donderdag 29 april 2010

Helen Luke over vergeving

DE STORM: op weg naar kennis van ons Zelf

De complete verzameling van mythen van de hele wereld leidt tot de volgende ‘opdrachten’: 1. Ken uzelf; 2. Doe wat je wilt; 3. Accepteer je beperkingen; 4. Laat los; uiteindelijk ook je leven.

Een verhelderende interpretatie van The Tempest
(vrije vertaling van de tekst van Helen M.Luke over The Tempest in Old age, Journey into Simplicity)

Shakespeare heeft ons in zijn laatste grote toneelstuk, De Storm, beelden laten zien van een rite de passage, beelden die vragen oproepen en intuïties van betekenissen laten opkomen, die verborgen waren in het verleden en die vooruit wijzen naar de veranderingen in ons leven, vooral met betrekking tot gedachten aan het ouder worden.
De Storm is een toneelstuk over metamorfosen. Koning Alonso, Ferdinand, Miranda, Caliban - zij veranderen allen in het spel; maar deze veranderingen zijn een soort van uitbreiding, een konsekwentie van de veranderingen in de ouder wordende Prospero zelf, als hij het moment bereikt dat hij Ariel zal vrij laten.
Men heeft gezegd dat De Storm een toneelstuk is, waarvan de betekenissen nooit helemaal gevat kunnen worden, want elke keer als het gelezen wordt, spreekt het met een andere stem voor de individuele lezer. Bij elke nieuwe lezing verandert de betekenis: als scholier is het het avonturenverhaal, later wordt het een geheimzinnig sprookje of een liefdesverhaal en weer later een drama over loslaten. Het laatste geldt natuurlijk alleen voor degenen die groeien in het ouder worden en niet alleen maar wegzinken in de ouderdom of hem krampachtig tegenhouden.

De vraag waar het om gaat, is: wat betekent het voor de oudere man of vrouw om de Ariel in zichzelf vrij te laten, om de staf van zijn macht te breken en afstand te doen van het boek van zijn kennis?
Om een antwoord te vinden op die vraag moet een individu in zijn onderbewuste zoeken naar zijn of haar beeld van een Ariel - die dartele geest ( ‘tricksy spirit’) - en hem in zijn verbeelding herscheppen tot zijn realiteit in de psyche wordt herkend.
Laten we eerst kijken naar het patroon van Prospero’s leven en zoeken naar de betekenis van Ariel in hem.
Als het spel begint, zien we Prospero in de hoogste kracht van zijn creatieve vermogens en vervolgens ontwikkelen zich de gebeurtenissen in de richting van zijn uiteindelijke ‘loslaten’.
We horen ook over zijn vroegere macht als hij zijn dochter Miranda voor de eerste keer vertelt over hun komst naar het eiland. Zij was destijds te jong om er nu nog herinneringen aan te hebben. Prospero vertelt het verhaal in het eerste bedrijf, scène 2, nadat hij de storm heeft laten ontstaan die zijn vijanden in zijn macht brengt.
Hij was hertog van Milaan, maar gaf steeds meer van zijn uitvoerende macht aan zijn broer Antonio, omdat hij meer tijd wilde besteden aan de studie van het occulte. Zijn vrouw was dood; hij werd dus niet door haar gecorrigeerd. Hij was blind voor zijn omgeving en zag evenmin hoe zijn broer de macht naar zich toetrok. Dit is een beeld van Prospero’s eigen schaduw, want ook hij is belust op macht, zij het op een ander gebied.
Antonio sloot een verbond met de koning van Napels en samen beraamden zij de dood van Prospero - niet door hem te vermoorden, maar door hem in een wrakke boot de zee op te sturen met zijn drie jaar oude dochter Miranda. Maar zijn oude vriend Gonzalo zorgde er voor dat er voldoende eten en drinken aan boord was en -nog belangrijker - dat zijn boeken meegingen. (‘that I prize above my dukedom’). Zo kwam hij aan op het betoverende eiland.
In dit verhaal kunnen we de waarheid herkennen dat iemand, hoe blind en gefixeerd hij in zijn jeugd ook mag zijn, gered kan worden door één essentiële kwaliteit van het innerlijk: toewijding. Die toewijding moet natuurlijk betrekking hebben op iets dat het ego overstijgt, iets dat je oprecht liefhebt, zoals Prospero zijn studieboeken.
Prospero is door de omstandigheden gedwongen aandacht te besteden aan praktische zaken en hij moet vooral zijn dochter opvoeden; dat wil zeggen ook aandacht geven aan zijn verborgen vrouwelijke eigenschappen. Hij deed het met vreugde, want als Miranda zegt: ‘wat was ik u tot last!’, antwoordt hij dat zij een engel was en dat zij het was die hem redde. Door de eenzaamheid op het eiland heeft hij haar alle aandacht kunnen geven.
Als zij slaapt, na het verhaal, trekt Prospero zijn tovermantel aan en worden wij geconfronteerd met het onbeschrijflijke wezen dat Prospero zijn Ariel noemt. Ariel noemt Prospero ‘great master’. Hij heeft de storm opgewekt die het schip met de vijanden naar het eiland brengt. Ariel is een geest van vuur, van lucht, van water en hij brengt de schipbreukelingen op het land..
Hij is de geest in ons allen die de creatieve verbeelding laat ontstaan.
Jaren eerder, in Midsummer’s Night Dream , schreef Shakespeare: ‘The lunatic, the lover and the poet are of imagination all compact.’ En Wordsworth schreef:
‘Imagination, which, in truth
Is but another name for absolute power
And clearest insight, amplitude of mind (wijdheid, heerlijkheid)
And Reason in her most exalted mood.

Als deze absolute macht van de verbeelding de redelijkheid van een mens overheerst en zijn ik-bewustzijn verdrinkt, zo dat, in Jungs woorden, er niemand is om er vorm aan te geven, dan wordt de krankzinnige geboren. In de minnaar wordt de verbeelding eerst beleefd in de projectie en dat kan leiden tot òf bezitsdrang van egoïstische verlangens, òf tot een steeds groeiend bewustzijn van de liefde die emoties overstijgt. Maar de verbeelding is het oog van de dichter in ieder van ons dat ‘glances from heaven to earth, from earth to heaven’.
En
...as imagination bodies forth
The forms of things unknown, the poet’s pen
Turns them to shapes and gives to airy nothing
A local habitation and a name.’

(En waar verbeelding dingen ongekend
Tevoorschijn roept, daar schept des dichters stift
Hun een gestalte, en schenkt aan ‘t ijdel niets
Een vaste, aardse woonstee en een naam.’ (Burgersdijk))

Het oog van de dichter is in allen aanwezig die zich kunnen verwonderen. (Clement van Alexandrië: ‘Het begin van de waarheid is het zich verwonderen over de dingen’)
In elk individu is het anders, maar ieder van ons heeft dezelfde fundamentele taak: vorm te geven in zijn eigen leven aan dat wat ‘het oog van de dichter’ heeft gezien in de hemel en op de aarde. En dit kan alleen door het helderst inzicht, ruimte van geest en niet door pure rationaliteit.

