozentuin beloofd? Zij citeert: ‘Have no fear of happiness, it does not exist.’ Het leven is een krankzinnige zaak, waar we niet om gevraagd hebben en er hoeft maar één molecuul in ons hoofd verkeerd te gaan liggen en we zijn stapelgek of dood. Gelukkig bestaat er zo iets als poëzie.
In den beginne is er niets, de volle leegte, niets wat we begrijpen, volgens de Edda, maar in die gapende leegte groeit ijs en vuur en waar die twee elkaar eindelijk raken, ontstaat leven, bedorven door giftig ijs uit de bron Elivagar. Leven is nooit ‘leuk’ geweest.
In het eigen begin is er de rivier, het veer van Baarlo naar Steyl. Baarlo is het knopendorp vanwege de ijzeren knopen, de torii van Tajiri, die daar woonde. Interessant is dat de beeldhouwer zegt: “Een knoop is een knoop. Met de interpretatie daarvan kan niets misgaan" en "Ik wil dat mensen zelf betekenis kunnen geven aan mijn kunstwerken”. Via Google is het lange prozagedicht te volgen.
De dichteres loopt om haar verdriet te verwerken, haar bewustzijn te laten verdampen, vertrekt met het veer naar Steyl naar de ‘roze slotzusters, om de eeuwigheid te zien. Tot ook zij weer water worden.’
Er is de klacht dat de gedichten van Sasja zo moeilijk zijn, zo particulier. In GINUNGAGAP kan de lezer de moeilijkheden oplossen via Google, maar hoe is het in NAAR DE KLOTE? ‘Naar de klote moet ik, kleine woestenij zonder grenzen / met waterdiepten zwaar’. ‘heb ik genoeg gelogen, zonen verdronken voor mijn eigen wil, mijn / handel in verbeeld vermogen, een cabrio voor mijn haard’.
Ook al kun je veel niet duiden: de urgentie is voelbaar en de taal is steeds verrassend.
Sasja Janssen opent haar bundel met een BALLADE VAN DE DICHTERES, een soort verdediging. De laatste drie strofen luiden:
‘We zijn je lezers begonnen er een paar, een papaver smaakt ons
herinneringen ook, maar in een ondoordringbaar canto kunnen
wij ons niet verstaan,
ik geloof enkelen wilden me afdrogen.
Ze omklemden me als een zwemband en een borst glipte weg
ik zag hoe mijn kleine rog naar de bodem zwom, lief lezer riep ik uit
met mijn woord verliest u minder en ik geen muze,
wat mij betreft een win win.
Een vrouw dook mijn borst op en drukte de vinnen op mijn huid
ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte
misschien geen poëzie,
maar mijn troubles over taal verdwenen.’
Moet de lezer kennis nemen van een column die Sasja schreef voor het VUmc om dit te begrijpen? (Zie Google; daar vinden we ook andere redenen om niet happy te zijn in de gewone betekenis.) Of moet je gewoon lezen wat er staat? De borst glipte weg; ‘de kleine rog’ is een metafoor. Een vrouw dook de borst op. We hoeven niet alles te herleiden tot autobiografische bijzonderheden, ook al zullen die een bron zijn van de gedichten.
Als we lezen ‘In de vorm zie ik met enige moeite een hert, door mijn wimpers even een springend hert, als op het wapen van Baarlo, zinnebeeld voor Christus, niet mijn verlosser.’ moeten we dan het wapen van Baarlo opzoeken en moeten we de iconografie van het hert kennen? Het staat er toch!
Maar het is wel aardig als je weet dat de kauw symbool is voor overleven, als je in deze bundel veel kauwen tegenkomt.
Sasja Janssen, Happy, Querido, Amsterdam 2017.
64 bladzijden
Verlangen naar vergetelheid vinden we bij Boutens (‘O alles te vergeten. Eer de avond valt!’) en bij Nijhoff (‘Maar laat mij uit dit land vandaan, / O laat mij zonder herinnering // En zingend het derde land ingaan.’) (Het eerste motto van de bundel Happy van Sasja Janssen.)
Waar wij vandaan komen (het eerste land) weten we niet en zeker niet waarom wij hier (het tweede land) zijn, maar we weten dat we eens moeten vertrekken. Daar kun je naar verlangen en laten we dat dan maar zingend doen.
Sasja Janssen verlangt in haar nieuwe bundel naar het ‘goede uur dat ik in de nacht spring.’ Of is het anders? Gaat de ik met verse voeten naar buiten en beseft zij dat een dode dichter geen gedichten maakt? ‘We weten dat we geboren worden om snel kapot / te gaan, dat weten dient geen doel.’ Maar de dichter kan zich losweken van zichzelf en zij kan iets maken, scheppen. Het schrijven van poëzie is essentieel voor het voortbestaan. De dichteres is happy in de gewone betekenis als een gedicht lukt. De titel van de bundel heeft ze ontleend aan de Engelse taalfilosoof John Austin, die er mee bedoelt dat een taaluiting doelmatig of effectvol kan zijn. (Vreemde keuze van Austin; ‘juist’ of ‘adekwaat’
of ‘deugdelijk’ lijkt me een betere term dan happy of gelukkig.)
Voor de vergetelheid is er ook mankop of blauwmaanzaad, een opium-achtige plant. En dan is er nog mindfuck oftewel verneukgedachte.
De ik in deze bundel is ongelukkig om allerlei redenen, maar wie heeft haar ooit een rozentuin beloofd? Zij citeert: ‘Have no fear of happiness, it does not exist.’ Het leven is een krankzinnige zaak, waar we niet om gevraagd hebben en er hoeft maar één molecuul in ons hoofd verkeerd te gaan liggen en we zijn stapelgek of dood. Gelukkig bestaat er zo iets als poëzie.
In den beginne is er niets, de volle leegte, niets wat we begrijpen, volgens de Edda, maar in die gapende leegte groeit ijs en vuur en waar die twee elkaar eindelijk raken, ontstaat leven, bedorven door giftig ijs uit de bron Elivagar. Leven is nooit ‘leuk’ geweest.
In het eigen begin is er de rivier, het veer van Baarlo naar Steyl. Baarlo is het knopendorp vanwege de ijzeren knopen, de torii van Tajiri, die daar woonde. Interessant is dat de beeldhouwer zegt: “Een knoop is een knoop. Met de interpretatie daarvan kan niets misgaan" en "Ik wil dat mensen zelf betekenis kunnen geven aan mijn kunstwerken”. Via Google is het lange prozagedicht te volgen.
De dichteres loopt om haar verdriet te verwerken, haar bewustzijn te laten verdampen, vertrekt met het veer naar Steyl naar de ‘roze slotzusters, om de eeuwigheid te zien. Tot ook zij weer water worden.’
Er is de klacht dat de gedichten van Sasja zo moeilijk zijn, zo particulier. In GINUNGAGAP kan de lezer de moeilijkheden oplossen via Google, maar hoe is het in NAAR DE KLOTE? ‘Naar de klote moet ik, kleine woestenij zonder grenzen / met waterdiepten zwaar’. ‘heb ik genoeg gelogen, zonen verdronken voor mijn eigen wil, mijn / handel in verbeeld vermogen, een cabrio voor mijn haard’.
Ook al kun je veel niet duiden: de urgentie is voelbaar en de taal is steeds verrassend.
Sasja Janssen opent haar bundel met een BALLADE VAN DE DICHTERES, een soort verdediging. De laatste drie strofen luiden:
‘We zijn je lezers begonnen er een paar, een papaver smaakt ons
herinneringen ook, maar in een ondoordringbaar canto kunnen
wij ons niet verstaan,
ik geloof enkelen wilden me afdrogen.
Ze omklemden me als een zwemband en een borst glipte weg
ik zag hoe mijn kleine rog naar de bodem zwom, lief lezer riep ik uit
met mijn woord verliest u minder en ik geen muze,
wat mij betreft een win win.
Een vrouw dook mijn borst op en drukte de vinnen op mijn huid
ik zong het sasjajanssenlied waarvan men lustte
misschien geen poëzie,
maar mijn troubles over taal verdwenen.’
Moet de lezer kennis nemen van een column die Sasja schreef voor het VUmc om dit te begrijpen? (Zie Google; daar vinden we ook andere redenen om niet happy te zijn in de gewone betekenis.) Of moet je gewoon lezen wat er staat? De borst glipte weg; ‘de kleine rog’ is een metafoor. Een vrouw dook de borst op. We hoeven niet alles te herleiden tot autobiografische bijzonderheden, ook al zullen die een bron zijn van de gedichten.
Als we lezen ‘In de vorm zie ik met enige moeite een hert, door mijn wimpers even een springend hert, als op het wapen van Baarlo, zinnebeeld voor Christus, niet mijn verlosser.’ moeten we dan het wapen van Baarlo opzoeken en moeten we de iconografie van het hert kennen? Het staat er toch!
Maar het is wel aardig als je weet dat de kauw symbool is voor overleven, als je in deze bundel veel kauwen tegenkomt.
Sasja Janssen, Happy, Querido, Amsterdam 2017.
64 bladzijden
Laurens Ham, Schuld en woede
Schuld en woede
‘Mijn grote schuld’ klinkt beter dan ‘Onze grote schuld’, maar de schuld is collectief. We putten de aarde uit, laten veel leven uitsterven, maken elkaar af etc. In hoeverre is de dichter persoonlijk schuldig? Is deel uitmaken van de Europese of Nederlandse samenleving al genoeg om je schuldig te voelen?
In elk geval gaat het in de gedichten om rijken die zich misdragen op rondvaartboten of op safari. Laurens Ham, literatuurwetenschapper, vindt er vileine en verrassende beelden voor.
‘mijn grote schuld prevelt slikt repeteert
het tv5-frans het bbc-engels
en het spaans van de werkster uit venezuele
hij moet haar smeken peperen
tot ze aandrift krijgt
en de voelsprieten van haar verweer
uitharden tot een gewei
dat vies vertrouwde plaatje’
en
‘de burger is een mondiale
nationalist geworden
en zijn strot
vuurt zijn bevelen
zet de zaag een tandje hoger
aan de stam’
Het doet pijn in de gedichten: ‘scherven in de mond’ vinden we niet alleen in de eerste afdeling die de titel van de bundel draagt. In EUR vinden we ‘Glas eten, naalden: iedereen moet bloedend / worden opgenomen.’ Er is veel pijnlijk geweld: mitrailleervuur, jagende en dodende honden, brekende wil, koevoeten, tank over lijven, door dieren bepikt, doorboorde tong, afgehouwen hoofd. Deze reeks lijkt te gaan over nationalistische politici en hun droombeeld van gezag en orde over een machteloze massa.
In WEE is gebruik gemaakt van een brief uit 1672, het rampjaar, die door Engels kapers op een Nederlands schip werd buitgemaakt. Zinnen uit de brief van een godvruchtige vrouw aan haar man, van een bedrogen vrouw, van een broer onder andere staan onder aan de pagina. Maar de gebeurtenissen in de reeks zijn van een eeuw eerder en gaan over de overwintering onder leiding van Barentsz. Ook hier scherven en glas en natuurlijk ijsschotsen, ‘de ijsbreker die een kaarsrechte spiegelbaan splintert’.
In 2014 resideerde Charlotte Peys, beeldend kunstenaar, die ook het treffende omslag van deze bundel verzorgde, op vraag van deBuren en KAAP samen met Laurens Ham kortstondig in Oostende. Aan zee ontstond een gedicht dat nu te lezen valt in 'Mijn grote schuld’: ‘De legenden worden herschreven’. Ik neem aan dat Laurens daar in Oostende, wandelende en pratende met Charlotte allerlei beelden heeft gezien. Charlotte maakte maskers. Bij een ruiterstandbeeld, vermoed ik, schrijft hij een boos gedicht:
‘daarboven zijn de heren hoog
strak uitgelicht
niets om naar te streven
je zou stikken in hun kussens
de heren hoog en speels
op hun plastieken bulldogs
bestrijken de flanken
met een rietje’
Jef Koons zou er een hatelijk beeld van kunnen maken.
Het geheel maakt een gezochte indruk. De dichter heeft zich willen houden aan de opdracht, maar de innerlijke noodzaak ontbrak. Wel vinden we zijn idioom terug, natuurlijk, een toneel wordt doorboord, de negentiende eeuw aangevreten, ineengestuikte maskers, aan flarden gezaagd doek, doorpriemende wandelstokken, congo, James Ensor.
In ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ lijkt de dichter zich te identificeren met tuig: ‘ik gemotoriseerde yup / spuw mijn gal niet langer / bal mijn vlotte babbel / samen onder de bagagedrager’. Hij gaat ver: ‘mijn zonde bestaat in het erkennen / van schuld / waar die zo leeg is / als een slappe portemonnee’. De schuld is leeg. Het erkennen van schuld lijkt ijdel en dat is juist de zonde. Wat doen we er aan? Moeten we misschien artificiële intelligentie en robotica onze milieu-ellende laten oplossen? Zijn wij mensen niet meer in staat om de problemen op te lossen omdat we het gezellig willen houden?
De laatste afdeling heet ‘Utopië’. De Utopie ligt achter ons. Laurens Ham schetst of beter etst een dystopie, waaruit we misschien alleen gered kunnen worden door ons in een luchtschip te laten verplaatsen naar een andere wereld.
Laurens Ham, Mijn grote schuld, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017
61 bladzijden
‘Mijn grote schuld’ klinkt beter dan ‘Onze grote schuld’, maar de schuld is collectief. We putten de aarde uit, laten veel leven uitsterven, maken elkaar af etc. In hoeverre is de dichter persoonlijk schuldig? Is deel uitmaken van de Europese of Nederlandse samenleving al genoeg om je schuldig te voelen?
In elk geval gaat het in de gedichten om rijken die zich misdragen op rondvaartboten of op safari. Laurens Ham, literatuurwetenschapper, vindt er vileine en verrassende beelden voor.
‘mijn grote schuld prevelt slikt repeteert
het tv5-frans het bbc-engels
en het spaans van de werkster uit venezuele
hij moet haar smeken peperen
tot ze aandrift krijgt
en de voelsprieten van haar verweer
uitharden tot een gewei
dat vies vertrouwde plaatje’
en
‘de burger is een mondiale
nationalist geworden
en zijn strot
vuurt zijn bevelen
zet de zaag een tandje hoger
aan de stam’
Het doet pijn in de gedichten: ‘scherven in de mond’ vinden we niet alleen in de eerste afdeling die de titel van de bundel draagt. In EUR vinden we ‘Glas eten, naalden: iedereen moet bloedend / worden opgenomen.’ Er is veel pijnlijk geweld: mitrailleervuur, jagende en dodende honden, brekende wil, koevoeten, tank over lijven, door dieren bepikt, doorboorde tong, afgehouwen hoofd. Deze reeks lijkt te gaan over nationalistische politici en hun droombeeld van gezag en orde over een machteloze massa.
In WEE is gebruik gemaakt van een brief uit 1672, het rampjaar, die door Engels kapers op een Nederlands schip werd buitgemaakt. Zinnen uit de brief van een godvruchtige vrouw aan haar man, van een bedrogen vrouw, van een broer onder andere staan onder aan de pagina. Maar de gebeurtenissen in de reeks zijn van een eeuw eerder en gaan over de overwintering onder leiding van Barentsz. Ook hier scherven en glas en natuurlijk ijsschotsen, ‘de ijsbreker die een kaarsrechte spiegelbaan splintert’.
In 2014 resideerde Charlotte Peys, beeldend kunstenaar, die ook het treffende omslag van deze bundel verzorgde, op vraag van deBuren en KAAP samen met Laurens Ham kortstondig in Oostende. Aan zee ontstond een gedicht dat nu te lezen valt in 'Mijn grote schuld’: ‘De legenden worden herschreven’. Ik neem aan dat Laurens daar in Oostende, wandelende en pratende met Charlotte allerlei beelden heeft gezien. Charlotte maakte maskers. Bij een ruiterstandbeeld, vermoed ik, schrijft hij een boos gedicht:
‘daarboven zijn de heren hoog
strak uitgelicht
niets om naar te streven
je zou stikken in hun kussens
de heren hoog en speels
op hun plastieken bulldogs
bestrijken de flanken
met een rietje’
Jef Koons zou er een hatelijk beeld van kunnen maken.
Het geheel maakt een gezochte indruk. De dichter heeft zich willen houden aan de opdracht, maar de innerlijke noodzaak ontbrak. Wel vinden we zijn idioom terug, natuurlijk, een toneel wordt doorboord, de negentiende eeuw aangevreten, ineengestuikte maskers, aan flarden gezaagd doek, doorpriemende wandelstokken, congo, James Ensor.
In ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ lijkt de dichter zich te identificeren met tuig: ‘ik gemotoriseerde yup / spuw mijn gal niet langer / bal mijn vlotte babbel / samen onder de bagagedrager’. Hij gaat ver: ‘mijn zonde bestaat in het erkennen / van schuld / waar die zo leeg is / als een slappe portemonnee’. De schuld is leeg. Het erkennen van schuld lijkt ijdel en dat is juist de zonde. Wat doen we er aan? Moeten we misschien artificiële intelligentie en robotica onze milieu-ellende laten oplossen? Zijn wij mensen niet meer in staat om de problemen op te lossen omdat we het gezellig willen houden?
De laatste afdeling heet ‘Utopië’. De Utopie ligt achter ons. Laurens Ham schetst of beter etst een dystopie, waaruit we misschien alleen gered kunnen worden door ons in een luchtschip te laten verplaatsen naar een andere wereld.
Laurens Ham, Mijn grote schuld, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2017
61 bladzijden
Marc Tritsmans, Kleine poëtische filosofie van het leven
Kleine poëtische filosofie van het leven
Wat is de situatie van de mens? Waar komen we vandaan, waar gaan we naar toe en waarom? Met de laatste vraag houdt Marc Tritsmans in Het zingen van de wereld , zijn twaalfde bundel, niet bezig. Hij schrijft gedichten over het leven op onze aarde, zoals de titel belooft.
Hoe zijn we op onze woning, de aarde? Hoe gaan we er mee om? Hoe lang al leven we van wat de zon ons brengt? Hoe worden we getroost door de maan en hoe resoneert het draaien van de maan om onze aarde in ons leven? Wat danken we aan lucht en water en wat betekent het licht van alle sterren? Tritsmans is op de hoogte van de natuurkundige stand van zaken in de wetenschap. Hij heeft het over fotonen, over het golf- en deeltjeskarakter dat we geleerd hebben van de quantumfysica.
Eerst dachten we het middelpunt te zijn van het universum, was onze aarde, de planeet waar om alles draaide, wat we leerden van de oude Grieken en wat de moederkerk heel lang volhield. In de 16de eeuw leerden we van Copernicus, Keppler en Galilei dat wij draaien om de zon en vervolgens moesten we begrijpen dat ons zonnestelsel aan de rand van ons melkwegstelsel bewoog en dat we een onbeduidend plekje innamen in de kosmos en dat zelfs dat onbegrijpelijk grote stelsel een vlekje was in een veel groter geheel en uiteindelijk moesten we leren hoe het ons bekende universum slechts een mogelijkheid was in een onvoorstelbaar heelal. Dat ons universum misschien slechts een deel was van oneindig veel aan- en uitflitsende universa.
We dachten dat de mens de kroon was van een door God geschapen wereld, maar we bleken voort te komen uit een reeks van samenklonterende atomen en moleculen en we leerden dat uiteindelijk alles bestond uit onvoorstelbaar kleine trillingen.
Maar wij leven op deze aarde en we maken de wisseling van de seizoenen mee en we zien bomen groeien, hun blad verliezen en we zien ze weer uitbotten. Eerst kunnen we een boom planten en zijn stam met een hand omvatten. Later kunnen we de boom alleen nog maar omarmen en nog later ook dat niet meer.
De taal ‘heeft in haar eentje de mens gemaakt / tot dit reddeloos aan de dood denkend dier / dat zich steeds bewust van het uiteindelijk // zinloze toch maar blijft proberen om hiervoor / nog wat woorden te vinden omdat zelfs even / bestaan beter is dan eeuwig niet bestaan’. Dat is belangrijk: we leven en hoewel we verdwijnen - ja, uiteindelijk met zijn allen - we leven nu.
Zelfs even bestaan is beter dan eeuwig niet bestaan. Waarom is dat zo’n mooie en duizelingwekkende gedachte? Omdat we toch een opdracht hebben? Niet een opdracht van een denkend wezen, maar een opdracht die inherent is aan het leven. Omdat wij leven, moeten wij groeien in bewustzijn, deelnemen aan een zich ontvouwend eeuwig bewustzijn.
Er zijn mensen die niet kunnen geloven in zo’n opdracht. Zij denken dat het leven een zinloze, toevallige affaire is.
Wat denkt de dichter? Kun je dichten zonder zo’n ‘geloof’? Zonder zo’n richting? Is zulk geloof uit de mode geraakt?
ik ben een man van de noordelijke hemisfeer
en wil mij mijn noorden niet laten ontfutselen
wellicht heb ik nog wat van de duiven
huist een gedemodeerd kompas in mijn hoofd
want waar ik ook neerstrijk ga ik in het donker
vastberaden op zoek naar vertrouwde constellaties
fluisteren stemmen van verre voorouders - jagers
reizigers? me dwingend in het oor dat niemand zonder plaatsbepaling echt kan bestaan
altijd willen mijn voeten weten waar ze zich precies
bevinden: gezekerd en geaard ook al dwalen we
met z’n allen stuurloos te midden van ontelbare heelallen
Marc Tritsmans, Het zingen van de wereld, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2017
54 blz
Wat is de situatie van de mens? Waar komen we vandaan, waar gaan we naar toe en waarom? Met de laatste vraag houdt Marc Tritsmans in Het zingen van de wereld , zijn twaalfde bundel, niet bezig. Hij schrijft gedichten over het leven op onze aarde, zoals de titel belooft.
Hoe zijn we op onze woning, de aarde? Hoe gaan we er mee om? Hoe lang al leven we van wat de zon ons brengt? Hoe worden we getroost door de maan en hoe resoneert het draaien van de maan om onze aarde in ons leven? Wat danken we aan lucht en water en wat betekent het licht van alle sterren? Tritsmans is op de hoogte van de natuurkundige stand van zaken in de wetenschap. Hij heeft het over fotonen, over het golf- en deeltjeskarakter dat we geleerd hebben van de quantumfysica.
Eerst dachten we het middelpunt te zijn van het universum, was onze aarde, de planeet waar om alles draaide, wat we leerden van de oude Grieken en wat de moederkerk heel lang volhield. In de 16de eeuw leerden we van Copernicus, Keppler en Galilei dat wij draaien om de zon en vervolgens moesten we begrijpen dat ons zonnestelsel aan de rand van ons melkwegstelsel bewoog en dat we een onbeduidend plekje innamen in de kosmos en dat zelfs dat onbegrijpelijk grote stelsel een vlekje was in een veel groter geheel en uiteindelijk moesten we leren hoe het ons bekende universum slechts een mogelijkheid was in een onvoorstelbaar heelal. Dat ons universum misschien slechts een deel was van oneindig veel aan- en uitflitsende universa.
We dachten dat de mens de kroon was van een door God geschapen wereld, maar we bleken voort te komen uit een reeks van samenklonterende atomen en moleculen en we leerden dat uiteindelijk alles bestond uit onvoorstelbaar kleine trillingen.
Maar wij leven op deze aarde en we maken de wisseling van de seizoenen mee en we zien bomen groeien, hun blad verliezen en we zien ze weer uitbotten. Eerst kunnen we een boom planten en zijn stam met een hand omvatten. Later kunnen we de boom alleen nog maar omarmen en nog later ook dat niet meer.
De taal ‘heeft in haar eentje de mens gemaakt / tot dit reddeloos aan de dood denkend dier / dat zich steeds bewust van het uiteindelijk // zinloze toch maar blijft proberen om hiervoor / nog wat woorden te vinden omdat zelfs even / bestaan beter is dan eeuwig niet bestaan’. Dat is belangrijk: we leven en hoewel we verdwijnen - ja, uiteindelijk met zijn allen - we leven nu.
Zelfs even bestaan is beter dan eeuwig niet bestaan. Waarom is dat zo’n mooie en duizelingwekkende gedachte? Omdat we toch een opdracht hebben? Niet een opdracht van een denkend wezen, maar een opdracht die inherent is aan het leven. Omdat wij leven, moeten wij groeien in bewustzijn, deelnemen aan een zich ontvouwend eeuwig bewustzijn.
Er zijn mensen die niet kunnen geloven in zo’n opdracht. Zij denken dat het leven een zinloze, toevallige affaire is.
Wat denkt de dichter? Kun je dichten zonder zo’n ‘geloof’? Zonder zo’n richting? Is zulk geloof uit de mode geraakt?
ik ben een man van de noordelijke hemisfeer
en wil mij mijn noorden niet laten ontfutselen
wellicht heb ik nog wat van de duiven
huist een gedemodeerd kompas in mijn hoofd
want waar ik ook neerstrijk ga ik in het donker
vastberaden op zoek naar vertrouwde constellaties
fluisteren stemmen van verre voorouders - jagers
reizigers? me dwingend in het oor dat niemand zonder plaatsbepaling echt kan bestaan
altijd willen mijn voeten weten waar ze zich precies
bevinden: gezekerd en geaard ook al dwalen we
met z’n allen stuurloos te midden van ontelbare heelallen
Marc Tritsmans, Het zingen van de wereld, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2017
54 blz
Nachoem Wijnberg, Licht en zwaar
Licht en zwaar
Sinds Henriette Roland Holst hebben we niet vaak zulke lange titels gezien als bij Nachoem Wijnbergs bundel Van groot belang. Ook in zijn jongste bundel Voor jou, van jou vinden we lange titels, maar hier heeft Wijnberg meestal korte titels en hij laat dezelfde titels onbekommerd soms meer dan éen maal terugkomen, bij voorbeeld ‘Avond’, ‘Vogel’, ‘Je dochter’, Zwaar,licht’.
Voor jou, van jou, wat betekent dat? Voor de dichter, van de dichter, maar ook voor de lezer en van de lezer. Bij het laatste moet je denken aan de meelezende, meelevende lezer die het gedicht opnieuw realiseert.
Hoe zwaar is een gedicht? Lijkt zwaar op moeilijk? Hoeveel gewicht geeft een gedicht? Wat is gewicht? Misschien kun je maar één voorbeeld noemen van wat gewicht is. Hoeveel weeg je eigenlijk? Vijfenzeventig kilo of negentig? Als je honderdtwintig kilo weegt, ben je zwaar en dan kun je gemakkelijk iemand omver lopen, iemand ‘die tegen je zegt: je kan niet altijd / zo zwaar zijn.’
Tegen Wijnberg werd vaak gezegd: ‘Schrijf niet zo moeilijk; je bent zo zwaar. Schrijf toch eens wat lichter!’ De dichter hield vol dat zijn taal glashelder was; iedereen zou het moeten kunnen begrijpen. Maar niet de woorden en de woordgroepen zijn moeilijk; het zijn de gedachten die door de woorden zijn aaneengeregen: de sprongen, de weglatingen. Het zijn de vreemde gebeurtenissen die kalm verteld worden, alsof ze gewoon zijn. ‘De eerste keer dat / iemand is als de avond / opgeven.’
De bundel begint zo: ‘Je kan honderden voorbeelden geven / van wat gewicht is, maar je herinnert je / er maar één.’
De ik van het eerste gedicht herinnert zich nog een voorbeeld van gewicht, misschien een licht voorbeeld. Een kind tussen zijn ouders. Ze tillen hem samen op en laten hem schommelen terwijl ze verder lopen. Het lijkt een beeld voor de lezer. Laat je maar optillen.
En dan spreekt de dichter zichzelf toe: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, en niet van anderen wil leren.’
Waar ben je niet goed in? In licht schrijven. Je schrijft vanzelf zwaar en zo word je gewaardeerd, maar je hoopt door veel te schrijven beter te worden in het lichte.
‘Zwaarte’ kan letterlijk worden opgevat. Hoe zwaar ben je? De dichter verbindt ‘gewicht’ met ‘herinnering’ en die heeft ook te maken met ‘liefde’. Hij heeft het over ‘de heer van de herinneringen’. Wie is dat? Ben je dat misschien zelf? De faculteit van het bewustzijn die de herinneringen beheerst en vrij geeft?
Een herinnering is: hoe een meisje wordt gevraagd. Je weet het niet meer. Je vraagt het aan je dochters. Die zullen het misschien weten.
Nu, is dat niet licht?
OF HET MAKKELIJKER IS JE IETS TE HERINNEREN ALS JE EEN GROOT DEEL VAN JE LEVEN MET DEZELFDE GEWEEST BENT OF WANNEER JE JE KAN HELPEN DOOR TE BEDENKEN DAT DAT IN DE TIJD WAS DAT JE MET DIE OF DIE WAS
Je kan terugkrijgen
wat je je niet eens kan herinneren
dat je het weggegeven hebt.
Dat is wanneer je zegt
dat je het verhaal kan vertellen,
maar je weet niet waar te beginnen.
Dat is wanneer je zegt
dat je niet meer weet hoe het vuur te maken
of welke woorden te zeggen
op welke plaats
in het bos.
Je weet niet eens welk bos het was,
maar als je je een bos kan herinneren
kan je het terugkrijgen.
Wat heb je weggegeven?
Niet meer weten hoe het vuur te maken, dat lijkt op teruggaan naar een vorig stadium in de mensheid. Welke woorden moet je zeggen op een bepaalde plaats in het bos?Hoe moet je je verbinden met animistische geesten of later, de goden?
Is DEZELFDE uit de titel misschien een god die zin gaf aan je leven, richting, betekenis. Dat ben je kwijtgeraakt, maar je verlangt er naar. Wanneer heb je het geloof in god weggegeven?
Het volgende gedicht heet VAN WIE BEN JIJ? en het begint zo:
De heer van de zon
laat een huis met blinde muren bouwen
voor de heer van de storm.
hij zit graag in het donker
Een vraag waar filosofen en schrijvers zich al meer dan een eeuw in verdiepen is: welk gewicht kan de mens nog aan zijn leven toekennen als er geen ‘hierboven’ bestaat? Jeroen van Heste vraagt zich dit af in zijn studie Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur: ‘Hoe kunnen we weten wat te doen als er geen transcendente God is die een oordeel kan uitspreken en een fundering van ons leven daardoor ontbreekt?’
Nachoem Wijnberg lijkt in zijn poëzie ook te onderzoeken wat ‘de ondraaglijke lichtheid van het menselijk ik’ betekent, de ongrijpbaarheid van onze identiteit. Hij doet dat met grote volharding en toenemende urgentie en hij dwingt zijn lezer met hem mee te denken. Het fascinerende is de kalme chaos, het meegesleept worden in de vraag wie je bent, waar en waarom? Zo is duidelijk dat het om veel meer gaat dan esthetiek. Hij en wij zijn op zoek naar de oude trits schoonheid, goedheid en waarheid in een wereld zonder fundament.
De letters van de titel op het voorplat lijken spinsels, zo licht in het rood van de kaft. Zo licht, maar ook zo sterk. Ronald Triebels ontwierp het omslag. Ik vraag me af hoe sturend de dichter hierbij is geweest.
Nachoem M. Wijnberg, Voor jou, van jou, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017.
97 pp.
Sinds Henriette Roland Holst hebben we niet vaak zulke lange titels gezien als bij Nachoem Wijnbergs bundel Van groot belang. Ook in zijn jongste bundel Voor jou, van jou vinden we lange titels, maar hier heeft Wijnberg meestal korte titels en hij laat dezelfde titels onbekommerd soms meer dan éen maal terugkomen, bij voorbeeld ‘Avond’, ‘Vogel’, ‘Je dochter’, Zwaar,licht’.
Voor jou, van jou, wat betekent dat? Voor de dichter, van de dichter, maar ook voor de lezer en van de lezer. Bij het laatste moet je denken aan de meelezende, meelevende lezer die het gedicht opnieuw realiseert.
Hoe zwaar is een gedicht? Lijkt zwaar op moeilijk? Hoeveel gewicht geeft een gedicht? Wat is gewicht? Misschien kun je maar één voorbeeld noemen van wat gewicht is. Hoeveel weeg je eigenlijk? Vijfenzeventig kilo of negentig? Als je honderdtwintig kilo weegt, ben je zwaar en dan kun je gemakkelijk iemand omver lopen, iemand ‘die tegen je zegt: je kan niet altijd / zo zwaar zijn.’
Tegen Wijnberg werd vaak gezegd: ‘Schrijf niet zo moeilijk; je bent zo zwaar. Schrijf toch eens wat lichter!’ De dichter hield vol dat zijn taal glashelder was; iedereen zou het moeten kunnen begrijpen. Maar niet de woorden en de woordgroepen zijn moeilijk; het zijn de gedachten die door de woorden zijn aaneengeregen: de sprongen, de weglatingen. Het zijn de vreemde gebeurtenissen die kalm verteld worden, alsof ze gewoon zijn. ‘De eerste keer dat / iemand is als de avond / opgeven.’
De bundel begint zo: ‘Je kan honderden voorbeelden geven / van wat gewicht is, maar je herinnert je / er maar één.’
De ik van het eerste gedicht herinnert zich nog een voorbeeld van gewicht, misschien een licht voorbeeld. Een kind tussen zijn ouders. Ze tillen hem samen op en laten hem schommelen terwijl ze verder lopen. Het lijkt een beeld voor de lezer. Laat je maar optillen.
En dan spreekt de dichter zichzelf toe: ‘Je maakt het lichte zwaar, / omdat je er niet goed in bent, en niet van anderen wil leren.’
Waar ben je niet goed in? In licht schrijven. Je schrijft vanzelf zwaar en zo word je gewaardeerd, maar je hoopt door veel te schrijven beter te worden in het lichte.
‘Zwaarte’ kan letterlijk worden opgevat. Hoe zwaar ben je? De dichter verbindt ‘gewicht’ met ‘herinnering’ en die heeft ook te maken met ‘liefde’. Hij heeft het over ‘de heer van de herinneringen’. Wie is dat? Ben je dat misschien zelf? De faculteit van het bewustzijn die de herinneringen beheerst en vrij geeft?
Een herinnering is: hoe een meisje wordt gevraagd. Je weet het niet meer. Je vraagt het aan je dochters. Die zullen het misschien weten.
Nu, is dat niet licht?
OF HET MAKKELIJKER IS JE IETS TE HERINNEREN ALS JE EEN GROOT DEEL VAN JE LEVEN MET DEZELFDE GEWEEST BENT OF WANNEER JE JE KAN HELPEN DOOR TE BEDENKEN DAT DAT IN DE TIJD WAS DAT JE MET DIE OF DIE WAS
Je kan terugkrijgen
wat je je niet eens kan herinneren
dat je het weggegeven hebt.
Dat is wanneer je zegt
dat je het verhaal kan vertellen,
maar je weet niet waar te beginnen.
Dat is wanneer je zegt
dat je niet meer weet hoe het vuur te maken
of welke woorden te zeggen
op welke plaats
in het bos.
Je weet niet eens welk bos het was,
maar als je je een bos kan herinneren
kan je het terugkrijgen.
Wat heb je weggegeven?
Niet meer weten hoe het vuur te maken, dat lijkt op teruggaan naar een vorig stadium in de mensheid. Welke woorden moet je zeggen op een bepaalde plaats in het bos?Hoe moet je je verbinden met animistische geesten of later, de goden?
Is DEZELFDE uit de titel misschien een god die zin gaf aan je leven, richting, betekenis. Dat ben je kwijtgeraakt, maar je verlangt er naar. Wanneer heb je het geloof in god weggegeven?
Het volgende gedicht heet VAN WIE BEN JIJ? en het begint zo:
De heer van de zon
laat een huis met blinde muren bouwen
voor de heer van de storm.
hij zit graag in het donker
Een vraag waar filosofen en schrijvers zich al meer dan een eeuw in verdiepen is: welk gewicht kan de mens nog aan zijn leven toekennen als er geen ‘hierboven’ bestaat? Jeroen van Heste vraagt zich dit af in zijn studie Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur: ‘Hoe kunnen we weten wat te doen als er geen transcendente God is die een oordeel kan uitspreken en een fundering van ons leven daardoor ontbreekt?’
Nachoem Wijnberg lijkt in zijn poëzie ook te onderzoeken wat ‘de ondraaglijke lichtheid van het menselijk ik’ betekent, de ongrijpbaarheid van onze identiteit. Hij doet dat met grote volharding en toenemende urgentie en hij dwingt zijn lezer met hem mee te denken. Het fascinerende is de kalme chaos, het meegesleept worden in de vraag wie je bent, waar en waarom? Zo is duidelijk dat het om veel meer gaat dan esthetiek. Hij en wij zijn op zoek naar de oude trits schoonheid, goedheid en waarheid in een wereld zonder fundament.
De letters van de titel op het voorplat lijken spinsels, zo licht in het rood van de kaft. Zo licht, maar ook zo sterk. Ronald Triebels ontwierp het omslag. Ik vraag me af hoe sturend de dichter hierbij is geweest.
Nachoem M. Wijnberg, Voor jou, van jou, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2017.
97 pp.
Abonneren op:
Posts (Atom)
