vrijdag 8 januari 2010

De vrouw van zwaarden


DE VROUW VAN ZWAARDEN


Brief



Uit het duister schrijf ik

je een brief, gesloten

in mijn huis, mijn hand

in het licht, peinzend



over hoe het papier

in jouw handen komt.

Ik zie geen letters meer

jouw beeld in mijn hoofd.



Het geeft niet of je dit

hoe lang je ernaar kijkt.

Je hoeft niet te komen.

Je bent er als adres.
==

Beweging



We moeten soms schandelijke

dingen doen omdat we eenzaam zijn.



Elke beweging is goed of slecht

en we moeten bewegen



als een graszode onder

een scherpe ploegschaar



is ieder van ons een kuil

voor de ander, in bed of aarde.
==

De vrouw van zwaarden

1

Waar je naakt ligt te slapen

je arm geheven, het licht

vloeiend over je borst



het laken met schaduwen

weggegleden van je heup

ben je het meest van jezelf.



Daar ben ik het dichtst

bij je, nader kan het niet.

Mijn ogen nemen jou in.



2

Zij wordt geboren uit papier

een oog nog dicht, een wimper

de aanzet van haar neus



dan haar hoofd twee maal

in spiegelbeeld: de vrouw

van zwaarden, nog slapend



slapend tussen de regels.

Het bewolkt landschap

laat zien wat gebeurt.



3

Je haar valt als water

buiten gezien door het raam

waarvoor je ligt te rusten.



Je ogen gesloten, glimlachend

omdat je weet dat ik kijk.

De bedrand verzamelt duister.



Het stroomt en het stroomt.

Waarom zouden we nog wachten

tot het allemaal droogvalt?



4

Nu het lijkt of je slaapt

geeft het niet dat je dood

gaat - je ligt met je mond



half in het kussen. De lamp

haalt nauwelijks de hoek

van de kamer met het bed.



De warmte van je huid

zal blijven gloeien

in de kou die ik vergeet.

==
Droom



Je lachte, je liep naar me toe

alsof je hier woonde. De appel

waarin je beet. Een beetje hijgend

met herinnering aan wat rijmde.



Vreemd hoe jouw beeld de dag

doordringt en hoe alles

opgenomen wordt in heugenis

mooier dan geschiedenis.

==
Passage



Je liep rood in het landschap

trots, en de wind golfde

door je jurk en je haar

dat vloekte met het katoen.



De hond aan je leidsel trok

in den blinde, begreep niets

van wat je teweegbracht, jijzelf

evenmin, rood in het groen.



Ze keerden het gras

toen ik langsreed



tot ik het niet meer zie.

==
Het diepe water



Het laatste moment bij het water.

Er gebeurde iets met haar ogen.

Ze leken donkerder en kleiner

te worden, krinpende cirkel.



Zij trok naar binnen

beweging waarin ik mee moest.

Zij werd zeer eigen

ook een teder embleem.

==
Begin



Hoe alles begon uit het niets

zonder enig begrip voor kleur.

Er was alleen jij, altijd

zonder tijd, in het wit.



En jij zei 'licht'

en ook het duister begon.



En de weg naar jou toe

het gras, water en lucht

kregen jouw glans

tot iedereen het zag.

==
Gebrek aan fantasie



Alleen maar de kamer binnengaan

samen, een tas in de hand, een jas

misschien een bos bloemen, wijn

en twee glazen in de tas.



Verder niets, wellicht het bed

even zien, opgemaakt, het bad

leeg en schoon, de verborgen

belichting, de deur nog open.

==
Misleiding



Ik omcirkelde je huis

brieven en telefoongesprekken

in mijn tas, ik zweeg een week

Toen belde ik je uit bed



en schreeuwde door de hoorn.

Je gooide je deur open

en liet me binnenstormen.

Ik rukte alle prenten



van de muur, verscheurde

je post, vertrapte je planten.

Sprakeloos zag je mijn angst

tot ik je neerhaalde op de vloer.

==
Verloren huis



Kijk niet om, zei je nog.

Ik loop mank van je slag

maar ik moet vluchten

met alles wat me lief is.



Jij blijft staan naast

vallende meubels, krakend hout.

Het dak valt open. Niets

kan de kamer redden.



Achter me hoor ik

het branden van het bed.

==
Terugreis



Niet doen, fluister ik

als jij dichterbij komt

je hand aan mijn jas.



De trein wacht, nog even

blijf niet staan.

Je duwt je van me weg.



Ik wil je zien lopen

naar waar je woont.

Nu duurt de terugreis.

==
Alauda arvensis



Je laat je nog even zien

dichtbij, maar al onbereikbaar

trillend dans je om me heen.

Je wijkt in een zwierig afscheid.



Dan klim je omhoog

de blauwe lucht in

steeds hoger en je begint

te zingen tot ik duizelend



wegval, tegen de zon in.

Je trappelt in de lucht

onzichtbaar bijna - je vult

de ruimte met pure aanwezigheid.

==
Verplaatsing



Duizenden vogels in twee bomen

de achterhoede in de lucht

de bomen zwart in knop.



Toen ze wegvlogen

veerden de takken op.



Het zoemende slaan van vleugels

een drift van beweging

met een geluid dat nergens

dan hier te horen valt.



Een geluid van drift

en ontsnapping, nog hangend

rond de boom.

==
Hemellichaam



Je schreeuwt zonder stem

terwijl je naar me glimlacht

en je zuigt me naar je toe

als een gat vol licht.



Suis heen, laat me gaan.

Nee, blijf staan, ik wil

luisteren naar je stilte

zien hoe het uitdooft.

==
Weg



Als je geen toekomst

word je verleden

zoals je weg bent

in een ruimte

waar ik niet ben.



Als je lacht in de zon

naar een toevallige

passant, het glas

aan je lippen

nauwelijks drinkend.



Eenvoudige handelingen

terwijl je denkt.

Je buigt voorover

pakt een brief op

kijkt naar de telefoon.

==
Verzoening



Maanden doof onder water

blind voor je zon.



Tegen de loodkleurige lucht

achter mij de zon, opnieuw

een boog, zo kleurig



dat het na het violet

niet op kan: nog eens

geel. groen, boven de stad

waar ik weg was.

==
Embleem



Het hangt desperaat

in het borrelglas

halfvol water

de steel gekromd

kroonbladeren nog paars

met een blad hijgend

over de rand van het glas

het Maarts Viooltje.

==
Kleur

De wereld is vol kleur

die 's nachts verdwijnt

en 's morgens komt.



In het verblindend licht

is zwart een troost

na de brand van chromaat.



's Nachts is het geel

verdwenen, het blauw

een donkere vlek.

*

Opgenomen worden door kleur

drie muren loodrecht op elkaar

die zich in wit versterken.



Blijf kijken, geef antwoord.

Maar hoe kijk ik bij ontij

als ik zelf niet verdwijn?



De voorstelling is van mij

de troost van koeien

twee koeien, de koppen



naast elkaar, zusters

godinnen bij de grens

en het portret van Dante



in blauw op de muur

maar vriendelijker, jong

en nog voor Beatrijs.

*

Hoe in de avond

vooral het wit

zich kleurt, geen wit



blijkt te zijn

en hoe later

de kleur krimpt.

*

Kleur vasthouden in een bunker

half onder duinzand verscholen

maar met een glazen dak.



Kleur heeft een tijdelijk

bestaan, nachtschade

ochtendgeluk als zij terug is.

==
Pruimen



Als je zo veel van kleur

houdt dat je dagen, weken

studeert op dit rood purper

inlevend wit gevangen



pruimen in een neteldoek

gebonden in restjes touw

van de markt meegebracht

gedurende kilometers wandeling



gloeiend tegen het duister

van een onbekende achtergrond

dan mag je ze eten, sap

en vreugde blijven bestaan.

==
Hommage aan R

Er is verlangen in je ogen

als je over de ontbijttafel

kijkt naar verten achter mij.



