donderdag 22 april 2010
Herinneringen aan FtHvdB
Gilles werd meermalen genoemd in de bundel 'Kus of ik schrijf', in opdrachten met name, maar het eerste gedicht gaat over zijn geboorte en in andere gedichten kunnen we zijn helaas treurige levensloop met verslavingen volgen, ondanks de gunstige voortekenen in Lyon : 'Ach lieveling, toen in / dus jouw tijd, gloeiden die lichtjes, drie dag lang. // Het leek me een goed teken. Op de tekenen moet je / letten, leer ze lezen of begrijpen, want dan zal je weten // wat ons nog te wachten staat. (...)// Hoe blij ik niet was op 3 december, om // dat ik je moeder was, van toen af an: Altijd'.
De Onbevlekte Ontvangenis van Maria is een dogma van de Katholieke Kerk dat op 8 december met een hoogfeest gevierd wordt. In Lyon branden dan drie dagen de kaarsen achter de ramen. Ook na de geboorte van Gilles. Volgens het gedicht hebben de lichtjes te maken met de herinnering aan de bemoeienissen van de Maagd met de pest in Lyon.
Frederike was getrouwd met de adellijke Eric de Mareschal le Font St. Margeron de la Fontaine. Het huwelijk was geen succes. Dat is waarschijnlijk te lezen in 'Bij het weerzien zei de impertinente prinses:', een zeer vilein relaas over de verhouding tussen twee gelieven en een superieur vrouwelijke depreciatie van het mannelijk geslachtsorgaan: 'en voel ontzet met / / fijnste handschoenlederen hand naar de hou- / vast aan je beminde buik: Ai decoratie?! // En zwel maar op, welk of vervel, verval en / ik hoop flauwtjes liever, - o liever nu geen // toespraken of bloemen'.
Fritzi ten Harmsen van der Beek was de dochter van twee tekenaars van kinderboeken. Haar vader had veel succes met het maken van een strip voor Flipje, het fruitbaasje van Tiel. Zij kreeg een prinsesselijke, vrije opvoeding en werd met haar broer door haar vader achtergelaten met een aanzienlijke erfenis, die door beide kinderen in een onwaarschijnlijke haast werd verbrast. Hierover kunnen we lezen in het verslag van Annejet van der Zijl, 'Jagtlust'.
In een gedicht uit 'Kus of ik schrijf', zit de dichteres in de trein met een vrouw die haar zoon in het ziekenhuis gaat bezoeken; het is een droevig verhaal. Ze heeft geen geld om iets voor hem te kopen, maar 'Toen dacht ik, in de tuin van notaris / groeien frambozen heel voor niks, geen / mens die ze ooit komt plukken, dus toen / ben ik er heengegaan op me fiets. // Ach wat is het nu 's morgens al vroeg helder, ik / moest op voor dag en dauw, met me elastieke kousen / aan, voor m'n aderen, weet u; een dikke das, tegen / ochtendkou: uit stelen. En dat voor een oude vrouw!'
De dichteres vertelt maar niet dat zij ook op reis is naar haar zoon en waar deze is. In een ander gedicht schrijft ze over het gevangenisbezoek.
In 1965 kocht ik het zojuist verschenen 'Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten' en dagenlang liep ik met de bundel rond en overviel kennissen en vrienden met citaten en als ze even wilden luisteren of lezen, met complete gedichten. Toen heb ik met verbazing geleerd dat niet alle Nederlands studerenden een vanzelfsprekende affiniteit tot poëzie bezitten. In de bibliotheek van het Nederlands Instituut in de Boteringestraat, las ik Lucia bijvoorbeeld de zo beroemd geworden 'vertroosting aan mijn neerslachtige poes' voor. Lucia luisterde geamuseerd toe en vroeg na 'de hemelsblauwe hortensia': 'Gôh, hou jij zo veel van gedichten?' 'Natuurlijk' zei ik toen nog verbaasd. Mijn vrouw begreep het gelukkig beter. Een vaste uitdrukking in huis werd 'Goedemorgen hemelse mevrouw Ping, is u de zachte nacht bevallen en hebben de geheimzinnige planten naar behoren gegeurd?' De verschillende poesen werden aangesproken als 'halmstaartige voortreffelijke' of 'radarbesnorde', 'dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin'. Ik nodigde haar uit om te komen lezen in Warffum op een avond van de faculteitsvereniging ‘Parnassus aan de AA’.
De kritiek bleek overrompeld door de oorspronkelijke versvorm, de onverwachte enjambementen, de gedurfde woordkeuze, de bizarre zinsconstructies, het steeds weerkerend stafrijm, de eigenzinnige beeldspraak en de ongebruikelijke samentrekkingen. De term 'barok' viel. De recensenten waagden zich niet aan het bespreken van haar ideeënwereld, maar wel meenden zij te kunnen vaststellen dat de dichteres de epitheta ironisch en relativerend verdiende.
Ik bestudeerde uitvoerig haar foto op de achterkant van de bundel: een vrouw die wel wat weg had van Mies Bouwman, maar treuriger lijkt, intelligenter en minder aangepast. Haar ogen zijn wijd open: zij kijkt graag en nauwlettend. Hoewel er lichtjes blinken aan de bovenkanten van de pupillen is het verdriet van haar opgetrokken mondhoeken zachtjes naar beneden gekropen, langs de diepe lijnen naar haar neus. Het heeft gerust op de rimpeltjes onder haar oogleden en is toen door de pupillen naar binnen gesprongen. Daardoor draagt het hele gezicht de sporen van een existentiële treurigheid. De mond is tegelijk weerloos en weerbaar. De spottende mondhoek beschermt haar tegen vaderlijk medelijden en begrip. Waar het open overhemd en het zwarte, tamelijk lange en slordige haar op nonconformisme wijst, blijkt tevens haar vrouwelijke aandacht voor zachte kleding (lady-roy heette de stof).
In de eerste gedichten van de bundel, 'Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzicht is zoekgeraakt' wordt het verdriet uitgesproken: 'Wat een ding ben ik in goed of kwaad? / In oorsprong omhoog gevallen maar groeiend lager / en ondermaanser steeds zich vermoeiend en kwijtend / van stoeten ritseldingen...'. en 'Tederheidshalve / onverteerbaar is wat vervuld voortdurend lediger en / bevredigd alleen allener en alleen vredelozer maakt, nu: / Hoe een ding en ben ik zo zoekgeraakt?'
Liefde brengt geen uitkomst; zij blijft een eenzaam avontuur.
In 1976 zag ik hoe Fritzi uit vriendschap een tentoonstelling opende, maar het eigenlijk niet wilde. Ze zag er uit als een stervende mus. Ik schreef haar een brief waarin ik vertelde over al onze poesen, die op allerlei manieren jammerlijk omkwamen.
Na de brief durfde ik haar op te zoeken. Het dorp was en is nog klein: een molen, een school, kleine huisjes, een inmiddels beroemd café-restaurant aan het water. Fritzi woonde achter het schoolplein, midden in een oud straatje waar geen auto kan komen. Er was geen bel. Ik klopte dus maar en opende na enige tijd de deur. Ik hoorde haar stem tegen de hond en daar kwam ze aanlopen, de adellijke grote hond achter haar aan. Ze zag er beter uit dan ik had verwacht, wel slordig, maar vooral jonger dan bij de opening van de tentoonstelling. Het musje leek hersteld. Fritzi verbaasd, afwachtend. Ik stelde me voor, hopend dat ze mijn naam zou herkennen, maar nee.
'Kom even in de gang, anders loopt de hond weg.'
Toen zei ik iets dat een verkilling veroorzaakte. 'Ik wou iets vragen over uw gedichten.' Ik vervolgde snel: ' Misschien wil je eh wilt u uit uw werk voorlezen?'
'O jé, nou, ja, zeg maar je, daar heb ik eigenlijk niet zo veel zin in, maar kom even verder.'
Ze aarzelde nog steeds of ze me binnen kon laten. Wie weet wat ik voor poëzie-zeikerd of -plakkerd was. Terwijl we het keukentje binnenliepen, zei ik: 'Ik heb u een paar weken geleden een brief geschreven.'
Verrast draaide ze zich om. 'Bedoel je die brief over de poesen?'
'Ja', zei ik, ook verrast. Fritzi straalde: 'Dat vond ik zo'n enige brief, o ja, over... hoe is het nou met nummer 13?' Ik antwoordde dat hij beschermd wordt opgevoed.
'Ja, weet je, ik krijg wel vaker brieven en meestal vind ik dat vervelend, maar deze, nee, enig. Dus jij bent.. Hoe heette die plaats toch waar ik toen was? Warffum ja.'
Volgde een nogal stormachtig ophalen van herinneringen. Fritzi bleek zich vrij veel te herinneren van haar optreden tien jaar terug. 'Ja, we zaten in de restauratie van het station iets te drinken. Ik was zo zenuwachtig. Ach God, hoe is het toch met die jongen met die ene arm? O, ik vond het zó knap, ik had nog nooit iemand met één arm gezien en hij deed alles zo keurig en hij chauffeerde zo handig. Veel later heb ik ook iemand ontmoet en die kon heel goed pianospelen met zijn linkerarm, eh hand en toen moest ik meteen aan die jongen denken die me naar Warffum bracht. Hoe zou het daar toch mee zijn? En jij, je bent wel veranderd zeg, veel ouder. Nou ja, ik ben natuurlijk ook... Nee, ik zou je niet herkennen, maar die brief. Ik zei tegen R., mijn huisgenoot, zou dat nou dezelfde jongen zijn?' Plotseling zei ze: 'Ik heb nog een gedicht van jou.' Ik verbaasd. 'Ja, jij hebt een gedicht gemaakt bij dat optreden, om me in te leiden of zoiets, op die mevrouw Ping.' Ik wist het niet meer.
'Ik heb het bewaard', zei ze een beetje verlegen. 'Ik heb een rood mapje met een paar herinneringen en daar zit het in. Ik heb dat mapje nog gezocht, maar in de storm van de laatste weken...' Volgde een uitleg van de storm, chaotisch en toch duidelijk. Kort gezegd: Gilles, haar zoontje, zoals ze hem konsekwent noemt, moest gered. Ze is het type moeder dat haar kind uit de hel zou halen. Zie 'De geschiedenis van in de trein'. Als alle mensen Gilles hebben opgegeven, gelooft zij nog heilig in hem. Die band tussen moeder en kind is zeer irrationeel.
‘Maar moeders zonen, moeten, móéten gelukkig
zijn. En wel: van álle moeders álle zonen,
ja, coute que coute, zoals me al zei, in
een gedicht dat ik nog becommentarieerd, u
retourneren, monsieur, sire de qui? nu ja, in
elk geval weer-omstuur zal.’
Hij was verslaafd aan heroïne, net als zijn vriendin, die er nog bij dronk. Hele onverkwikkelijke toestanden, rotsooi enz. Over die vriendin geen goed woord. 'Wat heb ik daar toch mee te maken?' Gilles en vriendin waren aan het afkicken. De dokter hielp haar ook. Ze was drie maanden nuchter en dat was verdomd erg hoor, al die schuldgevoelens over wat je niet met je leven hebt gedaan en die dokter, Stienstra, een tandarts eigenlijk.. Ken je die ook? Uit Aduarderzijl?' Ja zeker, van de Hamsterkring, die maandelijks een culturele avond organiseert, onder leiding van dokter Jansma. Fritzi moest gisteravond uit eigen werk voordragen. 'Weet je' zeg ik, 'dat al in 1965 gedichten van jou daar geklonken hebben? De bundel 'Geachte Muizenpoot' was nog maar net uit.' 'Ach...' Stienstra vertelde daar hilarische verhalen uit zijn praktijk. 'Er was daar ook een zekere Donald. Ik weet zijn achternaam niet meer, iets uit Duitsland, een plaatsje of zo.' 'Elzas.' 'Hij woonde bij een melancholieke gasfitter, die rechten had gestudeerd, maar die liever werkte met zijn handen en zijn klanten hun eigen uurloon berekende.' 'Daar was ook Bart, die zich heel theatraal ophing op het toneel van de schouwburg in Groningen. Stel je de toneelmeester voor die hem vond, de volgende ochtend.'
'Hier in de straat' zegt Fritzi, 'kwam een meisje op me afrennen, in paniek. Ze wist niet meer welke deur ze moest hebben. Haar vriendin lag in het water, door het ijs gezakt. Ze waren aan het zoeken. Ik stopte het kletsnatte, huilende kind bij buren in een heet bad. Pas na acht dagen werd het vriendinnetje onder het ijs gevonden door dezelfde jongen die het rennende meisje wel uit het water kon vissen. Er is pas nog iemand in de straat gestorven. Er gebeuren allemaal nare dingen in het dorp en het zijn zulke aardige mensen hier, heel veel aardige mensen. Trouwens, er wonen in Groningen heel veel aardige mensen. Te gek gewoon. Maar wat kwam je nou doen hier? Optreden? Nee. Je moet Guépin maar vragen. Ik zal hem bellen, ik moest hem toch al een keer bellen.' Ze belt en begint een chaotisch gesprek over Madeira, geeft de telefoon dan aan mij. De hooggeleerde heer weigerde vriendelijk naar Groningen te komen. (Pas later ging hij er doceren aan de universiteit.) Fritzi zegt: 'Waarom ga je zelf niet voorlezen?' Maar nee, de organisatie wil een bekende naam. We overwegen nog Hendrik de Vries, Gerrit Krol, Vasalis. We drinken thee en haar huisgenoot komt binnen. Hij is nogal jong en bekijkt me wantrouwend, maar ontdooit als hij hoort dat ik de poesenbriefschrijver ben. We praten in de zitkamer, waar een adellijke ligbank staat, een piano en langs de wanden en in de vensterbanken een chaotische verzameling van onwaarschijnlijke frutsels en kunstvoorwerpen. Fritzi heeft het over afkicken en zegt dat je merkt dat je niet meer serieus wordt genomen, je verliest je identiteit. Er wordt over je gesproken, als 'hoe is het nou met 'r?'. De huisgenoot zegt dat het moeilijk is om het respect te heroveren. 'Je weet hoe het gaat met jezelf, als iemand je een keer teleurgesteld heeft, tenminste bij mij gaat het zo hoor, dan duurt het lang voor ik niet meer denk: o ja, jij hebt toen dit of dat. Je weet hoe het ging met Gilles. Jij was toen steeds met die sherry bezig en toen had Gilles wel even het vertrouwen verloren.' Ik zie Fritzi verstrakken. Zij lijkt zich letterlijk terug te trekken. Dan zegt ze: 'Ik geloof niet dat Gilles mij ooit niet meer vertrouwde, ik kan me niet voorstellen... Tussen Gilles en mij...'
Als ik wegga zegt Fritzi dat ze wel eens langs wil komen op de fiets, dat ik nog eens moet komen. Ze kijkt en zegt: 'Ik had je niet herkend.'
Toen ik de volgende keer op bezoek was, zag het er allemaal vrolijker uit. Er waren nog meer fantastische kunstwerken, gemaakt van veren en schelpen en stukjes glas. Haar gesprekken waren overdonderend vrolijk en ze sprak zoals ze gedichten schrijft, duizelingwekkend van grammaticale eigenzinnigheden, prachtige vergelijkingen. Ze vertelde bijna struikelend van enthousiasme een verhaal dat me sterk deed denken aan het hilarische 'Op de wiede, zonder passion, wel met Matthias, zonder hond' over schapen die op hun rug liggen en gered moeten worden. Hij vindt het hek en ik ‘ het stomme schaap en kantel om, waarop het // immer sprakeloosverdween weer, in de drom de droom / van andere schapen. O herder Jesu, wáárom bent / U niet alom en moeten M. en ik uw vuile werk / opknappen, indien schaap, U zou het mij niet / moeten lappen: is onze herder er nu niet of wèl’.
De laatste keer was zes jaar geleden. Ze wilde niemand meer ontvangen, was boos dat ik zo maar aanbelde, herkende me na enige tijd, verontschuldigde zich, maar nee, ze had andere dingen aan haar hoofd. Ik realiseerde me dat ik haar nooit meer zou zien. En dat speet me.
Fritzi ten Harmsen van der Beek wilde volgens Annie van den Oever in haar proefschrift over het groteske en Fritzi haar werk zien als ‘onzin’, als werk dat niet per se gezien en niet begrepen hoefde te worden, maar dat daarentegen in het verborgene zou mogen blijven, zoals de versieringen die op onzichtbare plekken zijn aangebracht in kathedralen.
Er is niet alleen de weerzin naar voren, naar buiten te treden, er is ook de overtuiging dat met het blootgeven, prijsgeven aan de buitenwereld iets wordt ontraadseld, ‘tot oplossing wordt bedorven'. Denk aan Astrid Lampe. Wie leest interpreteert en beperkt daarmee de betekenis. Deze moet dubbelzinnig blijven, raadselachtig. Het ‘ik’ is in wezen onbekend en moet dat blijven, kan alleen even in de liefde begrepen worden. Het synthetiserend lezen van een tekst reduceert de tekst tot een betekenis en doet te weinig recht aan allerlei kwaliteiten van de vorm. Alleen in de taal van het gedicht blijven de geheime, lokkende krachten werkzaam.
Volgens FtH zoeken mensen altijd overal iets achter: ‘Ja, ze zitten altijd te denken, hè, het houdt niet op, en maar denken(…) Niet eens gewoon wat lezen, nee, denken (…) Interpreteren.’
==
donderdag 1 april 2010
Interview met Thomas Möhlmann
Thomas Möhlmann (Baarn,1975) studeerde moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, organiseerde programma’s in literair theater Perdu en was medeoprichter van poëzietijdschrift Zanzibar. Hij is dichter, beleidsmedewerker poëzie van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds en redacteur van literatuursite www.literairnederland.nl, poëzieprogrammareeks Vadem en poëzietijdschrift Awater. Zijn debuutbundel De vloeibare jongen verscheen in september 2005 bij Uitgeverij Prometheus (tweede druk in januari 2006) en werd in 2006 genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut. Tot veler verbazing ging de prijs naar de dichter van zwart-romantische poëzie, Willem Thies.
Mag ik met de deur in huis vallen?
Doen!
Ik heb me verbaasd over sommige critici die zeggen dat dit onderkoelde poëzie is, zonder veel emotie. Zien ze dan niet hoe heftig zij in wezen is? De beheersing maakt het jou mogelijk dit op te schrijven zonder te vervallen in sentimentaliteit.
Ik ben daar heel erg mee eens en ik was ook blij met wat Erik Jan Harmens vorige week in De Groene Amsterdammer schreef over de bundel. Hij probeerde als een van de weinigen een totaalinterpretatie te geven en bovendien op de emotie gericht. Dat vond ik sterk van hem. Het is wel indirecte poëzie, in die zin dat ik voor een vorm kies waarin bijna alles gefictionaliseerd is. Bijna alles speelt via personages en gedeeltes van verhalen. Het woord ik, vanuit de dichter gesproken, komt eigenlijk niet voor in de bundel. Dat geeft het geheel een indirecte vorm, waar ik van houd, ook al om het niet af te laten glijden naar larmoyante bekentenissen. Natuurlijk vertegenwoordigen de personages mijn eigen preoccupaties en dat wat me emotioneel bezighoudt.
We zullen het niet hebben over je privéleven. De vloeibare jongen zit niet tegenover me, maar is verscholen in de tekst van de bundel. Er zijn overeenkomsten tussen die jongen en de dichter, maar de lezer hoeft niet te zoeken naar een biografie.
Sommige stukken op internet letten te veel op de persoon van de schrijver.
Je zegt dat we in een voor de poëzie gunstige tijd leven, met voldoende interessante dichters, maar in de teksten op internet vond ik reacties die meer ingegeven zijn door een hysterische literatuurbeschouwing, passend bij de tijdgeest. Het moet groot en wild en heftig.
Het is jammer van veel dingen op internet dat de mogelijkheden die er zijn, van discussie en informatie verstikt raken onder een struikgewas van roddel en ijdelheid. Er zitten te veel zure en bittere commentaren tussen. Ik zou het heel goed vinden als er nu eens een volwassen, poëziegerichte site kwam. Maar er zijn gelukkig ook goede sites.
De recensent?
Ja, Edwin Fagel. Maar in het algemeen ben ik wel blij met wat er over mijn bundel is geschreven. Allerlei recensenten, in kranten en tijdschriften hebben op hun eigen manier gereageerd en ieder belicht de bundel weer op een andere wijze. Ieder komt tot eigen karakteriseringen; er zijn weinig meningen waarvan ik me niet kan voorstellen, gegeven de ingenomen standpunten, dat de schrijvers daar op uitkomen. Het heeft me verbaasd dat de ambachtelijke onderlegdheid zo benadrukt werd. Die beschouw ik zelf als een basis; dat is het minste wat je mag verwachten van een beetje dichter. Wat me zelf veel meer bezighoudt zijn de beelden en de verhaallijnen en natuurlijk de onderliggende verhalen.
Als je ziet wat de critici in de hun toegemeten ruimte nog allemaal naar boven halen, mag ik niet mopperen. Bij Rob Schouten en nu onlangs bij Erik Jan Harmens zag je emotie- of ideematige reacties. Dat was heel spannend: hoe ze soms dingen heel scherp zien, hoe je als dichter verrast wordt of juist bevestigd in je ideeën.
Bij Piet Gerbrandy was ik blij dat hij me samen met Peggy Verzett besprak, want als je het mij vraagt zijn in 2005 een viertal goede bundels uitgekomen, van Willem Jan Anker, Peggy Verzett, Els Moors en van mij.
Het gaat in deze bundel om verdriet en woede over vergankelijkheid?
Mmmm, ja, niet alleen. Het gaat vooral over pijn. Ook wel gerelateerd aan vergankelijkheid, maar dat is nou net een begrip dat ik zo omzichtig wil benaderen dat het bijna niet meer als vergankelijkheid te benoemen is. Het sijpelt, om maar weer eens een watermetafoor te gebruiken, door alles heen omdat het dat nu eenmaal ook werkelijk doet, in ieders bewustzijn, in elk universum, dus ook in de bundel.
En beheerste woede?
Ja, ik vind beheerste woede veel oprechter en schrijnender dan geschreeuw, bij mensen en ook in taal. Wat ik niet wil is dat mijn eigen werk getorpedeerd wordt door het larmoyant te maken, zodat het onder zichzelf bezwijkt. Beheersing is belangrijk. Iets dat schrijnt is naar mijn smaak indrukwekkender dan iets dat schreeuwt.
Een ander element dat ik ergens tegenkwam in een beschrijving is: verwondering over wat mogelijk is en eerbied voor wat bestaat.
Ja, dat klopt wel. Pijn zit heel erg in dingen die mis gaan, die voorbijgaan, maar daarin zit tegelijkertijd ook veel schoonheid. Een soort troost bij dat alles voorbij gaat en dat je daar een houding in moet zien te vinden, is dat de werkelijkheid zich wel laat uitklappen continu, dat er veel meer is, dan op het eerste gezicht lijkt. Het gaat om het zoeken naar een verhouding tot de omgeving, een houding binnen je eigen huid, waarbij je zowel het treurige van vergankelijkheid als het ervaren van pijn, als het proberen uit te vinden hoezeer de werkelijkheid uit te rekken valt, een hele belangrijke rol speelt.
Je zegt ergens: met poëzie probeer ik de rekbaarheid van de werkelijkheid te onderzoeken. Wil je daar nog iets over zeggen?
In de poëzie wemelt het van beelden en personages die niet geheel eenduidig of betrouwbaar één beeld vertegenwoordigen, of dat nu aan de waarnemer ligt of aan de eigen verschijning. Ze zijn niet diffuus, ze zijn niet van niks gemaakt, maar ze zijn ook niet volstrekt strak in te kaderen tot één persoon, één identiteit. Ze zijn enigszins plooibaar, zoals wat mij betreft de hele werkelijkheid dat is en om die plooibaarheid betrouwbaar in kaart te brengen, moet je proberen zo zorgvuldig mogelijk waar te nemen, terwijl die plooibaarheid of die rek er nog steeds is. Dat is de sfeer waarin ik schrijf en die voor mij voor een deel ook voor onze werkelijkheid geldt. Het is moeilijk om dit uit te leggen, zonder dat het heel plat klinkt, want het is in principe een heel duidelijk idee: er is meer werkelijkheid om ons heen dan die we direct ervaren. Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt, vanuit de vooronderstelling dat het zich daar ook daadwerkelijk bevindt.
Dat verbindt je met Tsead Bruinja en Jan Baeke.
Absoluut ja. Tsead doet dat veel wilder en met meer vaart, waar ik het gestileerder en trager probeer te doen, maar er is zeker een overeenkomst tussen wat hij en ik proberen te doen.
Die werkelijkheid wordt beschreven in de bundel. Die is op het eerste gezicht alledaags, maar verontrustend. Dat vindt de lezer al in het eerste gedicht ‘Goed beginnen’
Neem hoe haar woorden glanzen
neem hoe haar mondhoeken
krullen, hoe zacht het achter
haar tanden moet zijn, neem
elke lieve lach in acht
sla geen oogopslag over
en vergeet geen moment
waarop ze spreekt of zwijgt
neem de tijd die nodig is
haar te bekijken, te buigen
in alle rust, neem ook die
in een zak, in één beweging
en wat stenen nog om boven-
drijven te voorkomen.
Het is gruwelijk wat er gebeurt aan het slot. Je zou dit gedicht kunnen lezen als een beeld van een vrouw, in een erotische situatie, maar dan staat er in het eerste terzet ‘te buigen / in alle rust’ en later wordt het geheel verzopen en het mag ook niet meer boven komen. Je kunt het ook lezen, aan het begin van de bundel, als een poëticaal gedicht, als een advies aan de lezer: lezer, je moet goed beginnen, of, ik als dichter moet goed beginnen, ik wil je iets uitleggen. Neem deze gedichten als geliefden, maar buig ze ook in alle rust en stop ze dan weg om bovendrijven te voorkomen. In de laatste interpretatie is dat lastig, want je zou toch willen als dichter, dat ze bleven bovendrijven?
Het is inderdaad als poëticaal gedicht te lezen, juist als eerste gedicht, dat is niet voor niks. Maar eerder als advies. Het is zowel een beschrijving van mijn werkelijkheidsbetrachting als een advies aan de lezer om het ook zo te bekijken en daarin speelt aan de ene kant de opbouw van het gedicht zelf een rol, namelijk zo, dat je bijna op een kitscherige manier bedrogen wordt. Je stapt er teder en lieflijk in, maar dan kom je bij het slot. Vanaf de chute gaat het mis. Het is een waarschuwing dus. Tegelijkertijd gaat het me er wel degelijk om de lezer op het hart te drukken: zo is de wereld. Je kunt haar teder benaderen, maar realiseer je dat het uiteindelijk gewoon kapot moet. Want ja, dat is nu eenmaal zo.
Wat in dit gedicht opvalt is de professionele vaardigheid: kijk maar naar de klankopbouw. De zachte à aan het begin en de ee en ij aan het slot. De ij begint al aan het slot van het tweede kwatrijn, net voor de volta.
Heb je dat heel bewust gedaan, die assonantie?
Ja, juist hierbij. Ook de sonnetvorm. Het is allemaal bedoeld om vanuit het eerste gedicht de lezer bewust te maken van het gevaar van de eerste indruk. Het gaat bijna over de top wat dit soort trucjes betreft.
Het laatste gedicht heet ‘Wat er nog is’.
De sterren waartussen jij zonder plan
een plaats nam, de lucht
die zich zonder aandacht
om het land, het veld
de stad sluit
de grond waarop de bomen
zonder bekommeren
hun plaats hebben gevonden
het water dat onverschillig twee
eenden draagt naar waar
een man de laatste kruimels
uit het plastic schudt.
Daar heb je ‘De sterren waartussen jij zonder plan’. Dat doet denken aan het beroemde gedicht van Huygens (‘Sterre’): hij zet zijn gestorven geliefde in de hemel. ‘Ik verlang in het eeuwig licht te zien zweven / Mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn God, mijn Sterre en mij.’
Het gaat hier over de dood van iemand.
Het is een parallel gedicht met het eerste, vanwege de plek. Ze zijn destijds geplaatst in het poëticanummer van Kraketau.
Dit gebeurt alle twee aan de waterkant, misschien wel een uur achter elkaar en misschien maar een meter van elkaar. Zulke verschillende dingen kunnen gebeuren op bijna dezelfde plek. Ik vond het belangrijk te beginnen met het een en te eindigen met het andere.
Dit is het oudste gedicht dat er in staat en het was geschreven naar aanleiding van de zelfmoord van een medestudente. Het gedicht is los komen te staan van die aanleiding.
Waar het in wezen om gaat is dat we in een wereld leven, waarin geliefde of bekende personen sterven, als jonge katjes in een zak! En waar je woedend over kan worden is de totale onverschilligheid van de omgeving, hier het water. In de hele bundel is die verdrinking prominent aanwezig.
Ja, klopt.
We kunnen ons niet neerleggen bij het feit dat zo iemand zo maar weg is.
We zullen dat hoe dan ook wel moeten doen. We zullen er een vorm voor moeten vinden en dat kun je doen door iets aan jezelf te veranderen of door iets aan je omgeving te veranderen en daar gaat het steeds om in de bundel. Hoe je je eigen identiteit afstemt op de realiteit en hoe je de realiteit probeert af te stemmen op jouw aanwezigheid. Dat is wat de vloeibare jongen steeds doet.
Dat is de kern. En daarbij komen pijn en verwondering steeds om de hoek.
Proteus, de zoon van Poseidon, herder van de zeeleeuwen, die zich niet laat vangen, aanzegger van onheil, die ontsnapt door steeds van gedaante te veranderen!
Nee, Hermes, mijn lievelingsgod. Ik hou heel veel van de Griekse mythologie. Het lijkt platgetreden, maar daar is voor mij nog zoveel te halen! En toch zie je daar in de bundel eigenlijk niets van. Het is af en toe een beetje verstopt, maar je wordt er niet mee dood gegooid. Het zou je niet eens kunnen opvallen, maar het voedt wel veel van wat er staat.
Rob Schouten had het over Ovidius’ Metamorphosen; dat vond ik leuk. Ik verstop het. In de vorm zijn er dingen, maar men ziet dat niet zo gauw. Het derde gedicht van de titelreeks is een dialoog, een acrostichon: daar vind je Hermes en Athene. Heel oude vormen kunnen zo maar weer functioneel worden. In dit gedicht zie je dat het een door de een en het andere door de ander gesproken wordt.
Broertje en zusje! Hermes is ook. psychopompos: hij brengt de zielen naar Charon en blijft alleen achter.
Dat is de situatie waarin wij staan als wij onze naasten verliezen.
Als we verlies ervaren, hoe dan ook.
Het valt me nu op, nu we het er over hebben dat dat ook de manier is waarop het eerste gedicht werkt en dat het ook de handeling van Hermes Psychopompos is, namelijk echte, oprechte betrokkenheid, zorgvuldigheid en tederheid aan de dag leggen en dat we uiteindelijk toch er een streep door moeten zetten.
Je kunt die laatste strofe dus positief lezen: we moeten met onze doden afrekenen. In de Griekse mythologie is het begraven zo belangrijk, want je moet verder.
Je moet het loslaten, hoe prachtig en waardevol het ook is.
Het mag niet meer bovenkomen.
In het laatste gedicht gaat het over de onverschilligheid van de natuur. Zie je trouwens dat er eerst staat ‘zonder aandacht’, dan ‘zonder bekommeren’ en dan ‘onverschillig’. Ook weer het spelen met de klank. Dat zul je wel niet bedacht hebben?
Nee, het omgekeerde is wel waar, dat je aan de schrijftafel gaat verminderen als er al te veel assonantie is. Ik zoek het niet op, maar je moet het wel in de hand houden.
Die eenden die gedragen worden door het onverschillige water: zo is het gewoon, zo kaal is het, maar het is ook mooi. En de moeite nemen om die laatste kruimels uit het plastic te schudden, getuigt toch ook van betrokkenheid, liefde zelfs.
Wat er nog is; een opdracht aan de lezer. Er is iemand weg, ze staat tussen de sterren. Ik mag het niet steeds laten bovendrijven. Wat er nog is: die kruimels brood uit het zakje schudden.
Ja, en een lege, maar mooie en volstrekt zijn eigen gang gaande wereld.
Ja, natuurlijk! Je kunt er woedend over worden en je kunt zeggen: nee, mooi.
Ik hou van kale dingen. Die emotioneren me eerder dan dat ze me imponeren. Dat geldt ook voor waar je naar kijkt. De strakheid van een afbeelding, een vel papier in een lijst waar vrijwel niets gebeurt, kan me zeer emotioneren. Dat geldt ook voor een landschap. Een vol landschap kan je imponeren of je kan het als mooi ervaren, maar ontroerd raak je pas in een landschap dat zo kaal is dat de echte schoonheid naar boven komt.
Je hebt een wereldreis gemaakt? Je bent ook in Bosnië geweest?
Nee, ik ben wel een keer in Kroatië geweest, maar dat was gewoon als vakantieganger. Die ‘wereldreis’ was in Latijns-Amerika. Esther en ik zijn een half jaar daar geweest. Dat was heel mooi en goed. We studeerden beiden nogal intensief en op het punt aangekomen dat we wisten: als we nu onderbreken, maken we de studie wel af, zijn we er een jaar tussen uit gegaan. We hebben een half jaar gewerkt om het geld te verdienen voor de reis. Toen heb ik ook geleerd in haar aanwezigheid te schrijven. Normaal doe je dat niet, maar als je helemaal op elkaar bent aangewezen en steeds bij elkaar bent, moet je soms wel je eigen dingen doen. We hebben ook geleerd te genieten van de dingen om ons heen; niet zo maar constateren dat iets mooi is, maar echt er van genieten. Ze heeft ook een plek gekregen tussen mijn meest waardevolle lezers, die kritiek kunnen geven.
Je hebt eerst iets anders dan Nederlands gestudeerd?
Ja, heel kort. Planologie. Ik dacht dat het een goede keus was. Ik zat op een conservatieve, nogal elitaire middelbare school waarvan het hogere kader zeer rechts was en het docentenpark redelijk links. Veel docenten vonden mij waarschijnlijk wel leuk omdat ik als punker, met hanekam, toch geïnteresseerd was in de leerstof en ook goede resultaten behaalde. Ik vond naar school gaan belangrijk en leuk. Verder toneel en bandjes en uitgaan. Ik had een pakket dat niet erg duidelijk was. Ik koos gewoon vakken die ik leuk vond. Sommige docenten overschatten mijn overwegingen en vroeger naar mijn plannen. Bij de keuze van een vervolgstudie heb ik gekeken wat het beste aansloot bij mijn vakkenpakket, een rationele overweging. De studie planologie sloot dacht ik goed aan bij mijn maatschappelijk idealisme van toen: een betere vorm geven aan de openbare ruimte. Dat idee werd er in de eerste maanden van die studie volkomen uitgeslagen. Men liet ons al snel zien wat ons voorland was: in gemeentelijke of provinciale commissies en dat voor de komende veertig jaar. Ik schrok van de vastgelegdheid en de grijsheid. Mijn eerste reactie was stoppen met de studie en de tweede bedenken wat ik dan moest gaan doen. Ik dacht: laat ik nu dan maar alleen op mijn belangstelling afgaan. Ik lees en schrijf graag en nu ga ik een studie doen waarbij dat gelegitimeerd kan.
Na het eerste gedicht volgen drie Roza-gedichten. Eerst is ze een klein meisje. Iemand las het als de bekentenis van een meisje dat misbruikt is door haar vader, maar ik las het als een bijna mythisch verhaal over meisjesfantasie.
Beide leesmogelijkheden zijn geïntendeerd. Het is te lezen als een zeer dreigend plaatje, heel realistisch, maar je kunt Roza ook begrijpen als een verbeeldingsrijk kind. Ik hou van de dubbele mogelijkheid. Uit ‘Roza wacht’ blijkt dat er toch iets gebeurd is met haar, want ze gaat daar op zoek naar een houvast. Ze probeert in een uitgewaaierde werkelijkheid de elementen weer bij elkaar te krijgen. Dat zie je aan de typografie. Ik doe dat in de bundel nog één keer (‘Reef’, p.50). Aan het slot zie je de twee heren als een soort Hinderickx en Winderickx naar buiten komen. In beide gedichten gaat het om het meisje Roza, eerst een kind en decennia later terugkijkend, letterlijk via de video. Ze spoelt de beelden ook mentaal terug, fluviatiel. Uiteindelijk gaat het om een fictieve figuur die worstelt om houvast te hebben. Iemand die het las informeerde bezorgd of het wel goed ging met mijn zusje. Ik moest er om lachen, maar het verwonderde me ook wel. Roza is een fictief personage.
Athene is de zus van Hermes. Zij zegt in jouw acrostichon: ‘Alles wordt alleen maar lichter, lief broertje / tussen jou en mij’.
Ik moest bij het lezen van je bundel denken aan Ophelia en dan vooral aan het schilderij van John Everett Millais.
Je kunt de Hermes-strofe uit ‘De vloeibare jongen III’ bijna letterlijk lezen als betrekking hebbend op de verdronken Ophelia.
‘Hier had je moeten spinnen, mijn vogeltje
en hier braken de golven het laatste stukje lint
rolde een kolk het laatste bootje op zijn kant
maar nog deed je niets dan zwellen en verbleken
en in steeds meer kleurloze stukjes verdeeld raken
steeds meer steeds kleinere losse vlokjes.’
Het is nogal dramatisch voor goden om te sterven of om met de sterfelijkheid van de ander geconfronteerd te worden. Ook een god moet dan ergens troost vandaan halen. Het is het onverwachte effect van zijn keuze in het eerste gedicht geweest, dat hij niet kan voorkomen dat zijn eigen onsterfelijke zus verdrinkt, zoals ze dat in het tweede
gedicht gedaan heeft. Hij begrijpt er ook niet zo veel van, want dat past niet in het referentiekader van een god. De dialoog in het derde gedicht is aan de ene kant zijn ontreddering en aan de andere kant de mogelijkheid tot troost. Zie haar advies om weer vaste vorm aan te nemen, opdat hij zelf voort kan leven. Het nadeel van een rivier-zijn, vloeibaar-zijn is dat je niet zo gek veel spierkracht hebt. Doordat hij helemaal rivier geworden is, is hij niet in staat om zijn eigen zus te redden.
In de laatste afdeling is geprobeerd één verhaal over verschillende schakels te vertellen. Daarom zijn ‘De vloeibare jongen’ I, II en III niet gewoon achter elkaar gezet, omdat er synchroon aan dat verhaal vergelijkbare verhalen ook plaats vinden. Het is het aanbrengen van samenhangende lagen die over verschillende schakels gespeeld worden. Ik vond het spannend om dat te doen, want ik wist niet of het zou werken. Je bent immers zo gewend bij een gedicht in drie delen dat ze achter elkaar staan. Het doet denken aan een filmschakeling: ‘Meanwhile in another part of town…’. En toch is er samenhang.
Het drama begint in ‘Familiefoto’- daar heb je die sjaal al trouwens: ‘waar kijken ze naar / de jongen rechtop / de hangende poes.’
De eenvoud van de taal en het geheimzinnige van het schijnbaar gewone doet me aan Nijhoff denken.
Nijhoff heeft veel invloed op me gehad. Het was een heel avontuur tijdens mijn studie om zijn poëtica te leren kennen. Vooral ‘Een dichter schreit niet’ (van Van den Akker) heeft veel indruk op me gemaakt. We zijn intussen een stuk verder in de tijd, de toepasbare waarde van de poëtica van Nijhoff heeft aan waarde ingeboet, maar nog altijd, is het voor mijn lezen en schrijven van fundamenteel belang geweest.
Je kent ‘De wandelaar’ van Nijhoff: eerder toeschouwer dan deelnemer.
Dat heeft iets te maken met de afstandelijkheid. Ja, met dit verschil dat ik datgene waarnaar ik kijk wel zelf gemaakt heb.
Niet altijd! Je beweegt je in de werkelijkheid die je beschouwt.
Nu komt er een lastig onderscheid, dat sterker geldt voor de poëzie en ook voor het optreden, omdat je dan te maken hebt met een werkelijkheid die je voor een groot deel zelf in elkaar geknutseld hebt. In het gewone leven is dat minder, omdat je dan te maken hebt met een werkelijkheid die zich aandient en daar moet je wat mee. Ik denk dat ik participerender in het leven sta, dan in de poëzie.
Er zijn nog meer overeenkomsten met Nijhoff: de lichte voorkeur voor het surrealistische, zoals in ‘Het uur U’ of ‘St. Sebastiaan’ of de voorkeur voor mythologie.
Hij doet dat veel explicieter. Bepaalde keuzes worden anders gemaakt. Nijhoff is van de jaren dertig van de vorige eeuw. Dat scheelt nogal. Bepaalde fundamenten komen wel overeen, maar er is erg veel gebeurd tussen Nijhoff en mij. We kunnen niet meer als Nijhoff schrijven.
De andere oude dichter is natuurlijk Van Ostaijen. Ik neem een aantal keren mijn pet voor hem af in deze bundel.
Ja, zelfs letterlijk op p.37: ‘dag pijp en pet dag lief suikersoldaatje / op de fiets van chocola dag pa dag ma’.
Ja, alleen is het hier omgekeerd als bij Marc. Hier is het een oude dame, die al bijna weer naar bed gaat.
Een latere belangrijke dichter voor mij en mijn vrienden, zoals Jan Willem Anker, Alfred Schaffer en Tsead Bruinja is Martin Reints. We lazen hem natuurlijk eerder dan we hem ontmoetten, maar we hebben veel waardering voor de ideeën die hij aandraagt. Zijn essaybundel (Nacht- en dagwerk) is een vat vol voeding voor ons. Dat geldt ook voor de essays van Tonnus Oosterhoff (Ook de schapen dachten na). Reints en Oosterhoof komen tot beelden of doorgetrokken gedachten die prachtige voeding voor poëzie zijn.
Jullie delen een nadenkelijk poëzie?
In elk geval Jan Willem en ik. Tsead is vlotter, meer associatief. Wat gebeurt er in je kop? Wat is en hoe werkt waarneming?
Wat ik met Jan Willem deel is het feit dat de visuele waarneming in onze gedichten sterk aanwezig is. Dat geldt trouwens ook van Jan Baeke en Alfred Schaffer. Ik geniet veel van muziek, maar ik geniet het meest van wat ik zie.
In de tweede reeks laat je je werkwijze zien. Je neemt iets uit de werkelijkheid, hier een film, Orbis Pictus, die je half vergeten bent. Waarom spreekt die film je zo aan? Omdat daar dingen gebeuren die jou op een half bewust niveau aanspreken.
Ja, in deze film van Martin Sulík, en misschien nog meer in The Garden, gaat het om het herkennen van een sfeer die een heel universum veronderstelt, waarvan ik het gevoel en het idee heb dat het heel dicht ligt bij mijn eigen perceptie en voorkeur. Zijn werk sluit heel erg aan op wat ik doe.
Je pakt materiaal dat fictioneel is, maar je zegt daarmee iets over je eigen zienswijze en de eigen ervaring.
Dat is het mooie. Het zijn personages in die film, maar die weerspiegelen mijn eigen ervaringen. Het is zelfs moeilijk op een geven moment ze uit elkaar te houden. In deze reeks, die chronologisch is opgebouwd, raakt het steeds verder van die film vandaan. Het wordt steeds meer een eigen verhaal. Ik probeerde in deze reeks ook om daadwerkelijk een plot te ontwikkelen, terwijl het toch poëzie moest blijven en elk gedicht op zichzelf moest kunnen blijven staan.
Ieder van de vier afdelingen wijkt op een bepaalde manier af van de andere – deze misschien het sterkst – maar ik ben er tevreden over dat je de gedichten ook los kunt lezen. Alleen het laatste genummerde gedicht is zo duidelijk een finale dat het lastig is het als geïsoleerd gedicht te lezen; en het gedicht ‘Voorhuis’ is eigenlijk ook een scharnier in de reeks. Dit stond wel ooit in een andere versie los in Vanuit de lucht in 2001, maar dan wordt het wel een beetje schimmig geloof ik.
Je zou kunnen zeggen dat je de elementen uit je eigen leven als een fictie behandelt.
Dat zou je kunnen zeggen en tegelijk ook van pure fictie. ‘Roza’ is niet gebaseerd op iemand. Maar dat doet de werkelijkheid ook met jezelf. Ik kwam op een gegeven moment een tekening tegen op een tentoonstelling en ik dacht: dat is de vloeibare jongen! Dingen kleven aan. Dat vind ik een verschrikkelijk mooi verschijnsel.
Wat we zien zijn wezelf. Gelukkig komt dat voor een deel overeen met wat een ander ziet, anders begrepen we elkaar nooit.
Ja, en dan het zo verwerken dat ik het met een ander kan delen. Dat is het mooie van menselijke uitingen in het algemeen en ook van poëzie.
In de afdeling ‘Plaatjes en kaarten’ zit een oude vrouw die met foto’s bezig is.
Wat betekenen die data?
Het zijn een soort brieven, waarboven een locatie en een datum hoort. Ik heb de plaats weggelaten. Het begint in Spanje. Later waren het Oost-Europese locaties, maar ik vond het wat potsierlijk om die in de bundel te vermelden. De data bleven over. Die zijn alleen maar bedoeld om aan te geven dat de tijd verloopt. Het is voorjaar aan het worden. 21 februari is in Tsjechië. We waren in Praag. Daar is een eilandje in de rivier met een jeugdherberg en daar overnachtten we. We werden geëvacueerd vanwege overstromingen. We zouden naar een middeleeuws stadje, maar dat stond onder water. We raakten volkomen geïsoleerd. De brieven zijn geschreven door iemand die blijkbaar weg is bij iemand anders. Ik koos als dichter een personage.
De dichters die je net noemde en bij wie je je thuis voelt, zijn, anders dan dichters vroeger, actief bezig zich in de literaire markt te positioneren. Tsead Bruinja is daar een meester in. Hij weet precies waar en met wie hij moet zijn om aandacht te genereren. Optreden, internet. Poëzie in Carré was destijds iets heel bijzonders.
Ik vond de reprise heel aardig. Het was zo anders dan toen. Je zag heel goed dat er in die veertig jaar een ontwikkeling is geweest, waardoor je nu de huidige situatie hebt. Nu is er die rijkdom, de belangstelling en de verschillende plekken.
Je doet nu zelfs mee aan een project ‘Dichters dragen couture’.
Daar zit geen promotiekant aan. We zijn vrij coöperatief ingesteld, niet alleen naar dichters, maar ook naar kunstenaars van andere disciplines. Het gebeurt in de praktijk veel minder dan je zou verwachten, maar op het moment dat een organisatie het idee heeft om een stel debutanten te laten kleden door een modeontwerper, denk je: dat is prachtig. Ik kende toevallig het meisje dat dat project ‘deed’.Als je het in je schema kunt inpassen en je hebt er de energie voor, dan ga je dat aan.
Zou je ook voor een commercial optreden?
Ik geloof dat dat wel iets heel anders is. Ik ga geen wasmiddelen aanprijzen. Het moet wel met mijn werk te maken hebben.
Zou je bijvoorbeeld een nieuwe museumkaart willen promoten?
Hebben we dan zelf iets geschreven voor die kaart? Staat er op die kaart een gedicht van ons?
Nee. Je hoeft de kaart alleen maar te promoten.
We zijn geen acteurs. Ik ben niet tegen opdrachten, maar ik wil aangesproken worden op mijn eigen vak. We zijn niet geschikt als ‘bekende Nederlanders’. Dat ambieer ik ook niet. Als ze me vragen een gedicht te schrijven voor de museumjaarkaart-actie…dat zou een aantrekkelijke opdracht kunnen zijn. Dat voedt ook weer, want je moet je op iets nieuws richten. En als een tijdschrift een fotoreportage wil maken, is dat goed. Je maakt je afwegingen per geval.
Vormen jullie een groep?
Dat is heel moeilijk. Sinds 1989 is zoiets niet meer aan de orde. Er is misschien wel honger naar zo’n groepsvorming, maar het is moeilijk om daar mee om te gaan. Ik weet heel goed waar mijn affiniteiten en referenties liggen ten opzicht van mijn leeftijdsgenoten en iets oudere dichters. Ik voel met bepaalde dichters echt een verwantschap, met besef van de verschillen, maar we willen ons niet als groep profileren. Het zou kunstmatig zijn en bovendien is de huidige situatie vruchtbaar genoeg. Het zou ook te beperkend zijn voor het beeld dat je van jezelf geeft. Er zijn te veel verschillen in uitgangspunten en de manier van uitwerken om een groep te vormen. Ik hou het meest van de dichters die ik eerder noemde en daar voel ik me thuis. Iemand als Peggy Verzett schaar ik ook onder de belangrijke debutanten van 2005. Ik vind het gaaf wat ze doet, maar ze is anders dan Jan Willem Anker, omdat ik weet wat ik doe en wat ik wil doen in mijn werk sterk verschilt van wat zij doet. Dat heeft niks met leeftijd te maken. Lucas Hüsgen? Dat vind ik een heel moeilijke. Volgens mij ben ik te dom om hem te lezen.
Is het gezwets?
Ik ga liever uit van wat ik net zeg. Ik kan met hem niet mee. Als ik als recensent zou moeten oordelen, zou ik de nadruk leggen op het verschil in perceptie van de wereld tussen hem en mij. Ik kan niet eens aangeven of het aan hem ligt of aan mij. Ik kan alleen maar constateren dat het te ver gaat voor mij. Ik kan er niet bij en dat gebeurt niet zo gek vaak. Kees Ouwens? Daar kom ik uiteindelijk wel mee uit. Kijk, je hebt natuurlijk een beperkte tijd en energie en ik lees heel graag poëzie en veel poëzie, maar ik moet door het werk wel getrickerd worden. Nachoem Wijnberg is ook niet een van de gemakkelijkste, maar voor zijn werk wil ik wel moeite doen. Op Peter Verhelst wilde ik afstuderen. Eerder had ik de Russen leren kennen en ik was daarvan onder de indruk, zozeer dat ik een tijdje dacht: waar hou ik me in de studie Nederlands dan eigenlijk mee bezig? En wat stelt het Nederlands proza dan helemaal voor?
Daarna leerde ik het proza van Peter Verhelst kennen en ik dacht: hé, dit is Nederlands! En dit is goed! Ik wilde afstuderen met poëzie en dat schreef hij ook. Dat zou dan ook wel heel goed zijn. Ik had al een idee opgezet voor de scriptie, maar ik raakte zijn poëzie lezend heel erg teleurgesteld, want ik vond het helemaal niet goed.
Geert Buelens vind ik wel goed. Het is aan de ene kant heel afgewogen en aan de andere kant heel emotioneel, heel authentiek op een manier die ik verder niet zoveel terugvind. We hebben het over moeilijke dichters. Het is goed om af en toe een recensie te schrijven. Dat dwingt je om goed te kijken. Als ik over Wouter Godijn geen recensie had geschreven, was hij me misschien ontgaan. Zijn laatste bundel vind ik een van de beste van vorig jaar. Er is veel goeds: Astrid Lampe, Tonnus Oosterhoff. We leven in een rijke poëzietijd.
zondag 7 februari 2010
DE ALICE VOORBIJ
De Alice voorbij
Door de industriehaven varen
we de Alice voorbij, leeggestript
roestig, wacht zij tot ze wordt gesleept
naar het vreetdok, stalen tanden.
Niet meer aan water denken
wat wankelt zoekt verbinding
met vuur en eindigt, in stromend
ijzer, maar nu nog de aangroeiende
zeebaard, de geur van mannen
in het stuurhuis, drinkend in de roef
en vroeger de stoomketel, enkelvuurs
vervangen door de 110 pk Blauwe Deutz.
Het brandmerk nog op de huid
kettingoverbrenging naar het roer.
Uitzicht op bakken met stalen rommel
grijpers, kranen, in fragmenten
laatste vaart, weg uit dode rivierarm.
-
Schepen
Waar het schip opduikt
is de liefde niet ver weg
zij is juist langsgekomen
of wacht gretig op de kade.
Het schip met masten zeilen touwen
vaart als de blinkend witte pauw
heen en weer van kade naar kade.
Het wil stormen en windstilten doorstaan.
Een zwaan met opgestoken veren
een nauwelijks bedwongen kracht
glijdt door het water
verlangend naar bewondering
klaar om toe te slaan.
-
Achter de grenzen...
Achter de grenzen zijn wij weerloos.
De wereld is een gevaarlijke plaats
alsof er een afvoerput bestaat
die wat je denkt te begrijpen wegtrekt.
Leve de zeeën, bossen en bloeiende hei.
Leve het leven in de oude krant
toen je nog niet wist waar het heenging.
Je bouwt een hek om de siertuin
graaft een vijver die blijft staan
ziet de muren van het woonhuis beven
midden in een lichtgroen bosbegin.
Ondertussen...
Ondertussen zit de stenen tijd
als jonge vrouw op haar stenen zetel
met de duif in haar bloedwarme hand
die zich elk moment kan verheffen
maar nu in alle rust bewogen
blijft en denkt aan hoe zij
uit kan vliegen door duisternis
over water naar een te bouwen nest.
De verminkte vingers van het meisje
houden haar niet: zij kijkt weg
droomt van een behouden huis
vergeet de duif die bij haar blijft.
Een jonger zusje...
Een jonger zusje verdrinkt weer.
Haar foto's vervagen, de negatieven
zijn onvindbaar, maar wij zullen haar
niet vergeten tot wij zelf vergeten zijn.
Een kamer zonder kind; er komt
een volgend seizoen, al was het de winter
of de lente en we zullen begeren
en kou lijden. Zij zit voor op het zitje.
De fiets gaat naar de dijk en de haven.
Ik stuur en ik trap tegen de pedalen.
Begraaf mijn neus in haar krulhaar
laat haar de golven zien en ruiken.
Als alles...
Als alles altijd al bestond
zouden wij niet ademen; de aarde
zou verbrand zijn in het licht
van alle zonnen: wij leven
omdat wij ooit niet leefden
verbleken omdat wij gelezen zijn.
Het is 's nachts donker omdat
alles ooit begonnen is met licht.
Als liefde altijd had bestaan
zouden wij verteerd zijn: dank zij
de immense onverschilligheid
kunnen wij soms houden van elkaar.
De vrouw...
De vrouw zit op haar hurken bij de put
wasbord tussen de knieën.
Zij lokt mij over de lange weg.
Ik ben veilig tot bij de put.
Neerduizelend naar het donkere
stille water, zonder spiegeling.
Het verlangen draagt al toenadering
in zich en de vrees de overgang
naar de vlucht. Ik wil niet mee-
genomen worden, ik blijf staan
beantwoord haar glimlach, kies
een andere weg, die ik maak in het gras.
De tunnel...
De tunnel onder de rivier belopen
lange betegelde gang, bijkomen
uit narcose, schijubaar uitzichtloos
een beetje vervuild. Buiten natte kou.
In het water een boot in de sneeuw.
Je stapte bijna mis op de treeplank.
De holte van het ruim verdeeld
met schotten, wegstervende echo's.
In beelden patronen zien opbloeien
uit wat je eerder zag, zodat de tekst
in mijn hoofd zich groepeert rond
komende klanken.
Een compleet...
Een compleet vervallen abdij
in een doodstil keteldal
met stoffige kruisbeelden
en schilderijen waar je doorheen
kon kijken tot je wist: dit is
geworden van de mythe
die elders stinkt en toen
nog leefde - je hoort haar
in muziek, je ziet beelden
waarin je kunt geloven
maar niet meer leven nu
ademen, een kaars die stikt.
En toen laaide...
En toen laaide de oever op
op de plaats waar de brug
de overkant helder prijsgaf
hoog op tot in de hemel
zodat je nooit meer terug kon
je oog liet dwalen over water
lijnen in de lucht ging zien
de schaduw van een kleine wolk
en eindelijk in het centrum
van de vleugels in de ruimte
de gestalte van de brandende engel
oprijzend over huiverend land.
De hartklep...
De hartklep, ragdunne, buigzame
ordening van drie kleine parachute-
achtige schillen, vouwt zich op zij
laat het bloed binnen in de kamer.
Een ritme barst plotseling uit in
een onbeheerste vergeefse razernij
wegstervend als echo's in een kloof.
Zullen we nog één keer de tuin ingaan?
Cressida in Dis
Wind snijdt tot op het bot
waar zij moet kleumen rondom
klein vuur in een badkuip
bedorven vlees eet, schimmelworst
van de zwerver die zich liet pijpen.
'Hoe heet je meisje? Cressida?
Geef mij het verziekte graan van je sex
mondjesmaat, mondjegauw, mondjevol
en je krijgt mondkost in ruil
graanroest, moederkoren, bloedworst.'
Nu probeert ze te slapen, Trojaanse slet
in holen onder afval, planken
plastic lappen tegen wind en regen.
Even gaan de bloedige deuren dicht.
Morgen is er weer een dag en weer
Natuurreservaat
Hier mag zij rusten in modder
al waait het nu te hard
voor de aansteker, bevende vlam.
Hier aan de rand van het water
dat straks tot rust komt
als de wegwakkerende wind
is gaan liggen.
Ze gieten haar mond vol
haar gezicht.
Voòr de eenzame boomzwarte vork
die dan weer spiegelt, loodkleurig
terwijl in de verte enkele vogels
kalm gaan overvliegen.
God Konijn
God Konijn als beeld
blind voor wat hij aanricht.
Zijn oren staan omhoog
te vangen wat er stil is.
Zijn armen hangen laag
omdat hij niets kan doen.
Zijn smalle lijf draagt
maar nauwelijks het hoofd.
Geen lach, geen blik, geen teken
opgesloten in aanwezigheid
die hem niet raakt
maar die vanzelfsprekend
wordt geconsumeerd
zonder iets te verteren.
Ademnood
Onze Vader zo ver
of wat ons gemaakt heeft
geef ons heden en morgen
en vergeef ons onze schuld
zoals ook wij
wij ook.
Wij zullen begrijpen
proberen te begrijpen.
Hoezeer verminkt wij
voortmodderen en kruipen
en bijna stikken
van woede
al om het kleine:
waar is de viool van papa?
Ingepikt
het land, koffieplantages
zelfvoorziening, -beschikking.
Gasmasker, schuilkelder.
Breek mijn staf.
Geef mij lucht.
-
Duif
Het lijkt een opdracht, van wie?
jezelf te leren kennen, maar
we komen niet verder dan de huid.
We moeten ons neerleggen bij
wat we willen maar niet kunnen
begrijpen dat elke dag gegeven is.
Zoals een duif zichzelf optilt
naar een tak, daar even blijft
en dan wegvalt naar omhoog.
Gedragen door het verlangen
aan te komen waar hij moet zijn
laat de vogel zijn gretige poten los.
-
De libellen
Waar de zwaan zwemt met vier jongen
over het kleine kratermeer Monticchio
zweven de blauwe libellen Calopteryx Virgo.
Waar de vader zwaan de jongen bedreigt
die aan komt rennen om te vissen
vliegen rusteloos de blauwe libellen.
Waar de vader van de jongen zijn zoon redt
-angstig staat de jongen te wachten
tot de hand op zijn schouder hem rustig
leidt langs de blazende zwaan -
Daar dansen de blauwe libellen
boven het water en schrijven hun brieven
over de zwaan, de jongen, het kratermeer.
-
Vogelhut Hekslootpolder
Gemaakt, met kijksleuven
daarin richtapparatuur
in de buurt van scherfvrije onderkomens
inlaatduikers en een nevenbatterij
veenweiland, open schootsveld
vanaf de keel van het fort.
Er wordt geschoten
met kijktoestellen.
De vogels bekijken de bouwers
van een afstand
zetten luchtwachtposten uit
zien hoe de natuurbeschermers
ondiepe poelen maken
nieuwe stadsmuur van water.
Ze hebben elkaar gewaarschuwd
zoals dat gebeurt in vogelkringen.
De ganzen, kieviten, grutto's
dansen nu op gras
zwieren in de lucht
plassen in het water:
‘Jongens, hier moet je komen
hier kun je je laten zien' .
-
Hoe je je dochter moet laten gaan
Houd het jonge meisje zachtjes
tegen bij de keel en kijk zowel
bezorgd, vertederd als
argwanend. Wil je weg?
Zijn je ogen open of gesloten?
Blijf, zeg je, je mag niet weg.
Ik houd van je. Buiten
is de duisternis.
Goed, ik zal je laten gaan
maar luister naar wat
ik je vertel over het leven
ach nee, over wat ik heb gezien.
En kijk, het meisje wacht tot ze los
gelaten wordt, vriendelijk
maar vastbesloten te gaan.
Haar voeten zijn al op weg.
-
Reizen
Aankomen en wegdraaien
hoog in de lucht opsperren
zodat je de hemel ziet
als een boek dat zich bloot
legt, terwijl je doorgaat
over de weg die je gekozen hebt
of die jou leidde naar waar
je moet gaan volgens het principe:
hier beginnen, daar aankomen.
Tegenspartelen helpt niet.
Zwenken moet je.
Tenslotte vouwt zich alles
weer dicht, omdat je bent gekomen
waar je dacht te moeten zijn.
-
We gaan nu…
We gaan nu aan de zijkant
van de weg staan
met onze rug naar
de samengebonden palen.
We kijken niet hoe de weg loopt
door het bos, kalm over de heuvel.
We zetten onze hielen tegen elkaar
de neuzen van onze gepoetste schoenen
iets uiteen.
We houden in onze hand
de paraplu en de hoed
want de zon schijnt.
De schaduw op de weg
laat de ronding van de handgreep zien.
We zijn een heer, zij het
een ietwat verlopen heer.
We kijken dwars over de weg
niet naar het verleden
nog minder naar de toekomst.
-
Veertien was ik…
Veertien was ik, onder de kerstboom.
Hij zeven en zeventig.
De kamer rook naar mandarijnen
toen hij, ver weg, in de bergen
ging wandelen voor de laatste keer
zonder overjas.
Ik kende hem niet.
Het was niet erg koud.
Het sneeuwde zachtjes
de weg lag vrolijk
in het verschiet.
Hij stapte stram voorwaarts
zijn vaag-rode stropdas om zijn hals
hoed stevig op zijn hoofd.
En toen hij, ver van Hersiau
in Appenzell-Ausserhoden
tot stilstand kwam
tegen een hoopje sneeuw
zag hij voor het laatst
de lichte vlokken waaien.
Hij dacht misschien
aan de jongen die hij was
die cadeautjes kreeg en aan zijn moeder.
-
Het oude Aswan museum
Vijf naalden op hun punt
willen dansen met elkaar
maar vastgehouden door
onzichtbare draden staan zij
stil voor de kijker
op de spitzen, in een bleek licht, doodstil
roestig, dik of smal, gebogen
los van elkaar, voor altijd gevangen
niet in een hand, maar
achter vuil glas, willen
omhoog, omhoog.
Een jonge vriendin
die zo sierlijk kon lopen op haar voeten
de kleine.
Vijf vingers als naalden
om mijn keel, op borst
en buik.
-
Beweging
Wat is de beweging die je maakt
tijdens eens gesprek: en toen
zei ik: ja, het was een gelukkig toeval
dat ik die weg insloeg.
In de woorden voel je de zwaai naar links
die je maakte. Wat was het? Een weg
een zandpad? Bomen aan de kant
groene houten huizen verderop
waarvan de deuren openstonden
waarin je werd toegelaten, bloemen
gastvrijheid, een gelukkig toeval
of toegeven aan de weg die je moest gaan?
-
Oude vrouw
Toen je je ogen nog niet
helemaal sloot en vroeg
‘Hoe lang duurt het nog?’
toen je je verlangen naar elders
nauwelijks kon bedwingen
en luisterde naar het kloppen
van het bloed in je hoofd
en de herinnering aan de zang
van de bruid: ‘Wenn kömmst du
mein Heil?’ en heel ver weg
het antwoord hoorde: ‘Ich komme
dein Teil’, toen wilde je ook zingen
maar het ging niet meer.
Iets ruisde in de ruimte
en in je oud geworden meisjes-
lichaam fluisterde het bloed:
‘Ik kom, zoals ik ben, ik kom
naar een ander land
waar ik nieuw en anders ben.’
-
Oma en kleinzoon
Ze staan op de helling
te kijken naar de zon
die hij naar beneden duwt.
Hij wijst ruim erboven
zij volgt met haar wandelstok
maar wijst twintig graden oost.
Nee, zegt hij, daar, met de gloed
van de zon op zijn voorhoofd
en dan gaat het plotseling hard.
Terug moet hij haar helpen
door het donkere gras.
Zij gaat met de stok
hangt aan zijn arm.
Wie doet de wolken, vraagt ze
Breng me naar binnen
terug naar het vuur.
-
U
‘Zeg, ken jij de mosselman?’
Ja, die kende je nog
aarzelend, zacht meegezongen
en je had ook wel gehoord
van de zeven der zeven
al was je de zes vergeten
maar het Wilhelmus
kende je nog heel goed
daar konden de broeders
en zusters niet tegen op.
Ik had nog nooit jij gezegd.
-
Val
Wij zochten op het land
tussen de kuilen
vonden drie piketten
aangepunt rondhout
beschilderde paaltjes
op onbekende afstand van elkaar.
De eerste gaf de breedte aan
de tweede de lengte
en de laatste één vadem diep.
Mijn moeder kon vliegen
roeien in de lucht
maar verloor steeds meer hoogte.
Hier was ze neergestuikt
machteloos omlaag getrokken
lag ze één vadem diep.
-
Familie
Hoe we kijken naar elkaar
maar niet terug.
Ze zit op de rugleuning
van de oma-fauteuil
waarin op de rand
van de zitting haar moeder
kijkt naar een andere dochter
die wegkijkt en de kluwen
wol in haar handen vergeet.
De draad gespannen
naar haar oudere zus
modieus, rechtop
in de feestelijke jurk
de handen met de streng
stil en werkloos.
Alles gebeurt hier
in één moment van licht
van de staande schemerlamp.
-
Wild
Hoofddoek om, zij, uit de zandstorm
en in het naderkomen groeien
haar ogen tot zonnen, wild.
Roofvogel op rots.
Geen roofvogel, meisje nog.
Haar mond een vrucht.
Zij zal alles geven in wildheid
weet het niet
haar ogen evenmin.
Twintig jaar later weet ze
wat de liefde geeft
en neemt.
Zij beschermt haar jongen
met een mes.
Versleten hoofddoek.
Scherpe neus
nog altijd de ogen
minder rond maar waakzaam.
-
Den Helder
Zo helder is het niet zo zelden
hier aan de zee, waar de wolken
schijnen in het water, kijk
daar is het blauw, daar lichtgrijs
en waar de visser zijn lijn ophaalt
is het zo doorzichtig en scherp
dat de lijn breekt en zijn lood
op de bodem blijft
tussen de witgepokte stenen.
Het water een spiegel, geen metafoor
en landinwaarts de stralende waterhemel.
Alles staat in lichtelaaie
te weerkaatsen, waterglans
en lichtgezicht
een durend magnesiumlicht
lichtscheermes, brandhelder.
De visser herstelt kalm zijn lijn
werpt zijn nieuwe lood
dwars door het glas.
-
Tong
Alsof hij spreken wil
tot alles wat voorbij schiet
vogels, automobilisten
maar het hoeft niet.
Zo hoog als een cypres
vier meter breed, toch
bijna zwevend boven gras
Hij houdt zich stil
staat kopergroen tegen
het blauw of onder
langstrekkende wolken
omglansd in de ruimte
ontvangt hij het licht
als genade, waarheid.
Tong om zonder taal
schoonheid van nu
en toen te proclameren.
-
Huis
Je kijkt naar een schilderij
je ziet wat anders
dan de vrouw die naast je staat.
Als zij tegen je zegt: ‘O, intiem!’
Kijk je verbaasd naar de kleur
van haar ogen, haar lippen.
Het lijkt te branden: hoe lang
duurt het nog voor het open
barst en niet meer staat
op de plek waar het is gebouwd?
Maar zij zegt opgewekt: ‘Hier
trek ik in, ga je mee?’ Maar
jij zegt: ‘Laten we naar buiten gaan.’
-
Deur
Oud hout en groen, zonder klink
of knop: de deur waar je voor staat.
Hier moet je naar binnen, maar hoe?
Ik weet wel wat achter de deur
te vinden is: over de drempel
het landschap met diepe luchten.
Wolken die wegzeilen, overweldigend
licht dat weerspiegeld lijkt door water.
Je weet wat je te doen staat daar.
Het landschap intrekken, waden
door gras en kniediep water
terwijl je overal vogels hoort.
-
Fransum
Zomer in Fransum
mals gras tussen de graven.
Dunne vogels duiken
uit de waaiende luchten
als harde oorlogsjagers
boven de huizen van dit land.
Je kunt heel lang kijken
vanaf de oude hoogte
over het groene stille land
zie je steeds een schutter sluipen.
De oude bomen schommelen
als pantserwagens gecamoufleerd
langs de lege ringgracht
en de middeleeuwse kerk bewaart
honderd geschonden lijken.
-
Kerkje Middelbert
Iemand vraagt: maar hoe
worden de doden opgewekt?
Wat voor lichaam krijgen ze?
‘Zaad moet sterven voor
het tot leven komt
wat je uitzaait
is nog maar een vormeloze
graankorrel of iets dergelijks.’
En die kleine dan, die nog geen dag
leefde en hier nu ligt met haar beertje
op het zand, tussen de bloemen
natgeregend, vaal?
‘Alle vlees is niet hetzelfde
mensen, vee, vogels, vissen
hebben een ander soort vlees.’
Maar de baby, vlees en botten
haar glimlach nog even
of was het een grijns?
Vingen haar oogjes nog licht?
‘Er zijn lichamen aan de hemel
lichamen op aarde
maar de schoonheid
van hemellichamen
is anders dan die van aardse.’
Komt ze terug
in een ander, sterker lichaam
en blijft ze dan even
bij ons hier in Middelbert?
‘Iets vergankelijks wordt gezaaid
iets onvergankelijks wordt opgewekt.’
-
De zonneplek
De zonneplek op het plafond
die steeds kleiner wordt
en toch niet verdwijnt
temidden van het koele grijs
van de balken, het licht wit
daartussen, de compositie
van de vlakken.
Hoe zou je die moeten tekenen
en kleuren in alle nuances
van wit en heel licht groen
en blauw, zoals de klanken
van het clavecimbel
die door de sleutel worden
getrokken naar het juiste midden?
En dan is de plek toch
plotseling verdwenen.
-
Inspiratie
Wij willen weten waarover
wij gaan schrijven: een put
een dennenboom, parel, slak
hoe zij langzaam kruipt
over de weg en niet weet
wanneer zij verpletterd wordt
vertrapt tot slijmerige plek
of juist net vooruit, niet
versnellend, ontsnapt, maar
dat woord lijkt al te snel
ontkomt, terwijl de fietser
allang op zijn bestemming is
haalt zij de overkant
kruipt tussen gras, onwetend
waar naar toe, aangelokt
door een geur of eenvoudig
kruipend tot ze iets eetbaars
tegenkomt en stopt
==
Aantekeningen
‘De Alice voorbij’ verscheen eerder in
Het Spaarne stroomt, redactie en samenstelling
George Moormann, uitg. De Zingende zaag,
Haarlem 2004.
‘Schepen’ verscheen eerder in
The Festival of the Seven Seas,
uitg. Stichting Delfsail 2003.
Gedichten uit de reeks ‘Achter de grenzen…’
verschenen eerder onder
de naam ‘Chaotica’ in het ts. De Revisor (1992)
‘Cressida in Dis’ verscheen eerder in Flowering Inferno,
uitg. Philip Elchers, Groningen 2002.
‘God Konijn’ verscheen eerder in Geesbrugger
Bijdragen No. 15 bij een schilderij van
Jet van Ooosten, Sub Signo Libelli 2003.
‘Vogelhut Hekslootpolder’ verscheen eerder
in Het Spaarne stroomt,
redactie en samenstelling George Moormann,
uitg. De Zingende zaag, Haarlem 2004.
‘Hoe je een dochter moet laten gaan’;
bij een litho van Co Westerik.
‘Reizen’ verscheen eerder in Water en vuur III,
samenstelling Karla de Boer-Gilberg,
uitg. Phidias, Apeldoorn 2002. (Bij een beeld,
Dansend vierkant, van Marijke de Goey,
Arnhem, Pleyroute.)
Het tweeluik ‘We gaan nu…’ en ‘Veertien was ik…’
is geschreven
ter herinnering aan de schrijver Robert Walser.
‘Den Helder’ verscheen eerder in Hier lonkt een spiegel,
samengesteld door Ruben van Gogh en Suzanne
Meeuwissen, in opdracht van
Het BUREAU interim!,z.p. 2001.
‘Tong’ verscheen eerder in Water en vuur IV,
samenstelling Karla de Boer-Gilberg, uitg. Phidias,
Apeldoorn 2004. (Bij een beeld van Rudi
van de Wint, op de Knardijk).
‘Huis’ bij een schilderij van Euf Lindeboom.
‘Deur’ bij ‘Portaal’, brons van Gert Sennema,
Folkingestraat 67, Groningen.
De citaten uit 'Kerkje Middelbert' komen uit 1 Korintiërs 15