Toen Prospero op het eiland landde vond hij daar een lelijk schepsel, genaamd Caliban, zoon van een boze heks, die gestorven was vòòr zijn aankomst. Ariel was daar ook, kreunend van ellende, gevangen in een gekloofde dennenboom door een betovering van dezelfde heks. Door zijn lange toewijding aan de studie van het spirituele was Prospero in staat de geest vrij te laten en hij maakte hem tot dienaar. Ariel is duidelijk niet een simpel beeld van Prospero’s magische krachten over zijn omgeving. Hij bestond al lang op dit eiland van de binnenwereld vòòr Prospero, de witte tovenaar, en vòòr Sycorax, de zwarte heks, hem daar vonden. Beiden zijn menselijke wezens die verbannen zijn uit hun eigen wereld. Bovendien is het duidelijk dat Ariel niet eenvoudig een onpersoonlijke, amorele kracht in het onbewuste is. Hij is gevangen genomen juist vanwege zijn weigering om de kwade wil van Sycorax te gehoorzamen. Hij wordt bevrijd door Prospero en als dank voor zijn bevrijding heeft hij er in toegestemd de goede wil van Prospero te dienen. Misschien kunnen we Ariel zien als een ontwijkend, niet in woorden te vangen beeld van de geest, waarover Jung voorzichtig maar met groeiende zekerheid sprak als een onbekend ‘iets’ in het onbewuste, dat ieder individu schijnt aan te sporen, door dromen, door synchroniciteit, steeds als hij raakt aan het rijk van archetypen, in de richting van dieper bewustzijn. Als de tijd nadert van het finale loslaten spoort die ‘geest’ het ego aan hem vrij te laten. Zijn functie schijnt te zijn het ego te dienen door het in staat te stellen zijn verbeeldingskracht gestalte te geven in onze wereld, door welke activiteit dan ook, als die maar ondernomen wordt met toewijding. Hij brengt ook, naar het schijnt, door zijn veranderend vuur, in elke toegewijde persoon, het bewustzijn van de voornaamste keerpunten in het leven en van het gevaar deze te vermijden. Hij zal zich nooit binden aan bewustzijnsvernietigende heksen als Sycorax, alleen aan iemand die, ondanks fouten en terugvallen, serieus zoekt naar een bovenindividuele waarheid.
In hun eerste gezamenlijke scène herinnert Ariel Prospero eraan dat hij heeft beloofd hem vrij te laten uit zijn dienst. Nog niet, nog even niet, antwoordt zijn meester. Zijn vijanden lopen rond op het eiland, waar hij, door Ariel, macht heeft over de elementen. Hij gebruikt zowel Ariel als Caliban - tegengestelde mogelijkheden in zijn natuur - zoals wij allen dat doen op onze weg naar zelfkennis. Zijn menselijkheid is gered en wordt gevoed door zijn liefde en zorg voor Miranda.
Nu moet hij uiteindelijk de grote test doorstaan, die alle mannen en vrouwen te wachten staat. Zal hij uit vrije wil en met volledige instemming zijn streven naar macht loslaten, als de tijd gekomen is, op het hoogtepunt van zijn succes? Zijn vijanden zijn allen in zijn genade; hij kan visioenen en betoveringen oproepen uit het onbewuste om het leven van anderen ten goede of ten kwade te beheersen. Hij staat voor een uiterste mogelijkheid en keus met het ernstige gevaar van hoogmoed en totale vernietiging.
Dat Prospero zich halfbewust is van de mogelijkheden en het gevaar is duidelijk vanaf het begin. Het feit dat hij Ariel de vrijheid heeft beloofd voor het spel begint, klinkt als een soort verzekering dat hij bereid is om zijn macht uit handen te geven. Hij heeft de moed verder te kunnen zonder de vermogens die hij gedurende lange tijd, zijn hele leven, heeft opgebouwd. Maar: nog niet, nog even niet.
Zoals altijd is het ‘nog niet’, omdat het een zwakheid van het ego blijft, niettemin, zolang de diepere belofte blijft staan, een essentieel deel van het patroon van zijn groei. Het loslaten komt pas op het moment dat een individu zich ten volle bewust is van zijn schaduwprojecties en ze alle accepteert. Met andere woorden: het is de doorbraak van vergiffenis, universeel en particulier, algemeen en persoonlijk, die het loslaten bewerkstelligt, de uiteindelijke vrijheid van de geest. Op dát moment is iedere valse schuld opgelost en de reële schuld die we allen moeten dragen, de schuld van de ontkenning, van de weigering om te zien, om bewust te zijn, wordt geaccepteerd. Dan kunnen we met open ogen naar ons zelf kijken en naar de wereld en de pijn lijden en de vreugde ervaren van het goddelijk conflict: de menselijke conditie, de betekenis van incarnatie.
‘Vergeef ons... zoals ook wij vergeven...’ zeggen we al te vaak onnadenkend, maar op dát moment begrijpen we wat we zeggen.
Het is geen toeval dat Shakespeares laatste grote stukken -Cymbeline, The Winter’s Tale en The Tempest - allemaal zijn gecentreerd rond de uiteindelijke verlossende kracht van vergeving. Ze zijn Shakespeare’s eigen getuigenis van de betekenis van zijn onvergelijkbare inzicht in de conflicten van goed en kwaad, en dieper, van goed en goed in de menselijke ziel. Vergiffenis is niet het comfortabele, vaak wat superieure ‘ik vergeef jou’, dat zo gemakkelijk over onze lippen vloeit als de hitte van de emoties is afgekoeld. De dingen zijn dan gladgestreken, maar de wrok daalt af in het onbewuste, samen met een verborgen voorwaarde dat de ‘vergeven’ belediging niet zal worden herhaald. De ultieme ervaring van vergiffenis brengt een verandering in het hart, een metanoia (berouw) van de geest, waarna elke schijnbare belediging, onrechtvaardigheid, afwijzing in het verleden, heden of de toekomst, elke zogenaamde klap van het noodlot, een essentiële noot wordt in de goddelijke muziek, hoe dissonant deze ook mag klinken in onze oppervlakkige oren. En de ervaring sluit niets uit - wat betekent dat op het moment van vergiffenis al onze zonden en zwakheden zijn meegenomen, terwijl ze in dezelfde tijd zowel worden herinnerd als gekend als het onontkoombare duister dat ons het licht heeft laten zien.
Dante beschrijft de ervaring van wroeging en boetvaardigheid in zijn confrontatie met zijn schaduw wanneer hij op de drempel van het aardse paradijs Beatrice ontmoet en zij hem de duisternis in zijn leven toont. Al zijn zonden worden weggewassen en vergeten in de rivier de Lethe, maar dat is niet genoeg - het is nog geen vergiffenis. Hij moet nog drinken van de wateren van Eunoe, de bron van ware kennis van waar twee rivieren in de wereld stromen. Hierna wordt al de duisternis, de zwakheid en de zonde weer herinnerd, maar ervaren met vreugde als essentieel voor zijn heelheid. Alleen dan kan hij beginnen met zijn laatste tocht in het Paradijs naar het centrum waar de uiteindelijke eenheid hem bekend zal worden gemaakt. The Tempest is een verhaal over de langzame ontdekking door een zeer begaafd individu van de ware natuur van vergiffenis.
We keren terug naar Ariel en zijn betekenis. Op het moment dat we aan hem proberen te denken in algemene termen, als iemand die dit of dat representeert, voelen we ons bijna schuldig, alsof iemand een zware hand heeft gelegd op zoiets fragiels, zo zacht en ontwijkend, uniek en ondefinieerbaar, dat zijn betekenis sterft onder onze aanraking. Deze schuld voelde ik hierboven toen ik over hem schreef. Laat het een waarschuwing zijn. William Blake schreef:

He who bends to himself a joy
Doth the winged life destroy;
But he who kisses the joy as it flies
Dwells in eternity’s sunrise.

Ariel zelf blijft uniek. Hij is Prospero’s beeld - en daarachter Shakespeare’s personificatie van dat wat voorbij de glorie van zijn eigen poëtisch genie ligt. In ieder van ons leeft zo’n beeld dat moet worden vrijgelaten - maar dat moet worden gebonden in een nieuwe betekenis gedurende de tijd dat het ego een verantwoordelijkheid op zich moet nemen voor een trotse activiteit in ons leven, en dat uiteindelijk vrij moet worden gelaten als de tijd daar is.. Er is helemaal geen leven dat niet ontspringt aan de innerlijke beelden, en de dichter in ons kan tot een schepping komen vanuit alles wat we in de wereld doen hoe schijnbaar prozaïsch ook. Charles Williams legde uit dat alleen wanneer we de volledige verantwoordelijkheid op ons hebben genomen voor onze activiteiten, we het moment bereiken dat alle verantwoordelijkheid van ons af kan worden genomen als we klaar zijn om los te laten.
Een week voor hij stierf, schreef Thomas Merton over zijn ervaring in de tuin van de Drie Stenen Boeddha’s in Ceylon. ‘Ik werd uit mijn gewone manier van kijken weggerukt...’ Hij voelde een vrede die gevuld was met elke mogelijkheid, waarin hij zich niets meer hoefde af te vragen. Het was, zei hij, niet de vrede van emotionele berusting, maar ik leek elke vraag te hebben doorzien, zonder te proberen iets of iemand in discrediet te brengen, zonder weerlegging, zonder een of andere redenering te volgen. Zijn staf was gebroken, zijn boek verdronken, zijn Ariel vrij op dat moment. Hij had zijn verantwoordelijkheid gedragen met uiterste toewijding door alle moeilijkheden en successen heen en het eind van zijn leven was nabij.
Zeker, voor dit uiteindelijke inzicht, had hij, zoals alle mannen en vrouwen, de uitersten van zowel betekenis als betekenisloosheid ervaren - de worsteling van de nadering tot dit moment van doorbraak dat De storm ons in Shakespeares verbeelding laat zien.
Ieder van ons, op zijn eigen manier, heeft te maken met het gevaar van het te lang toeëigenen van de gave van Ariel’s kracht. Het feit dat wij niet in de verste verte lijken op de tovenaar met zijn macht over de elementen, het betoveren van mensen, het oproepen van geesten etc.,
neemt de waarheid niet weg, dat zelfs de meest onbewuste en ‘zwakke’ mensen hun omgeving kunnen beïnvloeden, door hun onbewuste fantasieën (de gevangen Ariel in zijn boom), op een gevaarlijker manier dan degenen die bewust hun creatieve macht gebruiken. We hebben allemaal werkzame magische krachten in ons, die onze omgeving beïnvloeden - en zij houden langzamerhand tijdens ons leven op magisch te zijn in zoverre we in staat zijn deze onbewuste beelden te zien en te herscheppen met het poëtische oog - of we nu schilders of schrijvers of ‘levenskunstenaars’ zijn. Die beelden kunnen de magische krachten door bewuste arbeid en toewijding veranderen in het creatief beleven van het symboolleven, dat ons tot zelfkennis brengt en tot besef van de samenhang van alle dingen.
De eerste doorbraak tot de verwerkelijking van betekenis in iemands leven - de bewuste ontdekking van het werk dat je graag doet - kan vroeg komen, zelfs in de kindertijd, of veel later. De bewustwording van een bekwaamheid om iets te maken op een of ander terrein, kan vergeleken worden met de ontdekking van iemands eigen Ariel - die gave die we begrijpen als aangeboren en niet aangeleerd, en die we dan uitbouwen, als we bereid zijn om die gave de nodige aandacht te geven, om haar vrij te laten uit de gevangenis van het onbewuste, zoals Prospero Ariel vrij liet uit de boom. Dan kunnen we de gave ontwikkelen door discipline en arbeid, in overeenstemming met onze bewuste doelstellingen. De uiterlijke vorm van deze ‘roeping’ kan vaak veranderen, zelfs dramatisch, op onze levensweg, maar de wortels blijven dezelfde. Ariel zal scheppen of vernietigen in opdracht van deze doelstellingen - en de taak van de middelbare leeftijd is de reis waarbij we de verschillende motieven achter onze activiteiten ontdekken en ons realiseren hoe zij zijn bepaald door het verborgen fantasieleven in het onbewuste. Alleen wanneer deze fantasieën ons uiteindelijk helder zijn geworden, hoewel ze misschien motieven van egocentrisch verlangen naar macht laten zien, alleen dàn zullen we in staat zijn onszelf en anderen te accepteren en te vergeven en onze Ariel, die ons al die jaren zo trouw heeft gediend, vrij te laten. Hij zal ons uiteindelijk tot het moment van zelfkennis hebben gebracht. Op dat moment wordt het mogelijk de staf van de macht te breken en het boek met de toverformules te verdrinken.
Als dat moment komt, wordt het al te vaak afgewezen of niet geaccepteerd. Ariel wordt dan vastgehouden - het ‘gevleugelde leven’ wordt vernietigd en de mogelijkheid tot toegroeien naar de dood, neemt af. Dan kan een wanhopige poging om de jeugd en het verleden vast te houden het gevolg zijn, om de stroom van de rivier van het leven, zoals deze de oceaan van de eeuwigheid nadert, tegen te houden; of anders kan de apathie van de betekenisloosheid die Prospero vreesde de psyche binnendringen. Dan wordt de ouderdom verval, niet in de natuurlijke betekenis van de cyclus van leven en dood, maar in de negatieve en verschrikkelijke betekenis van verwording en wanhoop. De oppervlakkige interpretatie van Prospero’s vrijlating van Ariel en het breken van zijn staf als Shakespeares persoonlijke beslissing geen stukken meer te schrijven, geen poëzie, slaat de plank totaal mis. Het is juist Prospero’s volledige acceptatie van zijn eigen waarheid, inclusief zijn tot dan toe genegeerde donkere kanten. Hierbij hoort het opgeven van elke vereenzelviging met de macht die in zijn leven aanwezig was
en die hij tot dan toe goed kende door zijn wil haar te gebruiken.
Prospero nadert het moment van zijn keus; het gevaar en zijn mogelijkheden worden geleidelijk zichtbaar in het spel. Alleen door de tijd te accepteren, kan de tijd worden overwonnen, zei T.S.Eliot; alleen na de volledige confrontatie met onze eigen donkere kanten, door het strijden voor onze eigen waarheid en het opnemen van de verantwoordelijkheid ervoor, kunnen we uiteindelijk vrij worden voor een leven ‘zonder kritiek’ in de vergeving die ‘niets in discrediet brengt’ - in de barmhartigheid. Zie de epiloog van De storm.
Zoals gezegd, heeft Prospero zijn magische krachten gebruikt om zijn vijanden in zijn macht te brengen, door een schipbreuk. Het is duidelijk dat hij twee motieven heeft: hij wil zijn dochter in contact brengen met Ferdinand, de zoon van de koning van Napels. Hij hoopt dat als de jonge man zich waardig toont, zij verliefd zullen worden en dat zij in het huwelijk haar geluk zal vinden en zal terugkeren naar de wereld. Maar deze wens wordt overschaduwd door zijn wil wraak te nemen op degenen die hem zo’n schade hebben toegebracht. Veel verder heeft hij nog niet gedacht. Hij wil ze kennelijk niet doden, maar met ze spelen, zijn macht laten voelen. Hij roept voor Ferdinand en Miranda een vertoning van godinnen op als vertoon van zijn krachten. Terwijl hij hiermee bezig is, vergeet hij bijna het gevaar dat komt van de kant van Caliban die hem wil vermoorden. Dat wijst op de werking van zijn verborgen en miskende Calibanachtige aard met betrekking tot het spel dat hij speelt.
Als Ariel de geest is van lucht en vuur, dan is Caliban de donkere tegenstelling, de aardsheid van Prospero’s psyche, die zijn intellect en zijn sterke intuïtie hebben veracht en verworpen. Caliban is de zoon van de heks - het verworpen, verslindende vrouwelijke beeld, zowel in Shakespeares tijd als in de onze. Prospero maakt veel ophef over hoe goed hij is geweest voor Caliban in de eerste jaren: hij onderwees hem hoe hij moest spreken, hij probeerde hem te beschaven. Maar er is een zekere minzaamheid in, een houding van ‘Ik zal hem ombuigen tot een nuttige slaaf’ - meer dan respect voor zijn aardsheid en zijn potentiële waarde als individu - en het lijkt Prospero volledig te verrassen als uiteindelijk Caliban probeert Miranda te overweldigen. Haar vader had het kunnen verwachten. We kunnen ons afvragen wat er aan de hand was in Prospero’s eigen onderdrukte instincten waarvan Caliban een projectie is. Maar van de konsekwenties van deze onderdrukking wordt hij nu juist gered door de groeiende waarheid en onbaatzuchtigheid van de liefde voor zijn dochter - zijn bereidheid om al zijn krachten te gebruiken om haar terug te brengen naar menselijke beschaving door een integere minnaar die haar van hem weg zal voeren. Dat deze bedoeling uitstijgt boven zijn wraakgevoel wordt zeer duidelijk in de eerste scènes met Ariel, Ferdinand en Miranda.
Niettemin blijft Caliban verworpen, geïntimideerd en als slaaf in dienst van Prospero - en op het moment van het grootste gevaar voor zijn geest, is de tovenaar dicht bij de moord door dat instinctieve aardse schepsel, dat in zijn hart verlangt naar een visioen van schoonheid en ware goddelijkheid om te vereren. Omdat hij alleen maar verachting vindt bij zijn meester, projecteert hij zijn verlangens op de dronken bediende Stephano, die opleeft door een heel andere geestdrift! Hoe groot is Shakespeares genie dat hij in een paar regels poëzie de potentiële schoonheid, verborgen achter Calibans brute en lelijke verschijning en gedrag, oproept:
‘Be not afear’d etc. ... I cried to dream again.’ (Act III, Scene 2)
Maar Prospero maakt dit alles tot een kwelling voor Caliban, die besluit dat zijn meester hiervoor moet worden vernietigd. De regels komen onmiddellijk na het praten over moord en worden meteen gevolgd door een terugkeer tot zulke gedachten.
In beslag genomen door zijn magische vertoning heeft Prospero alles vergeten omtrent die donkere bedreiging, en zelfs Ariel zegt dat hij bang was zijn meesters plezier te verstoren. Als Prospero zich plotseling ‘that foul conspiracy of the beast Caliban’ herinnert, verdwijnen al de geesten in een vreemde herrie, en dán zegt hij de beroemde regels ‘about all images dissolving into nothing’. Gedurende een ogenblik wordt de sluier voor hem opgelicht en de realiteit breekt door de overmoed waarin hij gevangen is. Hij erkent de zwakheid van zijn ouderdom -’my old brain is troubled’. Maar dan, met Ariel aan zijn zij, die hij zijn vogel noemt en die hij prijst omdat hij Caliban en zijn begeleiders heeft gekweld, dàn zendt hij hem weg om ze nog meer te belagen en hij noemt Caliban een geboren duivel: ‘Ik zal ze tot wanhoop brengen.’ ‘Op dit moment zijn al mijn vijanden overgeleverd aan mijn genade.’
Het moment van inzicht is nog niet gekomen, maar het is nabij - en daarmee de realisering dat hij zelf om genade moet vragen. De vijfde acte opent met Prospero’s woorden: ‘Now doth my project gather to a head.... How fares the king and’s followers?’
Het moment is gekomen. Geen uitstel meer. ‘Ik heb het gezegd.’ Hij spreekt Ariel rechtstreeks aan als ‘mijn geest’, die hij tot dan toe beschouwde als zijn eigendom, die hij in dit uur vrijheid heeft beloofd - en Ariels eerste vrije woord maakt Prospero wakker voor eenvoudige menselijkheid, als een waarde die groter is dan al zijn tovenarij.
Ariel beschrijft de treurige toestand van de koning en zijn metgezellen, die bewegingloos gehouden worden in een ban, gevangenen van Prospero’s wil en hij spreekt over de goede oude lord Gonzalo. ‘Zijn tranen rollen over zijn baard.’ ‘Als je ze nu zou zien, zouden je gevoelens teder worden’. P: ‘Denk je dat, geest? (niet: mijn geest!)
A: Mine would, sir, were I human.
P: And mine shall.
Hast thou, which art but air, a touch, a feeling
Of their afflictions? and shall not myself,
One of their kind, that relish all as sharply
Passion as they, be kindlier moved than thou art? ‘
Woede wordt omgezet in medelijden: ‘Go release them, Ariel / My charms I’ll break, their senses I’ll restore, / And they shall be themselves.’ Let op dat hij niet zegt: ‘Zij zullen zijn wat ik wens dat ze zijn.’
Hierna, alleen gelaten, herhaalt Prospero bij zichzelf met een laatste opwelling van trots alle wonderen van zijn macht over de natuur en de mensen en zelfs over de dood: ‘But this rough magic / I here abjure... / I’ll break my staff, / Bury it certain fathoms in the earth, / And deeper than did ever plummet sound / I’ll drown my book.’
De weg is open voor de totale vergiffenis, waarin Shakespeare getuigt van zijn eigen laatste visie op de betekenis van verlossing en heelheid. Zoals Gonzalo het samenvat - op dat eiland ‘hebben wij allemaal onszelf gevonden terwijl niemand zichzelf wás.‘ Ieder heeft geleerd, op zijn niveau, de uiteindelijke machteloosheid van zijn persoonlijke wil, en zo, in ieder geval voor het moment, heeft ieder een glimp van zijn eigen diepste innerlijk gezien, precies zoals het is.
Maar wij kunnen pas helemaal aan het eind volledig geloven in Prospero’s ontwaken en zeker zijn van zijn nieuwe staat: vergiffenis als verlossing. Ariel heeft zijn lied van de vrijheid gezongen, maar hij doet nog één ding voor Prospero, die hem vraagt de ban van Caliban te breken, ook hem vrij te laten. En dan, als ze allemaal verzameld zijn voor zijn woning en de hoge woorden van vergeving zijn uitgesproken, dan zegt hij over Caliban, die halfduivel, zoon van de heks duidelijk en onherroepbaar: ‘Dit duistere ding herken ik als het mijne’. Caliban is nu, na een moment van opperste verbazing, zichzelf, doordat hij geaccepteerd is, veranderd van een blinde slaaf, vervuld van haat, tot een dienstbare figuur. ‘...and I’ll be wise hereafter, / And seek for grace.’
Het is de laatste test: de realisering van de Caliban in onszelf, verworpen en valse goden zoekend; ‘Dit ben ik ook’. Er kan geen ware vergeving van een ander zijn zonder het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de duisternis en lelijkheid in onszelf.
Hier past een citaat van Laurens van der Post over het laatste zelfportret van Rembrandt: ‘In dit portret heeft de schilder zijn gehele zelf nagelaten, onpartijdig voor ieder die ogen heeft om te zien. De nadruk ligt op de totaliteit, omdat uiteindelijk alle particuliere pleidooien verdwenen zijn, uitvluchten en excuses die mensen gebruiken om zichzelf te verblinden voor de hele waarheid omtrent zichzelf. Ze ontdekken hun eigen aandeel in de staat van oorspronkelijke duisternis, waarvan zij de natuurlijke erfgenamen en voortzetters zijn. Het maakt niet uit hoe groot de toegegeven fouten zijn. Tenslotte is er naakt in deze bloeddoorlopen ogen een blik van een zeker pardon. Door een volledige overgave aan de waarheid omtrent zichzelf is hij geëmancipeerd en heeft hij iets groters ontdekt dan zijn kunst en dat brengt hem voorbij het komende moment als het schilderen voorbij is.’
De laatste woorden van het toneelstuk zijn van Prospero tegen Ariel, na de laatste opdracht: ‘then to the elements / Be free, and fare thou well!’
Het spel is voorbij: het verhaal van Prospero’s leven is verteld door de dichter wiens innerlijk oog kan kijken ‘van hemel naar aarde en van aarde naar hemel.’ Maar Prospero verlaat het toneel nog niet. Hij heeft zijn macht losgelaten; hij is bang. Hij staat buiten het verhaal van zijn leven: alleen, zoals hij nog nooit alleen is geweest, zelfs niet in zijn eerste ervaring van de ballingschap; en hij spreekt tot het publiek in de donkere zaal als tegen de ‘ander’ in elke man en vrouw - de ware ander die we aanraken in al onze ontmoetingen, als we eenmaal in staat zijn alleen te staan. Alsjeblieft, kom wat dichterbij, zegt hij en begint zijn epiloog:
‘Now all my charms are all o’erthrown...’
Op het Elizabethaanse toneel waren epilogen een gewone manier voor een dramaturg om applaus te vragen en deze laatste epiloog van Shakespeare kan dit ook zijn, aan de oppervlakte, maar we moeten niet vergeten dat Shakepeare op meer dan één niveau spreekt. Het is zeker onmogelijk, als men alleen maar luistert naar de laatste zes regels , de diepte van hun betekenis op de bodem van de psyche te negeren. In deze epiloog worden we bewust gemaakt van een schrikaanjagende paradox. Het moment van loslaten, van alleen durven staan, ontdaan van macht en prestige, beroofd van enig gevoel van waarde of superieure kennis, is op hetzelfde moment het tijdstip van het zich bewust worden van de absolute behoefte aan de ander, zowel in deze wereld als er voorbij. Een keuze tussen twee wegen ligt dan in het vooruitzicht. We kunnen òf in onze laatste dagen vasthouden aan onze vroeger prestaties en versleten waarden en aldus wegzinken in complete afhankelijkheid van anderen, van gezamenlijke meningen, eisen en houdingen; òf we kunnen onze toenemende zwakte en verlies van energie, samen met onze verleden afwijzingen, zonden en blindheid (de Caliban in ons) tegemoettreden en zo de soort van vrije afhankelijkheid van de ander bereiken, die ons tot de ware betekenis van vergiffenis brengt en tot verwantschap met alles. De ervaring van deze verwantschap, deze eenheid, is beschreven door grote dichters, kunstenaars en mystici van alle eeuwen; en in onze eigen tijd zijn daar niet alleen de stemmen van de psychologen aan toegevoegd, maar ook van de natuurkundigen, die de subatomaire wereld onderzoeken. De realiteit van alle leven is als het ware een nooit eindigende dans op alle niveaus van zijn: materieel, instinctief, psychisch en spiritueel, waarin elke beweging van het kleinste deel patronen weeft van uitwisseling en verandering en daarmee het geheel verandert. Dat geldt voor de deeltjes van het stoffelijke universum, voor het leven van planten, insecten, zoogdieren, in het eten en gegeten worden dat de balans van leven en dood in de natuur in stand houdt, in het spel van tegenstellingen in de onbewuste psyche, en uiteindelijk, sinds de geboorte van het bewustzijn, schijnt het dat er een mysterie in het centrum van al deze bewegingen van de dans is, dat in de dimensie van de lineaire tijd, altijd is opgeduwd van onder naar boven en van boven naar beneden, om in individuele menselijke wezens een groeiend bewustzijn van betekenis wakker te roepen. Dan wordt een herkenning van de patronen van de dans in ons eigen leven zichtbaar, een intuïtie van de afhankelijkheid van alles met alles, wat op hetzelfde moment de poort is naar de vrijheid en het dagen van de eeuwigheid. Er is geen privé-verlossing; uitwisseling met de ander is de deur naar het uiteindelijke bewustzijn van de eenheid van allen in liefde: de dans van de schepping. Met Adam valt Gods Zoon. Dit is een symbool voorbij oorzaak en gevolg. De menselijke keus tot bewustzijn - de kennis van goed en kwaad - was meteen Gods keus voor vleeswording, dood en opstanding tot de eeuwigheid van liefde.
Jung citeert uit 1 Cor.13:7: ‘ Liefde draagt alle dingen en verdraagt alles. Zij geeft het nooit op, zij blijft hopen en volharden.’. Het gaat Jung niet om de liefde met betrekking tot verlangen, maar als iets dat uitstijgt boven het individuele; de eenheid van alles. De mens maakt er deel van uit, maar kan het geheel niet bevatten. Hij is aan haar genade overgeleverd.
Prospero, zoals ieder die een Ariel tot zijn beschikking had, heeft er een glimp van gezien ‘als via een spiegel’, want het gebruik van magie is juist een manipulatie van zulke intuïtieve kennis van de realiteit voorbij oorzaak en gevolg. Mystici en occulten, waarzeggers en helderzienden hebben zulke kracht verworven, en allen die ware inzichten hadden in de liefde hebben gewezen op het gevaar van gebruik ervan voor het ego, zelfs met de hoogste denkbare motieven. Prospero heeft nu afstand gedaan van zijn tovermacht en heeft Ariel bevrijd. Hij moet nu de onvermijdelijke ervaring onder ogen zien van iemand die het eind van zijn leven nadert. Alle krachten worden ons afgenomen volgens de wet van leven en dood; maar er is een enorm verschil tussen de mens die als het ware het onvermijdelijke feit ‘schept’ door een duidelijke keuze met volledige instemming en degene die tegen zijn wil in de veranderingen wordt getrokken en die vasthoudt aan het verleden. Voor die mens is het ‘boek’ niet verdronken, integendeel hij zelf loopt het gevaar te verdrinken in een duister onbewuste.
Dit gevaar, in het bijzonder voor een zeer creatief individu, wordt door Shakespeare duidelijk gemaakt in de epiloog: ‘and my ending is despair, unless...’ Aan het eind van het spel is alles duidelijk en men is klaar voor de thuisreis naar Italië. Maar dan is er de oude man die zegt dat hij op dit naakte eiland moet blijven, gevangen in een betovering, zoals hij de anderen had gevangen, tenzij hij wordt verlost door diegenen die zijn verhaal hebben beluisterd en er op reageren vanuit hun hart. Het is te oppervlakkig dit eenvoudig te interpreteren als een schrijver die zijn publiek vraagt van hem geen stukken meer te eisen. Hij was duidelijk verheven boven zulke eisen. Het gevaar dat Prospero bedreigde en dat zijn schepper moet hebben begrepen, was subtieler. Hij kon Ariel niet meer commanderen; in plaats daarvan moest hij verantwoordelijkheid nemen voor de ‘Caliban’ die hij zo lang had verworpen. Voor hem lag de bedreiging in een grote angst dat hijzelf niet meer zou kunnen ontsnappen aan het betoverde eiland, ontdaan van alles dat het betekenis en schoonheid had gegeven. Zijn lichaam zou terugkeren naar de steden waar hij omringd zou worden door familie, vrienden, hovelingen, maar hij wist dat hij innerlijk gevangen zou kunnen blijven op een eiland, dat veranderd was in een woestijn, zonder zijn bekende magie. Hoe saai zou hij de normale menselijke betrekkingen kunnen vinden, vergeleken met de oude visioenen!
Aan het eind van het stuk had hij gezegd dat elke derde gedachte van hem gewijd zou zijn aan het graf. Maar dat, op hoge leeftijd, kan een teken zijn van het tegenovergestelde van wanhoop, oprijzend uit de groeiende herkenning van de dood als behorend bij elk betekenisvol leven. Zo’n frekwente aandacht voor de betekenis van de dood kan de weg zijn naar de uiteindelijke verlossing van de schaduw van wanhoop. Als hij dat gezegd heeft, vraagt hij Ariel de schepen om ‘calm seas, auspicious gales (gunstige wind)’. Dan, met een groot gebaar van opluchting en afscheid staat hij, beroofd van al zijn macht, plotseling in het zicht van wat voor hem ligt en voor wat het werkelijk betekent te vergeven en vergeven te worden en aldus klaar te zijn voor de dood.
In Audens gedicht ‘The Sea and the Mirror’ dat handelt over de personages van The Tempest na het stuk, stelt de dichter zich voor hoe Prospero tegen Ariel zegt: ‘Ik ben blij dat ik je heb vrijgelaten, zodat ik eindelijk echt kan geloven dat ik zal sterven, want onder jouw invloed is de dood onvoorstelbaar.’ De onmogelijkheid om zich zijn dood voor te stellen is niet hetzelfde als ‘leven in een eeuwige zonsopgang’. Dat kan alleen wanneer Ariel is vrijgelaten.
Terugkijkend naar de vergiffenis-scènes, kunnen we Prospero’s betrekkelijk oppervlakkige eerste uitdrukkingen van vergiffenis, waarvoor Ariel zijn hart geopend heeft, waarnemen. Het is nog de ‘goede’, superieure, beledigde man die spreekt tot zijn zondaars - vooral als hij tegen Antonio zegt: ‘you. most wicked Sir, whom to call brother would infect my mouth, I do forgive thy rankest (smerigste) fault.’ Dat soort van zich zelf op de borst slaande vergeving zal nooit de vergiffenis brengen, waarvan hij later, in de epiloog’ zijn eigen noodzaak ontdekt.. We kunnen de fasen van zijn groeiend bewustzijn volgen. De koning van Napels zegt met een opvallende ootmoed, als hij Miranda als zijn dochter accepteert:
‘O, how oddly will it sound that I must ask my child forgiveness!’ Prospero zegt: ‘There sir, stop: let us not burden our remembrances with a heaviness that’s gone.’ Dat was een goed advies aan Alonso op dat moment. Maar hij zal gauw weten dat het voor hem zelf geldt. Gonzalo bedankt de goden voor de uitkomst van het lot; hij is blij dat zij allen zichzelf hebben gevonden ‘in a poor isle’ ‘when no man was his own.’ Hierna begint bij Prospero de ommekeer. Hij laat Caliban vrij en erkent zijn eigen verbondenheid aan menselijke zwakte.
Het publiek zou de epiloog als een verplicht toetje kunnen zien, maar voor de ouder wordende liefhebber begint die epiloog luider en met meer urgentie te spreken.
Maar Shaespeare was toch nog niet oud toen hij deze regels schreef? Deze ervaring kan komen van iemand, die niet oud in jaren, een leven heeft geleefd met grote intensiteit en wiens werk in deze wereld zijn einde nadert. Sophocles schreef zijn afscheid pas op negentigjarige leeftijd. Shakespeare stierf in 1616 op tweeënvijftigjarige leeftijd, vijf jaar na The Tempest. Wellicht heeft hij in die vijf jaar geleefd in de staat die Jung noemt: verwantschap met alle dingen en de eeuwigheid in de mens. Charles Williams zei dat geen dichter ooit zou besluiten het schrijven van poëzie op te geven, maar hij voelde dat Shakespeare tot een beslissing kwam: ‘I will give up all imposition of views (standpunten). Life shall be just life.’
‘Please you draw near../ Now my charms are all o’erthrown, / And what strength I have’s mine own,- / Which is most faint...’
Deze regels drukken de onvermijdelijke ervaring uit, die of wel geleidelijk komt of plotseling met het verlies van de vurige energie van geest en lichaam die van ons was -zo voelden we dat tenminste - in verschillende mate en die ons succes heeft gebracht, macht, prestatie en betekenis in onze levenskeuzen. Niet alleen mystici, dichters en kunstenaars, ook vele anderen kunnen zich bewust zijn - zoals Prospero - dat hun Ariel geen bezit was; maar niemand kan leven met alle conflicten die daarbij horen zonder identificatie van zijn ego met de Ariel in hem, of - het andere uiterste, met Caliban en het gevoel van minderwaardigheid dat alle mensen lastig valt als zij geloven dat het leven en de fouten van anderen hun geboorterecht hebben gestolen en hen tot slaaf van de omstandigheden hebben gemaakt. Dit verlies kan bewust of onbewust ervaren worden en het veroorzaakt het gevaar van wanhoop, in het bijzonder misschien voor degenen die, zoals Prospero, de noodzaak hebben herkend van het vrijlaten van Ariel op het juiste moment. Voor sommige kinderlijke mensen geldt dit niet. Zij die de zondeval niet hebben beleefd en nog leven in een onbewust, paradijselijk stadium, zoals de Bosjesmensen, beschreven door Laurens van der Post. Maar de meerderheid van de gecultiveerde mensen hebben alle gevoel voor de oorspronkelijke onschuld verloren, en als ze er nooit in geslaagd zijn Ariel te bevrijden van de boom waarin hij gevangen is, leven ze hun gehele leven in een toestand van identificatie met hun ego-bewustzijn en daardoor zijn ze het slachtoffer van onbewuste motieven. Zij mogen zich bewust zijn van onderliggende wanhoop, maar zij zijn geneigd weg te zinken in een toestand van klagen als zij hun energie verliezen bij het ouder worden. Dit wordt vaak duidelijk als zij al hun kwalen en tegenvallers projecteren in omstandigheden of verwijten aan degenen van wie ze afhankelijk zijn geworden. Zij kunnen zinloze pogingen doen zich vast te klampen aan jeugdige activiteiten of ze vervallen in apathie. In beide gevallen worden ze vastgehouden door de illusies van het ego, alleen op hun ‘naakte eiland’.
Er is niets over dan het ego en het snelle verval van de ego-krachten om iets te bereiken, om te doen wat het verkiest, werken of spelen zoals vroeger, zich te concentreren, de omgeving te controleren. Er moet nog iets anders zijn, iets van een andere soort. Voor Prospero is dat de herkenning van zijn behoefte aan menselijk contact. Zijn hele leven heeft hij besteed aan de studie van spirituele krachten, met uitsluiting van menselijke betrekkingen, en hij beschouwde die krachten als van hemzelf, waarbij hij niet alleen macht claimde over de elementen, maar zelfs over de dood: ‘Graves at my command / Have waked their sleepers, oped, and let’em forth / At my so potent art.’ Prospero wordt gered van zijn hybris door de liefde voor zijn dochter, zijn belangenloze tederheid voor haar. Hij geeft haar in vrijheid aan Ferdinand. Hoe blind en arrogant zijn ego ook was geworden, zijn liefde voor Miranda was echt. Alles kan goed komen als we vrij zijn van de wil andere mensen of dingen of onze eigen ziel te beheersen. Onze oppervlakkige motieven kunnen ons niet vernietigen als wij ons bewust zijn van of aandacht geven aan echte liefde op de bodem van ons zijn - zelfs als die aandacht gering is of vaak vergeten wordt.
Er is diepe wijsheid in de woorden: ‘Now that I have...pardon’d the deceiver...release me from my bonds with the help of your good hands’. Want het is zeker algemeen waar dat iedere vrije relatie of uitwisseling van liefde alleen ontstaat als er vergeving is in de harten van hen die het aangaat. Prospero zegt dat hij ‘the deceiver’ heeft vergeven - hij zegt niets over degenen op wie hij zijn eigen bedrog heeft geprojecteerd.. We mogen daaruit afleiden dat hij, met Caliban, uiteindelijk ook de bedrieger in zichzelf heeft gezien, de bedrieger die hem bijna vermoordde. ‘This thing of darkness I acknowledge mine’.
‘Gentle breath of yours my sails, / Must fill, or else my project fails / Which was to please...’
Voor Luke is de verborgen betekenis van dit alles dat hij zijn macht om te domineren heeft opgegeven, maar hij wil in zijn machteloze toestand zijn oorspronkelijke bedoeling: vreugde en schoonheid geven, handhaven. Daarvoor heeft hij respons nodig. Zonder de ander kan hij verschrompelen tot wanhoop, die het bestaan van ‘iets anders’ voorbij de kunst van het betoveren, zou ontkennen. Dat ‘andere’ is de principiële levenskracht in alles en van alle tijden, verbonden met ieder van ons, uitstijgend boven het ego.
In de epiloog geeft Shakespeare de enig mogelijke verlossing van desintegratie en wanhoop, die juist de machtigen en creatieven onder ons kunnen overvallen. Ook Jung beschreef aan het eind van zijn leven hoe een demon hem zijn hele leven voortdreef, ten koste van alles. Ieder mens moet, zoals Prospero, tenslotte tot de erkenning komen dat de ‘spirit’ aan het eind niet tot de beschikking van ons ego staat.
Als Ariel wordt vrijgelaten, sterft hij niet, hoe weinig we zijn aanwezigheid ook voelen; hij wordt dat ‘andere’ - de vreugde voorbij alle ego-wensen en -emoties. Hij wordt een diepe vreugde, desnoods een vlam van vreugde in onze pijn. Maar als we hem vasthouden wordt hij een nachtmerrie en wanhoop.
Jung schreef aan het eind van zijn leven dat hij besteedde aan de zoektocht naar zelfkennis en het openen van deuren voor anderen: ‘Hoe ouder ik ben geworden, hoe minder inzicht ik had in mijzelf. Toen Lao-tzu zei: “ Alles is duidelijk, ik alleen ben duister’, drukte hij uit wat ik nu voel.’
Het is het archetype van de oude mens die aan het eind tot het inzicht komt dat hij niets weet. Dan komt het moment dat hij òf wegzakt in wanhoop, òf voorbij alle betekenis en betekenisloosheid gaat naar dat ‘andere’, het eeuwige in de mens en zijn verwantschap met alle dingen.
Shakespeare drukt dit uit in de laatste zes regels van zijn epiloog.
Gebed, vergeving, uitwisseling, genade en vrijheid - deze vijf worden hier samengebracht en als we doordringen tot in hun betekenis voor ieder mens, vinden we licht in de duisternis van toenemende ouderdom.
Gebed, zegt Prospero, is de weg naar genade, vergiffenis, vrijheid. Het gaat om meer dan eenvoudig vragen om wat we willen; het gaat om gebed dat doordringt tot genade, voorbij elke wens tot resultaat. Meister Eckhart zei dat we zelfs het verlangen God en eeuwigheid te kennen moeten loslaten. Toch houdt gebed het vragen in, zelfs als we niet om iets vragen. Elk gebed, uitgesproken of stil, gezuiverd of niet, komt eenvoudig en ononderbroken voort uit dat wat ons beweegt in de ‘grond’ van ons denken, voelen en handelen, vanuit het fundamentele motief van ons leven. Je kunt zeggen dat we allemaal krijgen wat we werkelijk willen - hoewel vaak niet op de wijze die we ons voorstelden. Op de een of andere manier kiezen we ons eigen lot. We hebben allemaal de mogelijkheid om de gift van vrijheid te krijgen en deze anderen te schenken. Het is deze soort van vrijheid waarover Prospero spreekt in de epiloog. Er zijn veel soorten niveaus van ‘smeken’ (verlangen) en het is erg moeilijk onszelf goed genoeg te kennen zodat we voorbij alle verlangens voor onszelf of anderen reiken, zelfs voorbij de hartverscheurende en juiste menselijke wens anderen te sparen voor hun lijden, of er zelf van verlost te worden. Zelfs Christus bad om gespaard te worden, maar het was niet zijn diepste wens. Dat was overduidelijk het accepteren van de noodzakelijkheid van zijn unieke lot. Dit is de natuur van ‘intercession’ (voorspraak) - een mooi woord uit het Latijn intercedere, dat tussenkomen, bemiddelen betekent - en het is dit soort tussenkomst waar Prospero behoefte aan heeft van degenen die moeten reageren op zijn levensverhaal. Een tussenkomst die we allen nodig hebben.
De kruisiging is het mooiste beeld van tussenkomst, de totale tussenkomst van God tussen hemel en aarde, vastgenageld aan de verbinding. Hij droeg het lijden en de zonde van de wereld, zoals wij op onze kleine schaal kunnen dragen voor iemand anders. Maar Christus’ daad betekende niet dat we werden verlost van onze eigen noodzaak te zondigen en te lijden. De incarnatie van ‘kosmische liefde’ geeft ieder de mogelijkheid te kiezen - dat wil zeggen zijn eigen waarheid te vinden of zijn eigen verschrikking en zijn keus tot het eind toe te leven. Herinner u de twee dieven aan beide kanten van het kruis. Hun zonden waren dezelfde, hun straf ook; alleen hun keus was verschillend. De een zei ‘ja’, de ander ‘nee’ tegen het Feit van Liefde tussen hen in. Elk ware verlangen naar tussenkomst van een mens is een gebed dat doordringt tot de genade, tot de liefde die de realiteit is van het universum.
Jung vertelde zijn studenten dat het slechtste wat een analist kon doen van zijn patiënten was te proberen hun neurotisch lijden weg te nemen van de oppervlakte, daarbij hen de mogelijkheid te ontnemen die hen kon leiden tot diepere bewustwording van de motieven in hun ‘grond’. De ware heler is altijd een bemiddelaar, niet een verdrijver van symptomen. Je kunt bemiddelen door je eigen ervaring met lijden en zo het lijden meedragen. Zo raakt ‘bemiddelen’ aan ‘begrijpen’ en ‘vergeven’, een uiting van liefde ‘die alles verdraagt’ zonder voorwaarden.
Shakespeares epiloog geeft met grote eenvoud en kracht de doorbraak bij een oude man naar zijn behoefte aan tussenkomst, bemiddeling en aan genade (‘mercy’). ‘Mercy’ is compassie - het lijden met de hele schepping en God, en het brengt ons voorbij elke specifieke vergeving, ‘freeing all faults’.
‘Mercy’, zegt Prospero, als we doordringen tot zijn kern, bevrijdt van alle fouten. De laatste regels zijn: ‘As you from crimes would pardo’d be / Let your indulgence set me free.’
De oude man weet, heeft nu ten volle ervaren, wat het betekent Ariel vrij te laten, en wat het kost om de vrijheid aan zijn vijanden te geven, zelfs aan de verachtelijke Caliban, zo ook aan degenen die hij liefheeft -Miranda, Gonzalo - de vrijheid om zichzelf te zijn. Hij heeft alle gedachten aan wraak losgelaten, of aan de wens mensen te veranderen, zelfs zichzelf. Hij is zoals hij is - ‘Life is just life’. Maar zowel voor hem als voor ons is er een laatste noodzaak - de nederigheid te weten dat onze ware vrijheid, afhangt van het antwoord van de ander. Het is buitengewoon moeilijk om een ander echt vrij te laten en misschien nog moeilijker om onszelf te bevrijden van de ketenen waarmee we onszelf omwinden. Vrijheid is niet de ongelimiteerde toestemming om te doen wat we willen op allerlei niveaus, of te nemen wat we menen nodig te hebben, hoe goed ook in onze eigen ogen, waarbij we de handelingen van anderen veroordelen. We zijn alleen vrij als onze fundamentele motieven zijn getransformeerd in begrip voor de universele liefde.
(Het is prachtig om te ontdekken dat de wortel van het woord ‘vrij’ komt van ‘pri’ dat ‘liefde’ betekent. We vinden het in ‘vriend’, Frigg, de Noorse godin van liefde (Freya, vrijdag))
The Tempest geeft een beeld van het leven en van onze macht op het eiland van illusies, de wereld. We moeten tot dat inzicht komen en onze macht loslaten om bevrijd te worden van het leven (goed en kwaad) en uit te stijgen tot het inzicht waarin wij zelf deel uitmaken van alles.



King Lear

Prachtig, wijs en teder: de essentie van ouderdom. Als je het drama geheel hebt doorleefd. Bij eerste lezing kun je diepte gemakkelijke missen, omdat je in beslag wordt genomen door het drama, maar de reële gevangenis waarin hij met zijn dochter wordt opgesloten, doet er niet toe. Cordelia wil naar buiten en het kwaad tegemoet treden. Dat is juist, omdat zij jong is. Voor de oude man is het anders. Zijn lichaam is zwakker geworden, gehoor en gezicht worden minder. Hij is ‘gevangen’ en het moment van de keuze is nabij. Gaat hij de ouderdom bevechten of accepteren. In het Engels is de uitdrukking ‘growing old’ - wijsheid van de gewone taal. Groeien in ouderdom, in de uiteindelijke betekenis van het leven. Je kunt ook protesteren en je verzetten.
‘We two alone will sing like birds i’the cage.’ Cordelia hier beschouwen als het kind in de man: de liefde en moed, waarmee het lijden hem weer heeft verenigd. Cordelia is ook een ‘geest’. Gedurende het spel is zij symbool van onschuld, echt gevoel, dat de koning zo wreed heeft verworpen en waarheen hij nu gezegend terugkeert en dat hem vlak voor zijn dood een visioen geeft van onsterfelijkheid. Dan komen de mooie regels: ‘When thou doest ask me blessing, I’ll kneel down and ask of thee forgiveness.’ Als een oud mens niet de behoefte voelt vergeving te vragen aan een jong mens, is hij niet in de ouderdom gegroeid en heeft zijn zegen weinig waarde. De zegen moet voortkomen uit nederigheid, die het gevolg is van ‘heelheid’. De oude man knielt, niet om zijn schuldgevoelens te stillen, maar in de vrije acceptatie van de ‘verbondenheid’. Lear zegt niet: ik ben niet waardig je te zegenen. Hij zegt: als je mijn zegen vraagt, zal ik knielen..’ Het knielen is het zegenen. ‘So we’ll live’, vervolgt hij,And pray, and sing, and tell old tales, and laugh at gilded butterflies...’ Dit zijn de mooie bezigheden op oudere leeftijd: gebed, dat wil zeggen het opfrissen van de geest (meditatie), aandacht voor de basis van het bestaan; zingen, de expressie van spontane vreugde om de harmonie, ondanks de chaos; het vertellen van oude verhalen. In onze tijd is het respect voor de oudere mensen helaas afgezwakt. In vroegere culturen hadden de ouderen de functie de verhalen door te geven aan de jongeren, waardoor zij zich thuis voelden in hun cultuur. De band met het verleden. Wijsheid en kennis. En blijdschap, gelach. Blijdschap om de schoonheid - de gouden vlinder - de fragie;e, maar almachtige schoonheid van het moment. Al deze activiteiten hebben geen maatschappelijke nut. De doelen van het ego (succes, aanzien, macht) tellen niet. Dit betekent niet dat ouderen zich niet moeten bemoeien met de wereld. Shakespeare voegt er onmiddellijk aan toe: luisteren naar het nieuws. ‘And hear poor rogues talk of court news; and we’ll talk with them too, - who loses and who wins; who’s in, who’s out.’ De wijze oude luistert niet alleen; hij antwoordt ook. Niet vanuit een superieur standpunt, maar met glimlachende tederheid. Hij heeft ervaring, is geïnteresseerd, maar preekt niet meer, omdat hij vrij is.. En danvolgt de climax van de kleine preek: ‘And take upon’s the mystery of things, as if we were God’s spies.’ Dit is de laatste verantwoordelijkheid van ieders persoonlijk leven. Zullen we, als we de kooi van de ouderdom naderen die taak op ons nemen? De oude hoeft niet uit te leggen of te analyseren. Hij mag gods spion zijn. Een spion dringt een geheim binnen en gods spion ziet in het hart van alles het mysterium tremendum. Uitleg en informatie zijn nodig, maar geven alleen gedeeltelijke waarheden en het gevaar van halve waarheden. Het ware mysterie is de eeuwige paradox aan de basis van het leven zelf - het is dat wat i.p.v. de waarheid te verbergen, haar laat zien, in haar geheel. De triviaalste gebeurtenis wordt geraakt door het wonder en dan, bij genade wordt ons een moment van onbewolkte visie helder. ‘And we’ll wear out, in a wall’d prison, packs and sects of great ones, that ebb and flow by th’moon.’ De gevangen koning is in wezen vrij en de cipiers zijn de werkelijk gevangenen van de illusie.
Zij zijn gebonden aan de wet van eb en vloed, het onbewuste. Aan het eind van zijn leven heeft de koning, door zijn lijden, het stadium bereikt van tederheid en compassie. De blinde oordelen van zijn ijdelheid zijn verpletterd en hij is nu alleen met Cordelia, de herboren onschuld, als een vrij individu.
Wapens kunnen het nooit winnen van de gouden vlinder. Dat was Shakespeares ultieme zekerheid. ‘How with this rage shall beauty hold a plea, whose action is no stronger than a flower?’ Ja hoe? Maar het is zo, zegt hij in zijn grootste stukken, en ook hier aan het slot van zijn King Lear.
De wijsheid geldt overigens alle leeftijden. In een leven komt een gevangenis, een psychische wond, een zwakheid die we niet kunnen vermijden maar moeten accepteren. We kunnen altijd tegen onze eigen Cordelia zeggen: ‘Come, let’s away to prison: we two alone will sing like birds i’the cage.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen