donderdag 21 januari 2010

Het gras vergeten

HET GRAS VERGETEN

Aan Mei

Roerloos loof, windstil en doof
taal gelaten in de schaduw
van wat komen gaat.

Waar we vandaan komen.
Je ziet het: nu tintelt
ons hart nog zomerrood.

Je buigt je over naar
de spiegeling in het water
komen de stralen, donker.

1

't Was na de middag. Van het woud
ging uit een koele adem van bomen
waar zij doorheen liep met een lach.
Zij ging en liep doelloos voort

tot zij stil hield op een open plek
en met eigen ogen zag hoe het licht
zijn domein gevonden had
in zeldzaam schijnen op een plas

hoe het weerkaatste naar de lucht
en hoe de bomen weken voor water
voor haar lach die opklonk
in de ruimte waar niemand haar hoorde.

2

Zij wist niet dat ze ergens was
wel waren haar ogen open
zag ze om haar heen een bewegen
van mensen en geschitter van feest

maar voor haar was het leeg.
Zij luisterde naar zijn stem
terwijl ze danste en dronk
en praatte met wie om haar waren.

Of hij nu kwam en de deur
bewoog, wie haar kuste of streelde
zij wist niet dat ze ergens was
wel waren haar ogen open.

3

Zie, ik sta op de drempel, hij lacht
staat als een man op brandaarde
te wachten op wie hem zoekt
tussen verkoolde stammen en sterren.

En ik kan niet aan hem raken
blijf in het groen en tussen bloemen
verlangen naar zijn zwijgen
tot hij bij mij komt, mij komt halen.

Maar als de avond gevallen is
loop ik terug in het huis
ga eenzaam liggen en val
weg in dromend slapen, in nacht.

4

Hoog in de lucht een gezoef
en geknars van vleugels
halsstarrig op weg, de bekken
gesloten, de ogen op felheid gezet.

Ik lig in bed en denk je gaat
weg van hier, winter komt
en vindt me hier, alleen gelaten
zonder sporen, in vallende sneeuw.

Als ik je niet meer zie
zie ik je nooit meer, je bent
dood, ik hoef niet te luisteren
niet te zoeken naar je gezicht.



Ze kwam uit de duinen:
herinnering van wat ik was
gedoken onder harde wind
zand en zout tussen mijn tanden.

De jongen die daar speelde
en geloofde in zomerse buien.
Hij liet zijn vlieger dansen
trok ongeduldig aan het touw.

Haalde hem met schokken binnen
tot de kleur in het harde zand
een lijn trok naar hem toe
tot dat hij stil lag en gedood.

II

Terug

1

Je was het gras vergeten maar
dit is een geur uit je jeugd.

Je zat op je hurken en
opeens kwam het woord.

Toen je voelde aan die bloem
ook de naam van de vlinder.

Tussen alle groen rode daken
jouw felste herinnering.

2

Hoe je de dingen verwart
graf en vrouwenbeeld: waar
stond jij gearmd voor?

Was er een zuil voor Diana
voor het hotel, een beeld
voor het graf van de geleerde?

Wat heb je uit een boek?
De tegels glanzen nog, maar
verder is alles kapot.

3

In Brastagi bouwde je nesten
van mos onder de bomen.

Daar waren ook aardnoten.
Je was er kabouter Snelvoet.

Je speelde in het water
voortdurend bewust van je lijf.

Hoog in de bomen bloeide
mimosa: geel in het groen.


4

Je ging daar nooit de poort uit.
Nu zie je hoe lang het geleden is.
Je denkt dat het gat heel klein is
als een ei, maar het is zo groot

als een hek.


5

Bang voor de straten, het water
de mensen die kijken en roepen.

Jij mocht niet van de hoofdweg
niet naar de rivier en zeker niet

met een bootje over de rivier
en dan met een busje naar een dorp.

Je wilt steeds maar slapen
dan hoef je niet op straat

in de herrie, de stank, te zoeken
naar niets.

6

Jouw huis lag verder van de stad.
Het is ingehaald, ingesloten.

Je herkende het aan een half-
rond muurtje: daar zat jij op.

Dit was de eetkamer en daar
sliepen jouw vader en moeder.

Hier is je kamertje en zó
keek je naar buiten en wuifde

naar S. die verliefd op je was.
Hij woonde daar achter die boom.

En hier op deze plek: je moeder
woedend. Je had iets getekend.

Een jachtgodin die niet mocht.
Jouw dagboek ging dicht.

Later kwam S. in Holland
kijken of jij er nog was.

7

Jij bent nagekomen in Indië
zodat je altijd alleen was
met de baboe en de boeken.

Aan de andere kant
van de rivier kan het
leven heel anders zijn.

Wie is de grijs-groene figuur
tussen de boom en het raam
in de verte? Een boomvrouw

die staat te loeren, een prins
die vraagt wat jij doet en
zwijgend wacht op antwoord?

-

Emigrante

Het meisje rechtop aan de reling:
afscheid van het vlakke land.
Nog niet op weg naar de bergen
in het oosten, de kruidige lucht.

In haar hoofd kou, het schaatsen
de jongen aan haar zij, blozend
sleept hij haar over de fortgracht
tot zij doodmoe komt bij het begin.

Nu de Nieuwe Waterweg, stil
kijkend naar schepen die passeren.
Windstil, bij Hoek van Holland mist
zodat die kust nooit verdween.

-
Zestien

Het meisje uit Indië, open

en gesloten tegelijk, weerloos

en geharnast, naakt, gekleed
in haar wijde rok, verlangend

naar Holland, staat ze onder
de waringin voor de veranda
of aan boord van de Oranje
gezeten aan het afscheidsdiner.

Denkt ze aan de wereld
die gesloten is, de weg terug
de mannen die kijken en haar
soms benaderen als een vrouw.

-

Groei

Zoals de herinnering aan vorm
in mijn hand zich langzaam
aanpast aan je borst
groei ik weg van hoe je was

omdat we gemaakt zijn van tijd
en alleen kunnen vervallen
uiteenvallen, zoals het glas
in scherven, nooit terug

maar ik maak jou
zoals jij mij laat groeien
mijn hand zijn verlangen
geeft naar hoe je bent.

-
Klank

Zij speelde op een afstand piano
en ik hoorde metrisch een klank
steeds terugkomen in het lied
een klank op aLstand, van hout

die de melodie tegelijk versterkte
en verdrong, vroeg om aandacht
zoals zij in al haar handelen
beweging liet zien en aandacht vroeg

voor wat zij met haar leven hier
in huis wilde met zichzelf, met mij
en daarbuiten, tot de melodie
die ene klank ritmisch in zich opnam.

-
Vita

Wordt haar leven verklaard
door de tuin, omdat zij zegt
dat zij heeft leren leven
met de wisseling van seizoenen?

Zoals zij langs de planten gaat
en hier iets aardigs mompelt
en daar schrikt, een stengel
schikt, een slak verplaatst

een uitgebloeide bloem weghaalt.
Zij loopt urenlang te kijken
en zegt: dit is werken, lezen.
Soms weet ze niet van waar

het komt, soms klopt het
met het plan van vorig jaar.

III

Vermenigvuldiging

Ik zie je overal lopen
of fietsen, vaak luchtig
gekleed, je hoofd opgericht.
De zon op je gezicht, wind
door je haren. Je ziet me
niet, op weg naar bloemen.
Je rijdt of loopt steeds
uit beeld, je mond in licht
je ogen in schaduw, dood.

Je hebt jezelf vermenigvuldigd
en verdund tot zo veel gezichten
dat je wegraakt in vergetelheid

-

Je gaat en staat

Je gaat iets nieuws vertellen.
Ik kan niet meer zien wat ik weet.
De dingen zijn vreemd geworden.
Je handen liggen op tafel gespreid.

Mijn koffiebeker lekt, op de tafel
verloopt steeds wijder de kring.
Het helpt niet of je een doek pakt.

Wij bewogen in rust, in vloeiend
kijken naar de ander, stilstaand
water, we begrepen alles in één.

Nu ben je weg, terwijl je praat
en uitlegt waarom je nog even
blijft, er beweegt niets meer
door je woorden, je staat en gaat.

-

Vlucht

In haar droom met moeite
omhoog gekomen, niet hoger
dan een hoge boom, vallen mijn
vleugels uit, dwarrelt vaag

wat mij droeg als bladeren
weg in de turbulente lucht.
Als aan een kruis hang ik
hijgend aan mijn grens.

Voorlopig alleen mijn hoofd
gevallen op mijn borst.
Nog zwevend met gestrekte
benen boven de stijgende grond.

-
Weerzien

Elke avond verwacht ik je
bij de brug te zien, je staat
er koud en lachend te wachten
op mij, bij het water, in 't licht.

We lopen samen naar de bomen
en praten over vroeger toen
ik je nog zag en met je lachen kon
voorje weg was in de stad.

Je bent er. Waar moet je slapen?
Wat is er gebeurd, hoe benje gekomen
hoe ga je weg nu je hier bent?
Je lacht: je bent er nooit.

-
Misplaatst

Meisjesachtig staat zij
in de keuken de kopjes
van de ander af te wassen.

Een gast zegt: je staat hier
alsof je hier hoort en even
blijft haar antwoord uit.

De gastheer hoort wat ze zegt.
Hij denkt: de roos is rood
de roos is wit, de roos in mijn tuin.

Nu zijn de kopjes schoon.
Zij keert zich van het aanrecht
drinkt gulzig van de rode wijn.

-

Pasen

Terwijl het zo lang duurt
gaat het toch steeds voorbij
als passie-muziek, die herhaald
stroomt en stroomt tot het stil is.

De dag begint, de klok tikt
postzegels worden gestempeld
de brief bezorgd en je woont
al niet meer bij het water.

Zoals je hangt in de lucht
gesprongen, aan de parachute
razend snel nader je de aarde.
Kerstmis? Het is al Pasen.

-
Thalassa

Als ik afscheid neem
van de zee en me telkens
weer omdraai en denk: nu
nu zie ik haar voor het laatst

hoe ze daar ligt en beweegt
stil of golvend tegen het zand
de kleur van de lucht
de geur van de wind

en als ik even verder loop
is ze weg, voorgoed verdwenen
niet op te roepen, onkenbaar
verscholen achter de duinrand.

-
Antwerpen

Een vrouw op het balkon
langs de spoorlijn
in Antwerpen in een witte japon.

Zij heeft het koud daarboven.

Niettemin staat zij glanzend
tegen het grauwe herenhuis
kijkt over de trein heen
en denkt aan de hoge kamers
in haar rug, de nachten achter haar.

-

IV

Vis

In de grot van de blinde
vissen loopt hij verloren.
De vis is overal, fluïdum
van vis, elke donkere plek

op de grond is een graf, nu
kun je nauwelijks zien hoe naakt
het water is, hoe rimpelloos
tot de vis blinkend opspringt.

Hij loopt daar nog, geschrokken
door de pets op het water
ademend in de koude lucht
struikelend naar de uitgang.

-
Bij Bamberg

1

Het beeld van de boom
in de rivier, in de langzaam
stromende rivier, voor de oever.

Daarachter het okeren koren
het bos en de blauw-grijze heuvel
in de verte, onder de lucht.

Twee wandelaars, één wit
één zwart, bewegen langzaam
met de rivier mee, door het koren.

Zij verdwijnen achter bomen
worden nog even zichtbaar in
de ruimte tussen takken.

Alleen nog rivier.
De boom in het water
verduistert traag.

2

Een beetje bitter en zoet
mengeling van bomen
water, zon, voor het eerst
in Bamberg, lopend langs

de rivier, heftig in vlagen
een kruidigheid die altijd
bestond, maar nooit herkend
tot het geurbeeld, klaar

gemaakt voor herinnering
een naam kreeg en alleen
nog verwees naar een plaats
en een tijd zonder betekenis.

-

Archeologisch museum

Niet het hart maar de taal
heeft haat opgeroepen, staat
gekrast in terracotta, oud
vierduizend jaar, Soemerisch.

Taal van de liefde, de wet:
trouw een vrouw naar je keus
neem een kind als je hart
er om vraagt, pas dan.

Als een vrouw schuldig is
aan de dood van haar man
wegens een ander, zet dan
haar hart op een staak.

-

Yerabatan Saray (Verzonken Paleis)

Waar het licht zich beweegt
tussen zuilen over water
en uitzicht biedt op ruimte
beslotenheid in duister

naar je toe komt en zich
verwijdert terwijl geluid
van vallend water muziek
van bijna nu doordrenkt.

Afdalend vind je de Medusa
omgekeerd onder een pilaar
en nog een keer, haar versteende
wang steun zoekend onder water

-

Thuis

Vannacht liep ik weer te dwalen
in een wijk tussen Istanbul
en Moskou, de rand van een vreemde
stad, tussen stilte en chaos.

Ik geloofde mijn ogen niet
en kwam overeind op mijn knieën
om naar buiten te kijken
naar het licht onder de bomen.

Je maakte me wakker en vroeg
wat ik deed. Ik kijk waar ik ben
zei ik, toen langzaam het beeld
van mijn straat schoof door die stad.

-

V

Gedicht

Ik wil je steeds weer
proeven op mijn tong
laten dansen in de lucht
aan het eind van de regel.

Het is niet genoeg als
ik weet dat je bestaat.
Niet hoe je voelt, maar klinkt
een precieze foto van vormen

in juist die ene constellatie
en dan pas hoe dat voelt.
Je bent er als ik je uitspreek.
Je groeit als ik je hoor gaan.

-

Ik wil je foto als een gedicht
overlezen, kijken hoe de woorden
je kleden, je mond iets zegt.

Achter je is het donker
vermoed ik het zand en het water
hoor ik de golven van de eb.

Met een loep zie ik het rijm
van een ring, een horloge
het licht in je hals, zacht wit.

Ik probeer je uit het hart
te leren, maar de woorden
verdwijnen zonder kleur.

-

Ik heb een beeld vergeten
dat ik daarom neer moet zetten
opgestuwd door liefde, weg-
getrokken door eigen gewicht.

Zoals een duif zichzelf optilt
naar een tak, daar even blijft
maar wegvalt als ik kijk.

Of: omdat ik de bloemen
in de trein heb laten liggen
blijven ze langer staan.

-

Er woof de dood naar mij
in een vleugel die de wind
deed wieken op het asfalt

nog vastgeplakt en stervend
eiwit en altijd stille mineralen
wapperend vrolijk bijna.

Ja, stil maar, ik kom
nog niet, nog even wil ik zien
hoe vleugels staan in de wind.

-

De dood ligt als een lang
gestorven paard op de rug
van het paard dat zich verzet
tegen de last en stappen wil.

Ik zie hoe een spier van de merrie
haar bedachtzaam laat bewegen
in haar dijbeen, langs een hek
en hoe die beweging zich voortzet

tot in haar hoofd, haar neus
en zij zich langzaam neerlegt
zich overgeeft aan het paard
op haar rug, zich neervlijt.

-

Iduna

Elke dag een appel.
Je draagt de schaal
en laat mij nemen
wat ik kies, een beet

zolang ik hier nog ben.
Ik kijk naar buiten
zie de wind in het gras
en de bloeiende boom.

Mijn tanden in het vrucht-
vlees, wit op wit, sap.
Je staat te wachten tot
ik de schaal weer overreik.

-

Lezing

Langzaam zakt de rol
met het Japanse schrift
langs de lessenaar omlaag.

Wat gelezen is blijft beeld
de klank verstorven.
De dichter laat andere
figuren zingen, kleine zegels

schilderingen, logogram
voor vuurberg of de vrouw
die goed is, die je moet lief-
hebben, als de dichter.

De zilveren achterkant
spiegelt de luisteraar
die altijd later komt.

===========

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen