donderdag 22 april 2010

Herinneringen aan FtHvdB

Op 28 juni 1957 schreef Fritzi ten Harmsen van der Beek – ze werd dertig -: ‘Nu is het wachten op de avond indigo, / teleurgesteld en bijna teder. Desperaat’. De haar resterende 52 jaar waren niet erg vrolijk. Op zaterdag 4 april 2010 overleed Fritzi in Groningen, in het verzorgingstehuis, waar ze sinds twee jaar was opgenomen. Frederike Martine, geboren in 1927. Haar zoon Gilles was al in 2006 overleden.
Gilles werd meermalen genoemd in de bundel 'Kus of ik schrijf', in opdrachten met name, maar het eerste gedicht gaat over zijn geboorte en in andere gedichten kunnen we zijn helaas treurige levensloop met verslavingen volgen, ondanks de gunstige voortekenen in Lyon : 'Ach lieveling, toen in / dus jouw tijd, gloeiden die lichtjes, drie dag lang. // Het leek me een goed teken. Op de tekenen moet je / letten, leer ze lezen of begrijpen, want dan zal je weten // wat ons nog te wachten staat. (...)// Hoe blij ik niet was op 3 december, om // dat ik je moeder was, van toen af an: Altijd'.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is een dogma van de Katholieke Kerk dat op 8 december met een hoogfeest gevierd wordt. In Lyon branden dan drie dagen de kaarsen achter de ramen. Ook na de geboorte van Gilles. Volgens het gedicht hebben de lichtjes te maken met de herinnering aan de bemoeienissen van de Maagd met de pest in Lyon.
Frederike was getrouwd met de adellijke Eric de Mareschal le Font St. Margeron de la Fontaine. Het huwelijk was geen succes. Dat is waarschijnlijk te lezen in 'Bij het weerzien zei de impertinente prinses:', een zeer vilein relaas over de verhouding tussen twee gelieven en een superieur vrouwelijke depreciatie van het mannelijk geslachtsorgaan: 'en voel ontzet met / / fijnste handschoenlederen hand naar de hou- / vast aan je beminde buik: Ai decoratie?! // En zwel maar op, welk of vervel, verval en / ik hoop flauwtjes liever, - o liever nu geen // toespraken of bloemen'.

Fritzi ten Harmsen van der Beek was de dochter van twee tekenaars van kinderboeken. Haar vader had veel succes met het maken van een strip voor Flipje, het fruitbaasje van Tiel. Zij kreeg een prinsesselijke, vrije opvoeding en werd met haar broer door haar vader achtergelaten met een aanzienlijke erfenis, die door beide kinderen in een onwaarschijnlijke haast werd verbrast. Hierover kunnen we lezen in het verslag van Annejet van der Zijl, 'Jagtlust'.

In een gedicht uit 'Kus of ik schrijf', zit de dichteres in de trein met een vrouw die haar zoon in het ziekenhuis gaat bezoeken; het is een droevig verhaal. Ze heeft geen geld om iets voor hem te kopen, maar 'Toen dacht ik, in de tuin van notaris / groeien frambozen heel voor niks, geen / mens die ze ooit komt plukken, dus toen / ben ik er heengegaan op me fiets. // Ach wat is het nu 's morgens al vroeg helder, ik / moest op voor dag en dauw, met me elastieke kousen / aan, voor m'n aderen, weet u; een dikke das, tegen / ochtendkou: uit stelen. En dat voor een oude vrouw!'
De dichteres vertelt maar niet dat zij ook op reis is naar haar zoon en waar deze is. In een ander gedicht schrijft ze over het gevangenisbezoek.

In 1965 kocht ik het zojuist verschenen 'Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten' en dagenlang liep ik met de bundel rond en overviel kennissen en vrienden met citaten en als ze even wilden luisteren of lezen, met complete gedichten. Toen heb ik met verbazing geleerd dat niet alle Nederlands studerenden een vanzelfsprekende affiniteit tot poëzie bezitten. In de bibliotheek van het Nederlands Instituut in de Boteringestraat, las ik Lucia bijvoorbeeld de zo beroemd geworden 'vertroosting aan mijn neerslachtige poes' voor. Lucia luisterde geamuseerd toe en vroeg na 'de hemelsblauwe hortensia': 'Gôh, hou jij zo veel van gedichten?' 'Natuurlijk' zei ik toen nog verbaasd. Mijn vrouw begreep het gelukkig beter. Een vaste uitdrukking in huis werd 'Goedemorgen hemelse mevrouw Ping, is u de zachte nacht bevallen en hebben de geheimzinnige planten naar behoren gegeurd?' De verschillende poesen werden aangesproken als 'halmstaartige voortreffelijke' of 'radarbesnorde', 'dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin'. Ik nodigde haar uit om te komen lezen in Warffum op een avond van de faculteitsvereniging ‘Parnassus aan de AA’.

De kritiek bleek overrompeld door de oorspronkelijke versvorm, de onverwachte enjambementen, de gedurfde woordkeuze, de bizarre zinsconstructies, het steeds weerkerend stafrijm, de eigenzinnige beeldspraak en de ongebruikelijke samentrekkingen. De term 'barok' viel. De recensenten waagden zich niet aan het bespreken van haar ideeënwereld, maar wel meenden zij te kunnen vaststellen dat de dichteres de epitheta ironisch en relativerend verdiende.

Ik bestudeerde uitvoerig haar foto op de achterkant van de bundel: een vrouw die wel wat weg had van Mies Bouwman, maar treuriger lijkt, intelligenter en minder aangepast. Haar ogen zijn wijd open: zij kijkt graag en nauwlettend. Hoewel er lichtjes blinken aan de bovenkanten van de pupillen is het verdriet van haar opgetrokken mondhoeken zachtjes naar beneden gekropen, langs de diepe lijnen naar haar neus. Het heeft gerust op de rimpeltjes onder haar oogleden en is toen door de pupillen naar binnen gesprongen. Daardoor draagt het hele gezicht de sporen van een existentiële treurigheid. De mond is tegelijk weerloos en weerbaar. De spottende mondhoek beschermt haar tegen vaderlijk medelijden en begrip. Waar het open overhemd en het zwarte, tamelijk lange en slordige haar op nonconformisme wijst, blijkt tevens haar vrouwelijke aandacht voor zachte kleding (lady-roy heette de stof).
In de eerste gedichten van de bundel, 'Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzicht is zoekgeraakt' wordt het verdriet uitgesproken: 'Wat een ding ben ik in goed of kwaad? / In oorsprong omhoog gevallen maar groeiend lager / en ondermaanser steeds zich vermoeiend en kwijtend / van stoeten ritseldingen...'. en 'Tederheidshalve / onverteerbaar is wat vervuld voortdurend lediger en / bevredigd alleen allener en alleen vredelozer maakt, nu: / Hoe een ding en ben ik zo zoekgeraakt?'
Liefde brengt geen uitkomst; zij blijft een eenzaam avontuur.

In 1976 zag ik hoe Fritzi uit vriendschap een tentoonstelling opende, maar het eigenlijk niet wilde. Ze zag er uit als een stervende mus. Ik schreef haar een brief waarin ik vertelde over al onze poesen, die op allerlei manieren jammerlijk omkwamen.

Na de brief durfde ik haar op te zoeken. Het dorp was en is nog klein: een molen, een school, kleine huisjes, een inmiddels beroemd café-restaurant aan het water. Fritzi woonde achter het schoolplein, midden in een oud straatje waar geen auto kan komen. Er was geen bel. Ik klopte dus maar en opende na enige tijd de deur. Ik hoorde haar stem tegen de hond en daar kwam ze aanlopen, de adellijke grote hond achter haar aan. Ze zag er beter uit dan ik had verwacht, wel slordig, maar vooral jonger dan bij de opening van de tentoonstelling. Het musje leek hersteld. Fritzi verbaasd, afwachtend. Ik stelde me voor, hopend dat ze mijn naam zou herkennen, maar nee.
'Kom even in de gang, anders loopt de hond weg.'
Toen zei ik iets dat een verkilling veroorzaakte. 'Ik wou iets vragen over uw gedichten.' Ik vervolgde snel: ' Misschien wil je eh wilt u uit uw werk voorlezen?'
'O jé, nou, ja, zeg maar je, daar heb ik eigenlijk niet zo veel zin in, maar kom even verder.'
Ze aarzelde nog steeds of ze me binnen kon laten. Wie weet wat ik voor poëzie-zeikerd of -plakkerd was. Terwijl we het keukentje binnenliepen, zei ik: 'Ik heb u een paar weken geleden een brief geschreven.'
Verrast draaide ze zich om. 'Bedoel je die brief over de poesen?'
'Ja', zei ik, ook verrast. Fritzi straalde: 'Dat vond ik zo'n enige brief, o ja, over... hoe is het nou met nummer 13?' Ik antwoordde dat hij beschermd wordt opgevoed.
'Ja, weet je, ik krijg wel vaker brieven en meestal vind ik dat vervelend, maar deze, nee, enig. Dus jij bent.. Hoe heette die plaats toch waar ik toen was? Warffum ja.'
Volgde een nogal stormachtig ophalen van herinneringen. Fritzi bleek zich vrij veel te herinneren van haar optreden tien jaar terug. 'Ja, we zaten in de restauratie van het station iets te drinken. Ik was zo zenuwachtig. Ach God, hoe is het toch met die jongen met die ene arm? O, ik vond het zó knap, ik had nog nooit iemand met één arm gezien en hij deed alles zo keurig en hij chauffeerde zo handig. Veel later heb ik ook iemand ontmoet en die kon heel goed pianospelen met zijn linkerarm, eh hand en toen moest ik meteen aan die jongen denken die me naar Warffum bracht. Hoe zou het daar toch mee zijn? En jij, je bent wel veranderd zeg, veel ouder. Nou ja, ik ben natuurlijk ook... Nee, ik zou je niet herkennen, maar die brief. Ik zei tegen R., mijn huisgenoot, zou dat nou dezelfde jongen zijn?' Plotseling zei ze: 'Ik heb nog een gedicht van jou.' Ik verbaasd. 'Ja, jij hebt een gedicht gemaakt bij dat optreden, om me in te leiden of zoiets, op die mevrouw Ping.' Ik wist het niet meer.
'Ik heb het bewaard', zei ze een beetje verlegen. 'Ik heb een rood mapje met een paar herinneringen en daar zit het in. Ik heb dat mapje nog gezocht, maar in de storm van de laatste weken...' Volgde een uitleg van de storm, chaotisch en toch duidelijk. Kort gezegd: Gilles, haar zoontje, zoals ze hem konsekwent noemt, moest gered. Ze is het type moeder dat haar kind uit de hel zou halen. Zie 'De geschiedenis van in de trein'. Als alle mensen Gilles hebben opgegeven, gelooft zij nog heilig in hem. Die band tussen moeder en kind is zeer irrationeel.

‘Maar moeders zonen, moeten, móéten gelukkig
zijn. En wel: van álle moeders álle zonen,
ja, coute que coute, zoals me al zei, in
een gedicht dat ik nog becommentarieerd, u
retourneren, monsieur, sire de qui? nu ja, in
elk geval weer-omstuur zal.’

Hij was verslaafd aan heroïne, net als zijn vriendin, die er nog bij dronk. Hele onverkwikkelijke toestanden, rotsooi enz. Over die vriendin geen goed woord. 'Wat heb ik daar toch mee te maken?' Gilles en vriendin waren aan het afkicken. De dokter hielp haar ook. Ze was drie maanden nuchter en dat was verdomd erg hoor, al die schuldgevoelens over wat je niet met je leven hebt gedaan en die dokter, Stienstra, een tandarts eigenlijk.. Ken je die ook? Uit Aduarderzijl?' Ja zeker, van de Hamsterkring, die maandelijks een culturele avond organiseert, onder leiding van dokter Jansma. Fritzi moest gisteravond uit eigen werk voordragen. 'Weet je' zeg ik, 'dat al in 1965 gedichten van jou daar geklonken hebben? De bundel 'Geachte Muizenpoot' was nog maar net uit.' 'Ach...' Stienstra vertelde daar hilarische verhalen uit zijn praktijk. 'Er was daar ook een zekere Donald. Ik weet zijn achternaam niet meer, iets uit Duitsland, een plaatsje of zo.' 'Elzas.' 'Hij woonde bij een melancholieke gasfitter, die rechten had gestudeerd, maar die liever werkte met zijn handen en zijn klanten hun eigen uurloon berekende.' 'Daar was ook Bart, die zich heel theatraal ophing op het toneel van de schouwburg in Groningen. Stel je de toneelmeester voor die hem vond, de volgende ochtend.'
'Hier in de straat' zegt Fritzi, 'kwam een meisje op me afrennen, in paniek. Ze wist niet meer welke deur ze moest hebben. Haar vriendin lag in het water, door het ijs gezakt. Ze waren aan het zoeken. Ik stopte het kletsnatte, huilende kind bij buren in een heet bad. Pas na acht dagen werd het vriendinnetje onder het ijs gevonden door dezelfde jongen die het rennende meisje wel uit het water kon vissen. Er is pas nog iemand in de straat gestorven. Er gebeuren allemaal nare dingen in het dorp en het zijn zulke aardige mensen hier, heel veel aardige mensen. Trouwens, er wonen in Groningen heel veel aardige mensen. Te gek gewoon. Maar wat kwam je nou doen hier? Optreden? Nee. Je moet Guépin maar vragen. Ik zal hem bellen, ik moest hem toch al een keer bellen.' Ze belt en begint een chaotisch gesprek over Madeira, geeft de telefoon dan aan mij. De hooggeleerde heer weigerde vriendelijk naar Groningen te komen. (Pas later ging hij er doceren aan de universiteit.) Fritzi zegt: 'Waarom ga je zelf niet voorlezen?' Maar nee, de organisatie wil een bekende naam. We overwegen nog Hendrik de Vries, Gerrit Krol, Vasalis. We drinken thee en haar huisgenoot komt binnen. Hij is nogal jong en bekijkt me wantrouwend, maar ontdooit als hij hoort dat ik de poesenbriefschrijver ben. We praten in de zitkamer, waar een adellijke ligbank staat, een piano en langs de wanden en in de vensterbanken een chaotische verzameling van onwaarschijnlijke frutsels en kunstvoorwerpen. Fritzi heeft het over afkicken en zegt dat je merkt dat je niet meer serieus wordt genomen, je verliest je identiteit. Er wordt over je gesproken, als 'hoe is het nou met 'r?'. De huisgenoot zegt dat het moeilijk is om het respect te heroveren. 'Je weet hoe het gaat met jezelf, als iemand je een keer teleurgesteld heeft, tenminste bij mij gaat het zo hoor, dan duurt het lang voor ik niet meer denk: o ja, jij hebt toen dit of dat. Je weet hoe het ging met Gilles. Jij was toen steeds met die sherry bezig en toen had Gilles wel even het vertrouwen verloren.' Ik zie Fritzi verstrakken. Zij lijkt zich letterlijk terug te trekken. Dan zegt ze: 'Ik geloof niet dat Gilles mij ooit niet meer vertrouwde, ik kan me niet voorstellen... Tussen Gilles en mij...'
Als ik wegga zegt Fritzi dat ze wel eens langs wil komen op de fiets, dat ik nog eens moet komen. Ze kijkt en zegt: 'Ik had je niet herkend.'

Toen ik de volgende keer op bezoek was, zag het er allemaal vrolijker uit. Er waren nog meer fantastische kunstwerken, gemaakt van veren en schelpen en stukjes glas. Haar gesprekken waren overdonderend vrolijk en ze sprak zoals ze gedichten schrijft, duizelingwekkend van grammaticale eigenzinnigheden, prachtige vergelijkingen. Ze vertelde bijna struikelend van enthousiasme een verhaal dat me sterk deed denken aan het hilarische 'Op de wiede, zonder passion, wel met Matthias, zonder hond' over schapen die op hun rug liggen en gered moeten worden. Hij vindt het hek en ik ‘ het stomme schaap en kantel om, waarop het // immer sprakeloosverdween weer, in de drom de droom / van andere schapen. O herder Jesu, wáárom bent / U niet alom en moeten M. en ik uw vuile werk / opknappen, indien schaap, U zou het mij niet / moeten lappen: is onze herder er nu niet of wèl’.

De laatste keer was zes jaar geleden. Ze wilde niemand meer ontvangen, was boos dat ik zo maar aanbelde, herkende me na enige tijd, verontschuldigde zich, maar nee, ze had andere dingen aan haar hoofd. Ik realiseerde me dat ik haar nooit meer zou zien. En dat speet me.

Fritzi ten Harmsen van der Beek wilde volgens Annie van den Oever in haar proefschrift over het groteske en Fritzi haar werk zien als ‘onzin’, als werk dat niet per se gezien en niet begrepen hoefde te worden, maar dat daarentegen in het verborgene zou mogen blijven, zoals de versieringen die op onzichtbare plekken zijn aangebracht in kathedralen.
Er is niet alleen de weerzin naar voren, naar buiten te treden, er is ook de overtuiging dat met het blootgeven, prijsgeven aan de buitenwereld iets wordt ontraadseld, ‘tot oplossing wordt bedorven'. Denk aan Astrid Lampe. Wie leest interpreteert en beperkt daarmee de betekenis. Deze moet dubbelzinnig blijven, raadselachtig. Het ‘ik’ is in wezen onbekend en moet dat blijven, kan alleen even in de liefde begrepen worden. Het synthetiserend lezen van een tekst reduceert de tekst tot een betekenis en doet te weinig recht aan allerlei kwaliteiten van de vorm. Alleen in de taal van het gedicht blijven de geheime, lokkende krachten werkzaam.
Volgens FtH zoeken mensen altijd overal iets achter: ‘Ja, ze zitten altijd te denken, hè, het houdt niet op, en maar denken(…) Niet eens gewoon wat lezen, nee, denken (…) Interpreteren.’

==

donderdag 1 april 2010

Interview met Thomas Möhlmann

Beheerste emotie

Thomas Möhlmann (Baarn,1975) studeerde moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, organiseerde programma’s in literair theater Perdu en was medeoprichter van poëzietijdschrift Zanzibar. Hij is dichter, beleidsmedewerker poëzie van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds en redacteur van literatuursite www.literairnederland.nl, poëzieprogrammareeks Vadem en poëzietijdschrift Awater. Zijn debuutbundel De vloeibare jongen verscheen in september 2005 bij Uitgeverij Prometheus (tweede druk in januari 2006) en werd in 2006 genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut. Tot veler verbazing ging de prijs naar de dichter van zwart-romantische poëzie, Willem Thies.

Mag ik met de deur in huis vallen?

Doen!

Ik heb me verbaasd over sommige critici die zeggen dat dit onderkoelde poëzie is, zonder veel emotie. Zien ze dan niet hoe heftig zij in wezen is? De beheersing maakt het jou mogelijk dit op te schrijven zonder te vervallen in sentimentaliteit.

Ik ben daar heel erg mee eens en ik was ook blij met wat Erik Jan Harmens vorige week in De Groene Amsterdammer schreef over de bundel. Hij probeerde als een van de weinigen een totaalinterpretatie te geven en bovendien op de emotie gericht. Dat vond ik sterk van hem. Het is wel indirecte poëzie, in die zin dat ik voor een vorm kies waarin bijna alles gefictionaliseerd is. Bijna alles speelt via personages en gedeeltes van verhalen. Het woord ik, vanuit de dichter gesproken, komt eigenlijk niet voor in de bundel. Dat geeft het geheel een indirecte vorm, waar ik van houd, ook al om het niet af te laten glijden naar larmoyante bekentenissen. Natuurlijk vertegenwoordigen de personages mijn eigen preoccupaties en dat wat me emotioneel bezighoudt.

We zullen het niet hebben over je privéleven. De vloeibare jongen zit niet tegenover me, maar is verscholen in de tekst van de bundel. Er zijn overeenkomsten tussen die jongen en de dichter, maar de lezer hoeft niet te zoeken naar een biografie.
Sommige stukken op internet letten te veel op de persoon van de schrijver.
Je zegt dat we in een voor de poëzie gunstige tijd leven, met voldoende interessante dichters, maar in de teksten op internet vond ik reacties die meer ingegeven zijn door een hysterische literatuurbeschouwing, passend bij de tijdgeest. Het moet groot en wild en heftig.

Het is jammer van veel dingen op internet dat de mogelijkheden die er zijn, van discussie en informatie verstikt raken onder een struikgewas van roddel en ijdelheid. Er zitten te veel zure en bittere commentaren tussen. Ik zou het heel goed vinden als er nu eens een volwassen, poëziegerichte site kwam. Maar er zijn gelukkig ook goede sites.

De recensent?

Ja, Edwin Fagel. Maar in het algemeen ben ik wel blij met wat er over mijn bundel is geschreven. Allerlei recensenten, in kranten en tijdschriften hebben op hun eigen manier gereageerd en ieder belicht de bundel weer op een andere wijze. Ieder komt tot eigen karakteriseringen; er zijn weinig meningen waarvan ik me niet kan voorstellen, gegeven de ingenomen standpunten, dat de schrijvers daar op uitkomen. Het heeft me verbaasd dat de ambachtelijke onderlegdheid zo benadrukt werd. Die beschouw ik zelf als een basis; dat is het minste wat je mag verwachten van een beetje dichter. Wat me zelf veel meer bezighoudt zijn de beelden en de verhaallijnen en natuurlijk de onderliggende verhalen.
Als je ziet wat de critici in de hun toegemeten ruimte nog allemaal naar boven halen, mag ik niet mopperen. Bij Rob Schouten en nu onlangs bij Erik Jan Harmens zag je emotie- of ideematige reacties. Dat was heel spannend: hoe ze soms dingen heel scherp zien, hoe je als dichter verrast wordt of juist bevestigd in je ideeën.
Bij Piet Gerbrandy was ik blij dat hij me samen met Peggy Verzett besprak, want als je het mij vraagt zijn in 2005 een viertal goede bundels uitgekomen, van Willem Jan Anker, Peggy Verzett, Els Moors en van mij.

Het gaat in deze bundel om verdriet en woede over vergankelijkheid?

Mmmm, ja, niet alleen. Het gaat vooral over pijn. Ook wel gerelateerd aan vergankelijkheid, maar dat is nou net een begrip dat ik zo omzichtig wil benaderen dat het bijna niet meer als vergankelijkheid te benoemen is. Het sijpelt, om maar weer eens een watermetafoor te gebruiken, door alles heen omdat het dat nu eenmaal ook werkelijk doet, in ieders bewustzijn, in elk universum, dus ook in de bundel.

En beheerste woede?

Ja, ik vind beheerste woede veel oprechter en schrijnender dan geschreeuw, bij mensen en ook in taal. Wat ik niet wil is dat mijn eigen werk getorpedeerd wordt door het larmoyant te maken, zodat het onder zichzelf bezwijkt. Beheersing is belangrijk. Iets dat schrijnt is naar mijn smaak indrukwekkender dan iets dat schreeuwt.

Een ander element dat ik ergens tegenkwam in een beschrijving is: verwondering over wat mogelijk is en eerbied voor wat bestaat.

Ja, dat klopt wel. Pijn zit heel erg in dingen die mis gaan, die voorbijgaan, maar daarin zit tegelijkertijd ook veel schoonheid. Een soort troost bij dat alles voorbij gaat en dat je daar een houding in moet zien te vinden, is dat de werkelijkheid zich wel laat uitklappen continu, dat er veel meer is, dan op het eerste gezicht lijkt. Het gaat om het zoeken naar een verhouding tot de omgeving, een houding binnen je eigen huid, waarbij je zowel het treurige van vergankelijkheid als het ervaren van pijn, als het proberen uit te vinden hoezeer de werkelijkheid uit te rekken valt, een hele belangrijke rol speelt.

Je zegt ergens: met poëzie probeer ik de rekbaarheid van de werkelijkheid te onderzoeken. Wil je daar nog iets over zeggen?

In de poëzie wemelt het van beelden en personages die niet geheel eenduidig of betrouwbaar één beeld vertegenwoordigen, of dat nu aan de waarnemer ligt of aan de eigen verschijning. Ze zijn niet diffuus, ze zijn niet van niks gemaakt, maar ze zijn ook niet volstrekt strak in te kaderen tot één persoon, één identiteit. Ze zijn enigszins plooibaar, zoals wat mij betreft de hele werkelijkheid dat is en om die plooibaarheid betrouwbaar in kaart te brengen, moet je proberen zo zorgvuldig mogelijk waar te nemen, terwijl die plooibaarheid of die rek er nog steeds is. Dat is de sfeer waarin ik schrijf en die voor mij voor een deel ook voor onze werkelijkheid geldt. Het is moeilijk om dit uit te leggen, zonder dat het heel plat klinkt, want het is in principe een heel duidelijk idee: er is meer werkelijkheid om ons heen dan die we direct ervaren. Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt, vanuit de vooronderstelling dat het zich daar ook daadwerkelijk bevindt.

Dat verbindt je met Tsead Bruinja en Jan Baeke.

Absoluut ja. Tsead doet dat veel wilder en met meer vaart, waar ik het gestileerder en trager probeer te doen, maar er is zeker een overeenkomst tussen wat hij en ik proberen te doen.

Die werkelijkheid wordt beschreven in de bundel. Die is op het eerste gezicht alledaags, maar verontrustend. Dat vindt de lezer al in het eerste gedicht ‘Goed beginnen’

Neem hoe haar woorden glanzen
neem hoe haar mondhoeken
krullen, hoe zacht het achter
haar tanden moet zijn, neem

elke lieve lach in acht
sla geen oogopslag over
en vergeet geen moment
waarop ze spreekt of zwijgt

neem de tijd die nodig is
haar te bekijken, te buigen
in alle rust, neem ook die

in een zak, in één beweging
en wat stenen nog om boven-
drijven te voorkomen.

Het is gruwelijk wat er gebeurt aan het slot. Je zou dit gedicht kunnen lezen als een beeld van een vrouw, in een erotische situatie, maar dan staat er in het eerste terzet ‘te buigen / in alle rust’ en later wordt het geheel verzopen en het mag ook niet meer boven komen. Je kunt het ook lezen, aan het begin van de bundel, als een poëticaal gedicht, als een advies aan de lezer: lezer, je moet goed beginnen, of, ik als dichter moet goed beginnen, ik wil je iets uitleggen. Neem deze gedichten als geliefden, maar buig ze ook in alle rust en stop ze dan weg om bovendrijven te voorkomen. In de laatste interpretatie is dat lastig, want je zou toch willen als dichter, dat ze bleven bovendrijven?

Het is inderdaad als poëticaal gedicht te lezen, juist als eerste gedicht, dat is niet voor niks. Maar eerder als advies. Het is zowel een beschrijving van mijn werkelijkheidsbetrachting als een advies aan de lezer om het ook zo te bekijken en daarin speelt aan de ene kant de opbouw van het gedicht zelf een rol, namelijk zo, dat je bijna op een kitscherige manier bedrogen wordt. Je stapt er teder en lieflijk in, maar dan kom je bij het slot. Vanaf de chute gaat het mis. Het is een waarschuwing dus. Tegelijkertijd gaat het me er wel degelijk om de lezer op het hart te drukken: zo is de wereld. Je kunt haar teder benaderen, maar realiseer je dat het uiteindelijk gewoon kapot moet. Want ja, dat is nu eenmaal zo.

Wat in dit gedicht opvalt is de professionele vaardigheid: kijk maar naar de klankopbouw. De zachte à aan het begin en de ee en ij aan het slot. De ij begint al aan het slot van het tweede kwatrijn, net voor de volta.
Heb je dat heel bewust gedaan, die assonantie?

Ja, juist hierbij. Ook de sonnetvorm. Het is allemaal bedoeld om vanuit het eerste gedicht de lezer bewust te maken van het gevaar van de eerste indruk. Het gaat bijna over de top wat dit soort trucjes betreft.

Het laatste gedicht heet ‘Wat er nog is’.


De sterren waartussen jij zonder plan
een plaats nam, de lucht

die zich zonder aandacht
om het land, het veld
de stad sluit

de grond waarop de bomen
zonder bekommeren
hun plaats hebben gevonden

het water dat onverschillig twee
eenden draagt naar waar

een man de laatste kruimels
uit het plastic schudt.

Daar heb je ‘De sterren waartussen jij zonder plan’. Dat doet denken aan het beroemde gedicht van Huygens (‘Sterre’): hij zet zijn gestorven geliefde in de hemel. ‘Ik verlang in het eeuwig licht te zien zweven / Mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn God, mijn Sterre en mij.’
Het gaat hier over de dood van iemand.

Het is een parallel gedicht met het eerste, vanwege de plek. Ze zijn destijds geplaatst in het poëticanummer van Kraketau.
Dit gebeurt alle twee aan de waterkant, misschien wel een uur achter elkaar en misschien maar een meter van elkaar. Zulke verschillende dingen kunnen gebeuren op bijna dezelfde plek. Ik vond het belangrijk te beginnen met het een en te eindigen met het andere.
Dit is het oudste gedicht dat er in staat en het was geschreven naar aanleiding van de zelfmoord van een medestudente. Het gedicht is los komen te staan van die aanleiding.

Waar het in wezen om gaat is dat we in een wereld leven, waarin geliefde of bekende personen sterven, als jonge katjes in een zak! En waar je woedend over kan worden is de totale onverschilligheid van de omgeving, hier het water. In de hele bundel is die verdrinking prominent aanwezig.

Ja, klopt.

We kunnen ons niet neerleggen bij het feit dat zo iemand zo maar weg is.

We zullen dat hoe dan ook wel moeten doen. We zullen er een vorm voor moeten vinden en dat kun je doen door iets aan jezelf te veranderen of door iets aan je omgeving te veranderen en daar gaat het steeds om in de bundel. Hoe je je eigen identiteit afstemt op de realiteit en hoe je de realiteit probeert af te stemmen op jouw aanwezigheid. Dat is wat de vloeibare jongen steeds doet.
Dat is de kern. En daarbij komen pijn en verwondering steeds om de hoek.

Proteus, de zoon van Poseidon, herder van de zeeleeuwen, die zich niet laat vangen, aanzegger van onheil, die ontsnapt door steeds van gedaante te veranderen!

Nee, Hermes, mijn lievelingsgod. Ik hou heel veel van de Griekse mythologie. Het lijkt platgetreden, maar daar is voor mij nog zoveel te halen! En toch zie je daar in de bundel eigenlijk niets van. Het is af en toe een beetje verstopt, maar je wordt er niet mee dood gegooid. Het zou je niet eens kunnen opvallen, maar het voedt wel veel van wat er staat.
Rob Schouten had het over Ovidius’ Metamorphosen; dat vond ik leuk. Ik verstop het. In de vorm zijn er dingen, maar men ziet dat niet zo gauw. Het derde gedicht van de titelreeks is een dialoog, een acrostichon: daar vind je Hermes en Athene. Heel oude vormen kunnen zo maar weer functioneel worden. In dit gedicht zie je dat het een door de een en het andere door de ander gesproken wordt.

Broertje en zusje! Hermes is ook. psychopompos: hij brengt de zielen naar Charon en blijft alleen achter.
Dat is de situatie waarin wij staan als wij onze naasten verliezen.

Als we verlies ervaren, hoe dan ook.
Het valt me nu op, nu we het er over hebben dat dat ook de manier is waarop het eerste gedicht werkt en dat het ook de handeling van Hermes Psychopompos is, namelijk echte, oprechte betrokkenheid, zorgvuldigheid en tederheid aan de dag leggen en dat we uiteindelijk toch er een streep door moeten zetten.

Je kunt die laatste strofe dus positief lezen: we moeten met onze doden afrekenen. In de Griekse mythologie is het begraven zo belangrijk, want je moet verder.

Je moet het loslaten, hoe prachtig en waardevol het ook is.

Het mag niet meer bovenkomen.
In het laatste gedicht gaat het over de onverschilligheid van de natuur. Zie je trouwens dat er eerst staat ‘zonder aandacht’, dan ‘zonder bekommeren’ en dan ‘onverschillig’. Ook weer het spelen met de klank. Dat zul je wel niet bedacht hebben?

Nee, het omgekeerde is wel waar, dat je aan de schrijftafel gaat verminderen als er al te veel assonantie is. Ik zoek het niet op, maar je moet het wel in de hand houden.
Die eenden die gedragen worden door het onverschillige water: zo is het gewoon, zo kaal is het, maar het is ook mooi. En de moeite nemen om die laatste kruimels uit het plastic te schudden, getuigt toch ook van betrokkenheid, liefde zelfs.

Wat er nog is; een opdracht aan de lezer. Er is iemand weg, ze staat tussen de sterren. Ik mag het niet steeds laten bovendrijven. Wat er nog is: die kruimels brood uit het zakje schudden.

Ja, en een lege, maar mooie en volstrekt zijn eigen gang gaande wereld.

Ja, natuurlijk! Je kunt er woedend over worden en je kunt zeggen: nee, mooi.

Ik hou van kale dingen. Die emotioneren me eerder dan dat ze me imponeren. Dat geldt ook voor waar je naar kijkt. De strakheid van een afbeelding, een vel papier in een lijst waar vrijwel niets gebeurt, kan me zeer emotioneren. Dat geldt ook voor een landschap. Een vol landschap kan je imponeren of je kan het als mooi ervaren, maar ontroerd raak je pas in een landschap dat zo kaal is dat de echte schoonheid naar boven komt.

Je hebt een wereldreis gemaakt? Je bent ook in Bosnië geweest?

Nee, ik ben wel een keer in Kroatië geweest, maar dat was gewoon als vakantieganger. Die ‘wereldreis’ was in Latijns-Amerika. Esther en ik zijn een half jaar daar geweest. Dat was heel mooi en goed. We studeerden beiden nogal intensief en op het punt aangekomen dat we wisten: als we nu onderbreken, maken we de studie wel af, zijn we er een jaar tussen uit gegaan. We hebben een half jaar gewerkt om het geld te verdienen voor de reis. Toen heb ik ook geleerd in haar aanwezigheid te schrijven. Normaal doe je dat niet, maar als je helemaal op elkaar bent aangewezen en steeds bij elkaar bent, moet je soms wel je eigen dingen doen. We hebben ook geleerd te genieten van de dingen om ons heen; niet zo maar constateren dat iets mooi is, maar echt er van genieten. Ze heeft ook een plek gekregen tussen mijn meest waardevolle lezers, die kritiek kunnen geven.

Je hebt eerst iets anders dan Nederlands gestudeerd?

Ja, heel kort. Planologie. Ik dacht dat het een goede keus was. Ik zat op een conservatieve, nogal elitaire middelbare school waarvan het hogere kader zeer rechts was en het docentenpark redelijk links. Veel docenten vonden mij waarschijnlijk wel leuk omdat ik als punker, met hanekam, toch geïnteresseerd was in de leerstof en ook goede resultaten behaalde. Ik vond naar school gaan belangrijk en leuk. Verder toneel en bandjes en uitgaan. Ik had een pakket dat niet erg duidelijk was. Ik koos gewoon vakken die ik leuk vond. Sommige docenten overschatten mijn overwegingen en vroeger naar mijn plannen. Bij de keuze van een vervolgstudie heb ik gekeken wat het beste aansloot bij mijn vakkenpakket, een rationele overweging. De studie planologie sloot dacht ik goed aan bij mijn maatschappelijk idealisme van toen: een betere vorm geven aan de openbare ruimte. Dat idee werd er in de eerste maanden van die studie volkomen uitgeslagen. Men liet ons al snel zien wat ons voorland was: in gemeentelijke of provinciale commissies en dat voor de komende veertig jaar. Ik schrok van de vastgelegdheid en de grijsheid. Mijn eerste reactie was stoppen met de studie en de tweede bedenken wat ik dan moest gaan doen. Ik dacht: laat ik nu dan maar alleen op mijn belangstelling afgaan. Ik lees en schrijf graag en nu ga ik een studie doen waarbij dat gelegitimeerd kan.

Na het eerste gedicht volgen drie Roza-gedichten. Eerst is ze een klein meisje. Iemand las het als de bekentenis van een meisje dat misbruikt is door haar vader, maar ik las het als een bijna mythisch verhaal over meisjesfantasie.

Beide leesmogelijkheden zijn geïntendeerd. Het is te lezen als een zeer dreigend plaatje, heel realistisch, maar je kunt Roza ook begrijpen als een verbeeldingsrijk kind. Ik hou van de dubbele mogelijkheid. Uit ‘Roza wacht’ blijkt dat er toch iets gebeurd is met haar, want ze gaat daar op zoek naar een houvast. Ze probeert in een uitgewaaierde werkelijkheid de elementen weer bij elkaar te krijgen. Dat zie je aan de typografie. Ik doe dat in de bundel nog één keer (‘Reef’, p.50). Aan het slot zie je de twee heren als een soort Hinderickx en Winderickx naar buiten komen. In beide gedichten gaat het om het meisje Roza, eerst een kind en decennia later terugkijkend, letterlijk via de video. Ze spoelt de beelden ook mentaal terug, fluviatiel. Uiteindelijk gaat het om een fictieve figuur die worstelt om houvast te hebben. Iemand die het las informeerde bezorgd of het wel goed ging met mijn zusje. Ik moest er om lachen, maar het verwonderde me ook wel. Roza is een fictief personage.

Athene is de zus van Hermes. Zij zegt in jouw acrostichon: ‘Alles wordt alleen maar lichter, lief broertje / tussen jou en mij’.
Ik moest bij het lezen van je bundel denken aan Ophelia en dan vooral aan het schilderij van John Everett Millais.
Je kunt de Hermes-strofe uit ‘De vloeibare jongen III’ bijna letterlijk lezen als betrekking hebbend op de verdronken Ophelia.

‘Hier had je moeten spinnen, mijn vogeltje
en hier braken de golven het laatste stukje lint
rolde een kolk het laatste bootje op zijn kant
maar nog deed je niets dan zwellen en verbleken
en in steeds meer kleurloze stukjes verdeeld raken
steeds meer steeds kleinere losse vlokjes.’

Het is nogal dramatisch voor goden om te sterven of om met de sterfelijkheid van de ander geconfronteerd te worden. Ook een god moet dan ergens troost vandaan halen. Het is het onverwachte effect van zijn keuze in het eerste gedicht geweest, dat hij niet kan voorkomen dat zijn eigen onsterfelijke zus verdrinkt, zoals ze dat in het tweede
gedicht gedaan heeft. Hij begrijpt er ook niet zo veel van, want dat past niet in het referentiekader van een god. De dialoog in het derde gedicht is aan de ene kant zijn ontreddering en aan de andere kant de mogelijkheid tot troost. Zie haar advies om weer vaste vorm aan te nemen, opdat hij zelf voort kan leven. Het nadeel van een rivier-zijn, vloeibaar-zijn is dat je niet zo gek veel spierkracht hebt. Doordat hij helemaal rivier geworden is, is hij niet in staat om zijn eigen zus te redden.
In de laatste afdeling is geprobeerd één verhaal over verschillende schakels te vertellen. Daarom zijn ‘De vloeibare jongen’ I, II en III niet gewoon achter elkaar gezet, omdat er synchroon aan dat verhaal vergelijkbare verhalen ook plaats vinden. Het is het aanbrengen van samenhangende lagen die over verschillende schakels gespeeld worden. Ik vond het spannend om dat te doen, want ik wist niet of het zou werken. Je bent immers zo gewend bij een gedicht in drie delen dat ze achter elkaar staan. Het doet denken aan een filmschakeling: ‘Meanwhile in another part of town…’. En toch is er samenhang.

Het drama begint in ‘Familiefoto’- daar heb je die sjaal al trouwens: ‘waar kijken ze naar / de jongen rechtop / de hangende poes.’
De eenvoud van de taal en het geheimzinnige van het schijnbaar gewone doet me aan Nijhoff denken.

Nijhoff heeft veel invloed op me gehad. Het was een heel avontuur tijdens mijn studie om zijn poëtica te leren kennen. Vooral ‘Een dichter schreit niet’ (van Van den Akker) heeft veel indruk op me gemaakt. We zijn intussen een stuk verder in de tijd, de toepasbare waarde van de poëtica van Nijhoff heeft aan waarde ingeboet, maar nog altijd, is het voor mijn lezen en schrijven van fundamenteel belang geweest.

Je kent ‘De wandelaar’ van Nijhoff: eerder toeschouwer dan deelnemer.

Dat heeft iets te maken met de afstandelijkheid. Ja, met dit verschil dat ik datgene waarnaar ik kijk wel zelf gemaakt heb.

Niet altijd! Je beweegt je in de werkelijkheid die je beschouwt.

Nu komt er een lastig onderscheid, dat sterker geldt voor de poëzie en ook voor het optreden, omdat je dan te maken hebt met een werkelijkheid die je voor een groot deel zelf in elkaar geknutseld hebt. In het gewone leven is dat minder, omdat je dan te maken hebt met een werkelijkheid die zich aandient en daar moet je wat mee. Ik denk dat ik participerender in het leven sta, dan in de poëzie.

Er zijn nog meer overeenkomsten met Nijhoff: de lichte voorkeur voor het surrealistische, zoals in ‘Het uur U’ of ‘St. Sebastiaan’ of de voorkeur voor mythologie.

Hij doet dat veel explicieter. Bepaalde keuzes worden anders gemaakt. Nijhoff is van de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat scheelt nogal. Bepaalde fundamenten komen wel overeen, maar er is erg veel gebeurd tussen Nijhoff en mij. We kunnen niet meer als Nijhoff schrijven.
De andere oude dichter is natuurlijk Van Ostaijen. Ik neem een aantal keren mijn pet voor hem af in deze bundel.

Ja, zelfs letterlijk op p.37: ‘dag pijp en pet dag lief suikersoldaatje / op de fiets van chocola dag pa dag ma’.

Ja, alleen is het hier omgekeerd als bij Marc. Hier is het een oude dame, die al bijna weer naar bed gaat.
Een latere belangrijke dichter voor mij en mijn vrienden, zoals Jan Willem Anker, Alfred Schaffer en Tsead Bruinja is Martin Reints. We lazen hem natuurlijk eerder dan we hem ontmoetten, maar we hebben veel waardering voor de ideeën die hij aandraagt. Zijn essaybundel (Nacht- en dagwerk) is een vat vol voeding voor ons. Dat geldt ook voor de essays van Tonnus Oosterhoff (Ook de schapen dachten na). Reints en Oosterhoof komen tot beelden of doorgetrokken gedachten die prachtige voeding voor poëzie zijn.

Jullie delen een nadenkelijk poëzie?

In elk geval Jan Willem en ik. Tsead is vlotter, meer associatief. Wat gebeurt er in je kop? Wat is en hoe werkt waarneming?
Wat ik met Jan Willem deel is het feit dat de visuele waarneming in onze gedichten sterk aanwezig is. Dat geldt trouwens ook van Jan Baeke en Alfred Schaffer. Ik geniet veel van muziek, maar ik geniet het meest van wat ik zie.

In de tweede reeks laat je je werkwijze zien. Je neemt iets uit de werkelijkheid, hier een film, Orbis Pictus, die je half vergeten bent. Waarom spreekt die film je zo aan? Omdat daar dingen gebeuren die jou op een half bewust niveau aanspreken.

Ja, in deze film van Martin Sulík, en misschien nog meer in The Garden, gaat het om het herkennen van een sfeer die een heel universum veronderstelt, waarvan ik het gevoel en het idee heb dat het heel dicht ligt bij mijn eigen perceptie en voorkeur. Zijn werk sluit heel erg aan op wat ik doe.

Je pakt materiaal dat fictioneel is, maar je zegt daarmee iets over je eigen zienswijze en de eigen ervaring.

Dat is het mooie. Het zijn personages in die film, maar die weerspiegelen mijn eigen ervaringen. Het is zelfs moeilijk op een geven moment ze uit elkaar te houden. In deze reeks, die chronologisch is opgebouwd, raakt het steeds verder van die film vandaan. Het wordt steeds meer een eigen verhaal. Ik probeerde in deze reeks ook om daadwerkelijk een plot te ontwikkelen, terwijl het toch poëzie moest blijven en elk gedicht op zichzelf moest kunnen blijven staan.
Ieder van de vier afdelingen wijkt op een bepaalde manier af van de andere – deze misschien het sterkst – maar ik ben er tevreden over dat je de gedichten ook los kunt lezen. Alleen het laatste genummerde gedicht is zo duidelijk een finale dat het lastig is het als geïsoleerd gedicht te lezen; en het gedicht ‘Voorhuis’ is eigenlijk ook een scharnier in de reeks. Dit stond wel ooit in een andere versie los in Vanuit de lucht in 2001, maar dan wordt het wel een beetje schimmig geloof ik.

Je zou kunnen zeggen dat je de elementen uit je eigen leven als een fictie behandelt.

Dat zou je kunnen zeggen en tegelijk ook van pure fictie. ‘Roza’ is niet gebaseerd op iemand. Maar dat doet de werkelijkheid ook met jezelf. Ik kwam op een gegeven moment een tekening tegen op een tentoonstelling en ik dacht: dat is de vloeibare jongen! Dingen kleven aan. Dat vind ik een verschrikkelijk mooi verschijnsel.

Wat we zien zijn wezelf. Gelukkig komt dat voor een deel overeen met wat een ander ziet, anders begrepen we elkaar nooit.

Ja, en dan het zo verwerken dat ik het met een ander kan delen. Dat is het mooie van menselijke uitingen in het algemeen en ook van poëzie.

In de afdeling ‘Plaatjes en kaarten’ zit een oude vrouw die met foto’s bezig is.
Wat betekenen die data?

Het zijn een soort brieven, waarboven een locatie en een datum hoort. Ik heb de plaats weggelaten. Het begint in Spanje. Later waren het Oost-Europese locaties, maar ik vond het wat potsierlijk om die in de bundel te vermelden. De data bleven over. Die zijn alleen maar bedoeld om aan te geven dat de tijd verloopt. Het is voorjaar aan het worden. 21 februari is in Tsjechië. We waren in Praag. Daar is een eilandje in de rivier met een jeugdherberg en daar overnachtten we. We werden geëvacueerd vanwege overstromingen. We zouden naar een middeleeuws stadje, maar dat stond onder water. We raakten volkomen geïsoleerd. De brieven zijn geschreven door iemand die blijkbaar weg is bij iemand anders. Ik koos als dichter een personage.

De dichters die je net noemde en bij wie je je thuis voelt, zijn, anders dan dichters vroeger, actief bezig zich in de literaire markt te positioneren. Tsead Bruinja is daar een meester in. Hij weet precies waar en met wie hij moet zijn om aandacht te genereren. Optreden, internet. Poëzie in Carré was destijds iets heel bijzonders.

Ik vond de reprise heel aardig. Het was zo anders dan toen. Je zag heel goed dat er in die veertig jaar een ontwikkeling is geweest, waardoor je nu de huidige situatie hebt. Nu is er die rijkdom, de belangstelling en de verschillende plekken.

Je doet nu zelfs mee aan een project ‘Dichters dragen couture’.

Daar zit geen promotiekant aan. We zijn vrij coöperatief ingesteld, niet alleen naar dichters, maar ook naar kunstenaars van andere disciplines. Het gebeurt in de praktijk veel minder dan je zou verwachten, maar op het moment dat een organisatie het idee heeft om een stel debutanten te laten kleden door een modeontwerper, denk je: dat is prachtig. Ik kende toevallig het meisje dat dat project ‘deed’.Als je het in je schema kunt inpassen en je hebt er de energie voor, dan ga je dat aan.

Zou je ook voor een commercial optreden?

Ik geloof dat dat wel iets heel anders is. Ik ga geen wasmiddelen aanprijzen. Het moet wel met mijn werk te maken hebben.

Zou je bijvoorbeeld een nieuwe museumkaart willen promoten?

Hebben we dan zelf iets geschreven voor die kaart? Staat er op die kaart een gedicht van ons?

Nee. Je hoeft de kaart alleen maar te promoten.

We zijn geen acteurs. Ik ben niet tegen opdrachten, maar ik wil aangesproken worden op mijn eigen vak. We zijn niet geschikt als ‘bekende Nederlanders’. Dat ambieer ik ook niet. Als ze me vragen een gedicht te schrijven voor de museumjaarkaart-actie…dat zou een aantrekkelijke opdracht kunnen zijn. Dat voedt ook weer, want je moet je op iets nieuws richten. En als een tijdschrift een fotoreportage wil maken, is dat goed. Je maakt je afwegingen per geval.

Vormen jullie een groep?

Dat is heel moeilijk. Sinds 1989 is zoiets niet meer aan de orde. Er is misschien wel honger naar zo’n groepsvorming, maar het is moeilijk om daar mee om te gaan. Ik weet heel goed waar mijn affiniteiten en referenties liggen ten opzicht van mijn leeftijdsgenoten en iets oudere dichters. Ik voel met bepaalde dichters echt een verwantschap, met besef van de verschillen, maar we willen ons niet als groep profileren. Het zou kunstmatig zijn en bovendien is de huidige situatie vruchtbaar genoeg. Het zou ook te beperkend zijn voor het beeld dat je van jezelf geeft. Er zijn te veel verschillen in uitgangspunten en de manier van uitwerken om een groep te vormen. Ik hou het meest van de dichters die ik eerder noemde en daar voel ik me thuis. Iemand als Peggy Verzett schaar ik ook onder de belangrijke debutanten van 2005. Ik vind het gaaf wat ze doet, maar ze is anders dan Jan Willem Anker, omdat ik weet wat ik doe en wat ik wil doen in mijn werk sterk verschilt van wat zij doet. Dat heeft niks met leeftijd te maken. Lucas Hüsgen? Dat vind ik een heel moeilijke. Volgens mij ben ik te dom om hem te lezen.

Is het gezwets?

Ik ga liever uit van wat ik net zeg. Ik kan met hem niet mee. Als ik als recensent zou moeten oordelen, zou ik de nadruk leggen op het verschil in perceptie van de wereld tussen hem en mij. Ik kan niet eens aangeven of het aan hem ligt of aan mij. Ik kan alleen maar constateren dat het te ver gaat voor mij. Ik kan er niet bij en dat gebeurt niet zo gek vaak. Kees Ouwens? Daar kom ik uiteindelijk wel mee uit. Kijk, je hebt natuurlijk een beperkte tijd en energie en ik lees heel graag poëzie en veel poëzie, maar ik moet door het werk wel getrickerd worden. Nachoem Wijnberg is ook niet een van de gemakkelijkste, maar voor zijn werk wil ik wel moeite doen. Op Peter Verhelst wilde ik afstuderen. Eerder had ik de Russen leren kennen en ik was daarvan onder de indruk, zozeer dat ik een tijdje dacht: waar hou ik me in de studie Nederlands dan eigenlijk mee bezig? En wat stelt het Nederlands proza dan helemaal voor?
Daarna leerde ik het proza van Peter Verhelst kennen en ik dacht: hé, dit is Nederlands! En dit is goed! Ik wilde afstuderen met poëzie en dat schreef hij ook. Dat zou dan ook wel heel goed zijn. Ik had al een idee opgezet voor de scriptie, maar ik raakte zijn poëzie lezend heel erg teleurgesteld, want ik vond het helemaal niet goed.
Geert Buelens vind ik wel goed. Het is aan de ene kant heel afgewogen en aan de andere kant heel emotioneel, heel authentiek op een manier die ik verder niet zoveel terugvind. We hebben het over moeilijke dichters. Het is goed om af en toe een recensie te schrijven. Dat dwingt je om goed te kijken. Als ik over Wouter Godijn geen recensie had geschreven, was hij me misschien ontgaan. Zijn laatste bundel vind ik een van de beste van vorig jaar. Er is veel goeds: Astrid Lampe, Tonnus Oosterhoff. We leven in een rijke poëzietijd.

zondag 7 februari 2010

DE ALICE VOORBIJ

De Alice voorbij


Door de industriehaven varen

we de Alice voorbij, leeggestript

roestig, wacht zij tot ze wordt gesleept

naar het vreetdok, stalen tanden.


Niet meer aan water denken

wat wankelt zoekt verbinding

met vuur en eindigt, in stromend

ijzer, maar nu nog de aangroeiende

zeebaard, de geur van mannen

in het stuurhuis, drinkend in de roef

en vroeger de stoomketel, enkelvuurs

vervangen door de 110 pk Blauwe Deutz.


Het brandmerk nog op de huid

kettingoverbrenging naar het roer.


Uitzicht op bakken met stalen rommel

grijpers, kranen, in fragmenten

laatste vaart, weg uit dode rivierarm.

-

Schepen


Waar het schip opduikt

is de liefde niet ver weg

zij is juist langsgekomen

of wacht gretig op de kade.


Het schip met masten zeilen touwen

vaart als de blinkend witte pauw

heen en weer van kade naar kade.

Het wil stormen en windstilten doorstaan.


Een zwaan met opgestoken veren

een nauwelijks bedwongen kracht

glijdt door het water

verlangend naar bewondering

klaar om toe te slaan.

-

Achter de grenzen...


Achter de grenzen zijn wij weerloos.

De wereld is een gevaarlijke plaats

alsof er een afvoerput bestaat

die wat je denkt te begrijpen wegtrekt.


Leve de zeeën, bossen en bloeiende hei.

Leve het leven in de oude krant

toen je nog niet wist waar het heenging.


Je bouwt een hek om de siertuin

graaft een vijver die blijft staan

ziet de muren van het woonhuis beven

midden in een lichtgroen bosbegin.


Ondertussen...


Ondertussen zit de stenen tijd

als jonge vrouw op haar stenen zetel

met de duif in haar bloedwarme hand

die zich elk moment kan verheffen

maar nu in alle rust bewogen

blijft en denkt aan hoe zij

uit kan vliegen door duisternis

over water naar een te bouwen nest.

De verminkte vingers van het meisje

houden haar niet: zij kijkt weg

droomt van een behouden huis

vergeet de duif die bij haar blijft.


Een jonger zusje...


Een jonger zusje verdrinkt weer.

Haar foto's vervagen, de negatieven

zijn onvindbaar, maar wij zullen haar

niet vergeten tot wij zelf vergeten zijn.


Een kamer zonder kind; er komt

een volgend seizoen, al was het de winter

of de lente en we zullen begeren

en kou lijden. Zij zit voor op het zitje.


De fiets gaat naar de dijk en de haven.

Ik stuur en ik trap tegen de pedalen.

Begraaf mijn neus in haar krulhaar

laat haar de golven zien en ruiken.


Als alles...


Als alles altijd al bestond

zouden wij niet ademen; de aarde

zou verbrand zijn in het licht

van alle zonnen: wij leven


omdat wij ooit niet leefden

verbleken omdat wij gelezen zijn.

Het is 's nachts donker omdat

alles ooit begonnen is met licht.


Als liefde altijd had bestaan

zouden wij verteerd zijn: dank zij

de immense onverschilligheid

kunnen wij soms houden van elkaar.


De vrouw...


De vrouw zit op haar hurken bij de put

wasbord tussen de knieën.

Zij lokt mij over de lange weg.

Ik ben veilig tot bij de put.


Neerduizelend naar het donkere

stille water, zonder spiegeling.

Het verlangen draagt al toenadering

in zich en de vrees de overgang

naar de vlucht. Ik wil niet mee-

genomen worden, ik blijf staan

beantwoord haar glimlach, kies

een andere weg, die ik maak in het gras.

De tunnel...


De tunnel onder de rivier belopen

lange betegelde gang, bijkomen

uit narcose, schijubaar uitzichtloos

een beetje vervuild. Buiten natte kou.


In het water een boot in de sneeuw.

Je stapte bijna mis op de treeplank.

De holte van het ruim verdeeld

met schotten, wegstervende echo's.


In beelden patronen zien opbloeien

uit wat je eerder zag, zodat de tekst

in mijn hoofd zich groepeert rond

komende klanken.


Een compleet...


Een compleet vervallen abdij

in een doodstil keteldal

met stoffige kruisbeelden

en schilderijen waar je doorheen

kon kijken tot je wist: dit is

geworden van de mythe

die elders stinkt en toen

nog leefde - je hoort haar

in muziek, je ziet beelden

waarin je kunt geloven

maar niet meer leven nu

ademen, een kaars die stikt.


En toen laaide...


En toen laaide de oever op

op de plaats waar de brug

de overkant helder prijsgaf

hoog op tot in de hemel

zodat je nooit meer terug kon

je oog liet dwalen over water

lijnen in de lucht ging zien

de schaduw van een kleine wolk

en eindelijk in het centrum

van de vleugels in de ruimte

de gestalte van de brandende engel

oprijzend over huiverend land.


De hartklep...


De hartklep, ragdunne, buigzame

ordening van drie kleine parachute-

achtige schillen, vouwt zich op zij

laat het bloed binnen in de kamer.


Een ritme barst plotseling uit in

een onbeheerste vergeefse razernij

wegstervend als echo's in een kloof.


Zullen we nog één keer de tuin ingaan?


Cressida in Dis

Wind snijdt tot op het bot

waar zij moet kleumen rondom

klein vuur in een badkuip

bedorven vlees eet, schimmelworst

van de zwerver die zich liet pijpen.


'Hoe heet je meisje? Cressida?

Geef mij het verziekte graan van je sex

mondjesmaat, mondjegauw, mondjevol

en je krijgt mondkost in ruil

graanroest, moederkoren, bloedworst.'


Nu probeert ze te slapen, Trojaanse slet

in holen onder afval, planken

plastic lappen tegen wind en regen.

Even gaan de bloedige deuren dicht.

Morgen is er weer een dag en weer


Natuurreservaat


Hier mag zij rusten in modder

al waait het nu te hard

voor de aansteker, bevende vlam.


Hier aan de rand van het water

dat straks tot rust komt

als de wegwakkerende wind

is gaan liggen.


Ze gieten haar mond vol

haar gezicht.


Voòr de eenzame boomzwarte vork

die dan weer spiegelt, loodkleurig

terwijl in de verte enkele vogels

kalm gaan overvliegen.


God Konijn


God Konijn als beeld

blind voor wat hij aanricht.


Zijn oren staan omhoog

te vangen wat er stil is.


Zijn armen hangen laag

omdat hij niets kan doen.


Zijn smalle lijf draagt

maar nauwelijks het hoofd.


Geen lach, geen blik, geen teken

opgesloten in aanwezigheid

die hem niet raakt

maar die vanzelfsprekend

wordt geconsumeerd

zonder iets te verteren.


Ademnood


Onze Vader zo ver

of wat ons gemaakt heeft

geef ons heden en morgen

en vergeef ons onze schuld

zoals ook wij

wij ook.


Wij zullen begrijpen

proberen te begrijpen.

Hoezeer verminkt wij

voortmodderen en kruipen

en bijna stikken

van woede

al om het kleine:

waar is de viool van papa?

Ingepikt

het land, koffieplantages

zelfvoorziening, -beschikking.

Gasmasker, schuilkelder.

Breek mijn staf.

Geef mij lucht.

-

Duif


Het lijkt een opdracht, van wie?

jezelf te leren kennen, maar

we komen niet verder dan de huid.


We moeten ons neerleggen bij

wat we willen maar niet kunnen

begrijpen dat elke dag gegeven is.


Zoals een duif zichzelf optilt

naar een tak, daar even blijft

en dan wegvalt naar omhoog.


Gedragen door het verlangen

aan te komen waar hij moet zijn

laat de vogel zijn gretige poten los.

-

De libellen

Waar de zwaan zwemt met vier jongen

over het kleine kratermeer Monticchio

zweven de blauwe libellen Calopteryx Virgo.


Waar de vader zwaan de jongen bedreigt

die aan komt rennen om te vissen

vliegen rusteloos de blauwe libellen.


Waar de vader van de jongen zijn zoon redt

-angstig staat de jongen te wachten

tot de hand op zijn schouder hem rustig

leidt langs de blazende zwaan -


Daar dansen de blauwe libellen

boven het water en schrijven hun brieven

over de zwaan, de jongen, het kratermeer.

-

Vogelhut Hekslootpolder


Gemaakt, met kijksleuven

daarin richtapparatuur

in de buurt van scherfvrije onderkomens

inlaatduikers en een nevenbatterij

veenweiland, open schootsveld

vanaf de keel van het fort.


Er wordt geschoten

met kijktoestellen.


De vogels bekijken de bouwers

van een afstand

zetten luchtwachtposten uit

zien hoe de natuurbeschermers

ondiepe poelen maken

nieuwe stadsmuur van water.


Ze hebben elkaar gewaarschuwd

zoals dat gebeurt in vogelkringen.


De ganzen, kieviten, grutto's

dansen nu op gras

zwieren in de lucht

plassen in het water:

‘Jongens, hier moet je komen

hier kun je je laten zien' .

-

Hoe je je dochter moet laten gaan


Houd het jonge meisje zachtjes

tegen bij de keel en kijk zowel

bezorgd, vertederd als

argwanend. Wil je weg?


Zijn je ogen open of gesloten?

Blijf, zeg je, je mag niet weg.

Ik houd van je. Buiten

is de duisternis.


Goed, ik zal je laten gaan

maar luister naar wat

ik je vertel over het leven

ach nee, over wat ik heb gezien.


En kijk, het meisje wacht tot ze los

gelaten wordt, vriendelijk

maar vastbesloten te gaan.

Haar voeten zijn al op weg.

-

Reizen


Aankomen en wegdraaien

hoog in de lucht opsperren

zodat je de hemel ziet

als een boek dat zich bloot

legt, terwijl je doorgaat

over de weg die je gekozen hebt

of die jou leidde naar waar

je moet gaan volgens het principe:

hier beginnen, daar aankomen.


Tegenspartelen helpt niet.

Zwenken moet je.


Tenslotte vouwt zich alles

weer dicht, omdat je bent gekomen

waar je dacht te moeten zijn.

-

We gaan nu…


We gaan nu aan de zijkant

van de weg staan

met onze rug naar

de samengebonden palen.


We kijken niet hoe de weg loopt

door het bos, kalm over de heuvel.


We zetten onze hielen tegen elkaar

de neuzen van onze gepoetste schoenen

iets uiteen.


We houden in onze hand

de paraplu en de hoed

want de zon schijnt.


De schaduw op de weg

laat de ronding van de handgreep zien.


We zijn een heer, zij het

een ietwat verlopen heer.


We kijken dwars over de weg

niet naar het verleden

nog minder naar de toekomst.

-

Veertien was ik…


Veertien was ik, onder de kerstboom.

Hij zeven en zeventig.

De kamer rook naar mandarijnen

toen hij, ver weg, in de bergen

ging wandelen voor de laatste keer

zonder overjas.

Ik kende hem niet.


Het was niet erg koud.

Het sneeuwde zachtjes

de weg lag vrolijk

in het verschiet.


Hij stapte stram voorwaarts

zijn vaag-rode stropdas om zijn hals

hoed stevig op zijn hoofd.


En toen hij, ver van Hersiau

in Appenzell-Ausserhoden

tot stilstand kwam

tegen een hoopje sneeuw

zag hij voor het laatst

de lichte vlokken waaien.


Hij dacht misschien

aan de jongen die hij was

die cadeautjes kreeg en aan zijn moeder.

-

Het oude Aswan museum


Vijf naalden op hun punt

willen dansen met elkaar

maar vastgehouden door

onzichtbare draden staan zij

stil voor de kijker

op de spitzen, in een bleek licht, doodstil

roestig, dik of smal, gebogen

los van elkaar, voor altijd gevangen

niet in een hand, maar

achter vuil glas, willen

omhoog, omhoog.


Een jonge vriendin

die zo sierlijk kon lopen op haar voeten

de kleine.


Vijf vingers als naalden

om mijn keel, op borst

en buik.

-

Beweging


Wat is de beweging die je maakt

tijdens eens gesprek: en toen

zei ik: ja, het was een gelukkig toeval

dat ik die weg insloeg.


In de woorden voel je de zwaai naar links

die je maakte. Wat was het? Een weg

een zandpad? Bomen aan de kant

groene houten huizen verderop

waarvan de deuren openstonden

waarin je werd toegelaten, bloemen

gastvrijheid, een gelukkig toeval

of toegeven aan de weg die je moest gaan?

-

Oude vrouw


Toen je je ogen nog niet

helemaal sloot en vroeg

‘Hoe lang duurt het nog?’

toen je je verlangen naar elders

nauwelijks kon bedwingen

en luisterde naar het kloppen

van het bloed in je hoofd

en de herinnering aan de zang

van de bruid: ‘Wenn kömmst du

mein Heil?’ en heel ver weg

het antwoord hoorde: ‘Ich komme

dein Teil’, toen wilde je ook zingen

maar het ging niet meer.


Iets ruisde in de ruimte

en in je oud geworden meisjes-

lichaam fluisterde het bloed:

‘Ik kom, zoals ik ben, ik kom

naar een ander land

waar ik nieuw en anders ben.’

-

Oma en kleinzoon


Ze staan op de helling

te kijken naar de zon

die hij naar beneden duwt.


Hij wijst ruim erboven

zij volgt met haar wandelstok

maar wijst twintig graden oost.

Nee, zegt hij, daar, met de gloed

van de zon op zijn voorhoofd

en dan gaat het plotseling hard.


Terug moet hij haar helpen

door het donkere gras.

Zij gaat met de stok

hangt aan zijn arm.


Wie doet de wolken, vraagt ze

Breng me naar binnen

terug naar het vuur.

-

U


‘Zeg, ken jij de mosselman?’

Ja, die kende je nog

aarzelend, zacht meegezongen

en je had ook wel gehoord

van de zeven der zeven

al was je de zes vergeten

maar het Wilhelmus

kende je nog heel goed

daar konden de broeders

en zusters niet tegen op.


Ik had nog nooit jij gezegd.

-

Val

Wij zochten op het land

tussen de kuilen

vonden drie piketten

aangepunt rondhout

beschilderde paaltjes

op onbekende afstand van elkaar.


De eerste gaf de breedte aan

de tweede de lengte

en de laatste één vadem diep.


Mijn moeder kon vliegen

roeien in de lucht

maar verloor steeds meer hoogte.


Hier was ze neergestuikt

machteloos omlaag getrokken

lag ze één vadem diep.

-

Familie


Hoe we kijken naar elkaar

maar niet terug.


Ze zit op de rugleuning

van de oma-fauteuil

waarin op de rand

van de zitting haar moeder

kijkt naar een andere dochter

die wegkijkt en de kluwen

wol in haar handen vergeet.


De draad gespannen

naar haar oudere zus

modieus, rechtop

in de feestelijke jurk

de handen met de streng

stil en werkloos.


Alles gebeurt hier

in één moment van licht

van de staande schemerlamp.

-

Wild


Hoofddoek om, zij, uit de zandstorm

en in het naderkomen groeien

haar ogen tot zonnen, wild.

Roofvogel op rots.


Geen roofvogel, meisje nog.

Haar mond een vrucht.

Zij zal alles geven in wildheid

weet het niet

haar ogen evenmin.


Twintig jaar later weet ze

wat de liefde geeft

en neemt.


Zij beschermt haar jongen

met een mes.


Versleten hoofddoek.

Scherpe neus

nog altijd de ogen

minder rond maar waakzaam.

-

Den Helder


Zo helder is het niet zo zelden

hier aan de zee, waar de wolken

schijnen in het water, kijk

daar is het blauw, daar lichtgrijs

en waar de visser zijn lijn ophaalt

is het zo doorzichtig en scherp

dat de lijn breekt en zijn lood

op de bodem blijft

tussen de witgepokte stenen.


Het water een spiegel, geen metafoor

en landinwaarts de stralende waterhemel.


Alles staat in lichtelaaie

te weerkaatsen, waterglans

en lichtgezicht

een durend magnesiumlicht

lichtscheermes, brandhelder.


De visser herstelt kalm zijn lijn

werpt zijn nieuwe lood

dwars door het glas.

-

Tong


Alsof hij spreken wil

tot alles wat voorbij schiet

vogels, automobilisten


maar het hoeft niet.


Zo hoog als een cypres

vier meter breed, toch

bijna zwevend boven gras


Hij houdt zich stil


staat kopergroen tegen

het blauw of onder

langstrekkende wolken


omglansd in de ruimte

ontvangt hij het licht

als genade, waarheid.


Tong om zonder taal

schoonheid van nu

en toen te proclameren.

-

Huis


Je kijkt naar een schilderij

je ziet wat anders

dan de vrouw die naast je staat.


Als zij tegen je zegt: ‘O, intiem!’

Kijk je verbaasd naar de kleur

van haar ogen, haar lippen.


Het lijkt te branden: hoe lang

duurt het nog voor het open

barst en niet meer staat

op de plek waar het is gebouwd?


Maar zij zegt opgewekt: ‘Hier

trek ik in, ga je mee?’ Maar

jij zegt: ‘Laten we naar buiten gaan.’

-

Deur


Oud hout en groen, zonder klink

of knop: de deur waar je voor staat.

Hier moet je naar binnen, maar hoe?


Ik weet wel wat achter de deur

te vinden is: over de drempel

het landschap met diepe luchten.

Wolken die wegzeilen, overweldigend

licht dat weerspiegeld lijkt door water.

Je weet wat je te doen staat daar.


Het landschap intrekken, waden

door gras en kniediep water

terwijl je overal vogels hoort.

-

Fransum


Zomer in Fransum

mals gras tussen de graven.


Dunne vogels duiken

uit de waaiende luchten

als harde oorlogsjagers

boven de huizen van dit land.


Je kunt heel lang kijken

vanaf de oude hoogte

over het groene stille land

zie je steeds een schutter sluipen.


De oude bomen schommelen

als pantserwagens gecamoufleerd

langs de lege ringgracht

en de middeleeuwse kerk bewaart

honderd geschonden lijken.

-

Kerkje Middelbert


Iemand vraagt: maar hoe

worden de doden opgewekt?

Wat voor lichaam krijgen ze?


‘Zaad moet sterven voor

het tot leven komt

wat je uitzaait

is nog maar een vormeloze

graankorrel of iets dergelijks.’


En die kleine dan, die nog geen dag

leefde en hier nu ligt met haar beertje

op het zand, tussen de bloemen

natgeregend, vaal?


‘Alle vlees is niet hetzelfde

mensen, vee, vogels, vissen

hebben een ander soort vlees.’


Maar de baby, vlees en botten

haar glimlach nog even

of was het een grijns?

Vingen haar oogjes nog licht?


‘Er zijn lichamen aan de hemel

lichamen op aarde

maar de schoonheid

van hemellichamen

is anders dan die van aardse.’


Komt ze terug

in een ander, sterker lichaam

en blijft ze dan even

bij ons hier in Middelbert?


‘Iets vergankelijks wordt gezaaid

iets onvergankelijks wordt opgewekt.’

-

De zonneplek


De zonneplek op het plafond

die steeds kleiner wordt

en toch niet verdwijnt

temidden van het koele grijs

van de balken, het licht wit

daartussen, de compositie

van de vlakken.


Hoe zou je die moeten tekenen

en kleuren in alle nuances

van wit en heel licht groen

en blauw, zoals de klanken

van het clavecimbel

die door de sleutel worden

getrokken naar het juiste midden?


En dan is de plek toch

plotseling verdwenen.

-

Inspiratie


Wij willen weten waarover

wij gaan schrijven: een put

een dennenboom, parel, slak

hoe zij langzaam kruipt

over de weg en niet weet

wanneer zij verpletterd wordt

vertrapt tot slijmerige plek

of juist net vooruit, niet

versnellend, ontsnapt, maar

dat woord lijkt al te snel

ontkomt, terwijl de fietser

allang op zijn bestemming is

haalt zij de overkant

kruipt tussen gras, onwetend

waar naar toe, aangelokt

door een geur of eenvoudig

kruipend tot ze iets eetbaars

tegenkomt en stopt

==

Aantekeningen

‘De Alice voorbij’ verscheen eerder in

Het Spaarne stroomt, redactie en samenstelling

George Moormann, uitg. De Zingende zaag,

Haarlem 2004.

‘Schepen’ verscheen eerder in

The Festival of the Seven Seas,

uitg. Stichting Delfsail 2003.

Gedichten uit de reeks ‘Achter de grenzen…’

verschenen eerder onder

de naam ‘Chaotica’ in het ts. De Revisor (1992)

‘Cressida in Dis’ verscheen eerder in Flowering Inferno,

uitg. Philip Elchers, Groningen 2002.

‘God Konijn’ verscheen eerder in Geesbrugger

Bijdragen No. 15 bij een schilderij van

Jet van Ooosten, Sub Signo Libelli 2003.

‘Vogelhut Hekslootpolder’ verscheen eerder

in Het Spaarne stroomt,

redactie en samenstelling George Moormann,

uitg. De Zingende zaag, Haarlem 2004.

‘Hoe je een dochter moet laten gaan’;

bij een litho van Co Westerik.

‘Reizen’ verscheen eerder in Water en vuur III,

samenstelling Karla de Boer-Gilberg,

uitg. Phidias, Apeldoorn 2002. (Bij een beeld,

Dansend vierkant, van Marijke de Goey,

Arnhem, Pleyroute.)

Het tweeluik ‘We gaan nu…’ en ‘Veertien was ik…’

is geschreven

ter herinnering aan de schrijver Robert Walser.

‘Den Helder’ verscheen eerder in Hier lonkt een spiegel,

samengesteld door Ruben van Gogh en Suzanne

Meeuwissen, in opdracht van

Het BUREAU interim!,z.p. 2001.

‘Tong’ verscheen eerder in Water en vuur IV,

samenstelling Karla de Boer-Gilberg, uitg. Phidias,

Apeldoorn 2004. (Bij een beeld van Rudi

van de Wint, op de Knardijk).

‘Huis’ bij een schilderij van Euf Lindeboom.

‘Deur’ bij ‘Portaal’, brons van Gert Sennema,

Folkingestraat 67, Groningen.

De citaten uit 'Kerkje Middelbert' komen uit 1 Korintiërs 15