Je luistert naar de stem

in de radio die lente

en weinig wind voorspelt.



Je denkt aan bloemen

in de tuin, aan vochtige

vruchtbare aarde.



Terugkerend tot de thee

en het dagelijks proza

hoor je nu pianomuziek.

==
Telefoon

Juist in het zwijgen

toont zij haar liefde

gewond, in zichzelf

een masker, een kuil.



De telefoon gaat tevergeefs

of je de hoorn neemt of niet.



Ik weet niet wat ik

je ga zeggen - de woorden

komen als jij komt

als ik sta te wachten.

==
Verlangen



Laat het nu eens in de diepte

slaan, een omgekeerde heilige

geest die dit beeld: hij staat

er lang, ik zie hem in zijn lengte

vreemde geliefde, belachelijk.



Toen sloeg het toch ook in

waar hij naast me zat.



Laat het tot me doordringen

dit beeld zodat ik verder

vriendelijk kan kijken, lachen

zodat hij niet meer fascineert.

Kom heilige geest: wees wreed, genees.

==
Op weg



Je staat maar nauwelijks

op gras op blote voeten

of je gaat al weg van huis

de wei over naar de bosrand.



Nu sta je nog te kijken

naar je handen, je witte

bloes steekt helder af.

Wat trekt je in het duister?



Wat wil je met je handen?

Laat ze maar los, kijk

waar je loopt, denk

niet meer aan huis.

==
Pelgrimage



Nog maar net vertrokken

uit de stad en nu al dorstig.

Hij vraagt water aan het meisje

bij de put maar ziet niet



hoe zij kijkt naar zijn ogen

terwijl zij het kruikje vult.

Hij wendt zich naar het pad

waar de anderen lopen.



Zij ziet hem nachtblind gaan.

Zij moet terug naar het huis

bij de stadswal. Hoe lang

gaat hij? Wie lest zijn dorst?

==
Ontdekking



De vrouw slaat het gordijn

in ??n ruk open om het naakte

lichaam van de ander prijs

te geven aan het volle licht.



Zij ligt verzadigd achterover

in haar diepe slaap onwetend

maar in het plotselinge licht

begint haar huid te glanzen



in een geopenbaard geheim

buik en benen warm wit

de schaduw van haar borsten

zacht gekleurd tegen het bed.

==
Thuiskomst

De voet van het standbeen

is dooraderd, al ben je niet oud.

Je knoopt vermoeid je jurk open

voor het bed met de dichte brieven.



Koffers staan te wachten

op het licht van morgen of

later, maar de handtas

wil snel geïnspecteerd.



De bloemen willen uitgepakt

en water, kunnen één nacht

wachten, maar de brieven niet.

Kom in bed, open het dek.

==
Interieur



Vier dunne stoelen om tafel

in de bijna lege kamer

die steeds lichter wordt

bij het raam de fauteuil



van opa, van ondergang

gered, de stoelen praten

nog wat na in de ochtend.

Zij wachten op de dingen



die gaan komen: mensen.

Nu alleen het milde licht

op het tafelkleed, asbak

schotels, dienstbaarheid.

==
Dans



Vier mensen aan tafel

in wit, wit licht

en een ander die komt.

Praten zij of kijken?



Uitzinnig danst de ander

tot zij loskomen één

voor één van hun stoel

beleefd luisteren naar



hoe het licht verandert

terwijl zij weg danst

en één zich vallen laat

de anderen blijven staan.

==
Thuis



Het televisiebeeld nooit

zo mooi als wanneer

de weerspiegeling van de dag

in het donkere glas



licht geeft: de lucht

door het raam, bomen

omlijst door de gebogen

boekenkast, de glans



van de houten vloer

een stilstaand beeld

met af en toe een vogel

die de tijd aangeeft.

==
Statie



Hoe zij verstilt

tot glanzend water

tussen randen groen

na de reis onder bomen.



Dood als persoonlijke

vijand, vrouw als rivaal.

Wat gaat hem de lente aan

bij het lied van de aarde?



Hij gaat neer in de ring

nadat hij voor haar zong.

Nu klinkt de stilte.

Spiegel, omfloerste trom.

==
Ruimte



Hoe groot de wereld is

hoe ver eb, hoe diep

de weg in Brazilië langs

palmbomen en tamarinde



naar de waterwegen

van de rivier en mensen

met manden op hun hoofd

op weg naar hun huis



en achter de bergen

het oerwoud, de donkere

goden, vermoede apen

vissen op weg naar zee.


==
Rust



Hij staarde in het water

maar verloor zich al gauw

in onbestemde gedachten

omdat niets minder geschikt is

ergens over na te denken

dan een stromende rivier

waarin alle gedachten beelden

worden en alle beelden verglijden

in water dat komt en gaat:

muggen, zwaluwen, vlucht.


==
Geschiedenis

Asters onder de lamp en appels

de tinnen koffiekan met kopjes

en onder de tafel het gat

naar de mijn, mijn vader omlaag



hakkend, de lamp in zijn helm

naar een wereld vol gruis

desastreus, moeder zet koffie.



Ik zit aan tafel te denken

aan later als vader

weg is en moeder.



Aan een andere tafel

schrijf ik, onder de lamp.

==
Leven



Even, een seconde of zo

een handeling verbeelden met begin

en eind en alles wat daartussen...

Is dat zo veel minder dan leven



zestig jaar of langer met een huis

een zee, boten van hier naar daar

andere bomen, geuren, taal

of alles op één plaats achter glas?



Waar het om gaat, het gevoel

te leven van een punt naar

een volgend, liefst nog rond-

gaan tot het uitgangspunt.


==
Schrijven



Ik moet wel schrijven zoals jij leest

een ontleding van wat ik ingewikkeld voel

wat ik samengebald zie: een oude man

op een fiets die naar huis verlangt

en kijk - jij ziet hem oud

en op een fiets en dan pas

dat hij naar huis, ja en verlangt.

==
Gids



Ik ben graag in de berg.

Het is hier rustig en koel.

De lamp voor mijn voet.

Ik weet de weg.



Niemand hoeft te dwalen.

Ik toon beeld en gebruik

de schelp in het krijt

de donkere feestkoepel.



Ik laat de scheuren zien

maak een nieuwe grap.

Ik breek de vuursteen

open: oerwater.

==
Egyptisch



Negen centimeter groot

is het gat naar de put

waar de zonneboot

ligt te wachten.



Een boot in de grond

geborgen in segmenten.

In de kajuit op het dek

staan glanzende kisten.



Veertig meter is de boot

als hij gaat varen

van oost naar west

weg van Gizeh in Dashar.



Binnen het cederhout

het goud, de oude lucht.

==
Cycladisch

1

Zo eindigt een zeevaarder

die zeilde naar Kreta of Troje.



Zijn lijk ligt op de rechterzijde

rug naar de achterkant van het graf

in gehurkte houding

armen voor de borst.



Zo eindigt een zeevaarder

voor de gesloten ogen

een loden modelschip

naast hem het idool.



2

Het eilandenmarmer is stil.

Haar delta boven de dijen.



Een vrouw, de borsten

licht aangezet, in kalme

extase, op de tenen

de armen gevouwen, klaar.


==
Dood

Ik zal mijn dood niet zien

in de laatste seconde

als mijn lichaam neerblijft.

Ik zal niet weten hoe kracht



van het liggen naar

het dromen wegdrijft.

Ik zal niet zijn die ik was

als dood mij leegdroomt



en tot de laatste leden stijft.

Maar dit verwart mij het meest:

het oog dat nu leest, zag

nooit de hand die nu schrijft.


==
Sluier

Ik zal me voor je verhullen

en zo aantrekkelijk zijn.

Ik geef me, ik wijs je af

achter tule verborgen.



Vertel me nog eens over

die ander die nader kwam.

Hier sta ik, beschikbaar

raak me niet aan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen