zaterdag 8 januari 2011

Beeldspraak

Beeldspraak

Vlieger

Met de haren
in de wind.
De strikjes
onder elkaar.

Met een touw
om de nek.
En
aan de andere kant
een hand.

Emmy (12 jaar)

Hoe kwam Emmy op haren? Ze zag de vlieger met zijn staart en strikjes en moest denken aan een vlecht.
In het tweede blokje gaat ze verder met de vlieger. Ze doet net of de vlieger een mens is. Op de hoogte van waar bij mensen de nek zit – misschien heeft de vlieger wel een gezicht? – is hij verbonden met de hand van iemand anders. De vlieger is gevangen. Degene die vliegert – dat hoeft Emmy niet te zijn - heeft hem in zijn macht. Hij of zij zou hem kunnen laten gaan.

Als je dit tegen Emmy zegt, zou ze misschien verbaasd zijn. Als je vraagt: ‘Hoe heb je dit geschreven?’, haalt ze haar schouders op en zegt: ‘Gewoon’.
Ze had ook een verhaal kunnen maken met zinnen die doorlopen. Het verhaal van de vlieger. Ze zou het spannend kunnen maken door het touw plotseling los te laten, zodat de vlieger wegbuitelt in de wind. En ze vond hem nooit meer terug.
Maar ze wilde iets anders vertellen: dat de vlieger op een mens leek, met die strikjes en dat haar en dat hij gevangen was. Dat je hem ook naar je toe kon halen, dat moet de lezer zelf maar verzinnen.


Dichters kunnen heel goed beeldspraak en stijlfiguren gebruiken zonder dat ze die als zodanig kunnen benoemen, misschien wel zonder dat zij 'weten' dat zij ze neerschrijven. Zo kwam ik in gedichten van jongeren of bij cursisten van een workshop regelmatig de apokoinou tegen. Als ik uitlegde hoe die stijlfiguur in elkaar zat, zag ik de dichter blij kijken. 'Ik wist niet dat ik zo knap was!' 'Dat is talent', zei ik dan geruststellend. Het bekende voorbeeld komt uit de middeleeuwse Ferguut, uit de verhalen rond koning Arthur: 'Ferguut heft sinen wech genomen / in een foreest es hi comen'. Dus de ridder Ferguut zocht zijn weg in een bos en hij is in een bos gekomen. 'in een foreest' wordt dubbel gebruikt.
Het is wel zo dat het zich bewust maken van mogelijke stijlfiguren het arsenaal van de dichter kan vergroten. Het is waarom schilders musea bezoeken: hoe deden de meesters het? Daarom moet iedere dichter zijn voorgangers bestuderen. Al was het maar om het anders te gaan doen.

Vrouwkje Tuinman schreef in 'Mouches volantes' ('oogvisjes' noemde Willem Jan Otten die glasachtige vormen in je oog): 'Er is een drijvende wereld tegen het licht in / bewegende wezens'. Hier is 'tegen het licht in' dubbel functioneel.

'Ogenstof' is de titel van Ottens gedicht:
'Kijk naar de hemel en haast je!
Visjes
onstuitbaar als een gedachte, ver-
sprongen
nog voor je ze ziet. (...)'

Otten laat de regels verspringen zoals die oogvisjes verspringen. Dat heet ikonisch taalgebruik: er is overeenkomst tussen het getekende en de betekenis.
In het citaat heeft het woorddeel 'ver' een dubbele functie: de gedachte al ver weg en de gedachte is versprongen.

Bij Lucebert vind je de stijlfiguur heel veel. Ik kies een voorbeeld waarbij de woorden 'ogen', 'ver' en 'woud' worden gebruikt: 'nimmer nog gingen gouden ogen zo ver / in het blinkende woud hurken de slapers'.
Je moet 'ver' eigenlijk twee keer lezen.

In de gewone omgangstaal tref je: 'Hij schreeuwde gruwelijk om te horen'. Gruwelijk heeft hier een dubbele verbinding.

In de reclame voor een spaarbank via internet: 'Inter-net ietsje meer', waarbij het woorddeel 'net' dubbel wordt gebruikt. Men maakt ook wel gebruik van de zogenaamde haplologie: de versmelting van twee gelijke op elkaar volgende lettergrepen. Soms zijn het hele woorden, zoals in 'Wie kaas kiest Kollumer'. Als dat op een auto staat, die voorbij gaat en je leest het, blijft het hangen in je hoofd, wat natuurlijk precies de bedoeling is. Je wordt bijna gedwongen de zin in zijn geheel uit te spreken: 'Wie kaas kiest, kiest Kollumer kaas' en dan ga je weer terug naar de verkorte zin op de auto en weer heen etc. In een andere reclame liet men de herhaalde woorden juist staan vanwege het grappige effect: 'Wat Kan kan, kan Kan alleen.' (Kan was een juwelier.)

Terug naar de apokoinou en de jonge dichters die zonder theoretische kennis gedichten maken. Jessica (11 jaar) schrijft over de Vesuvius: 'Je gaat dood / door een gasbel of lava / krijg je een afgietsel / lig je daar bloot'. Door een gasbel of lava ga je dood èn je krijgt een afgietsel van het lichaam.

Het is niet verwonderlijk dat men zonder theoretische kennis metaforen, metoniemen en allerlei stijlfiguren schrijft. Tenslotte is iedere taalgebruiker in staat de meest ingewikkelde constructies en transformaties uit te voeren. Men kan passiefconstructies maken zonder het woord te kennen. Er is de aardige anekdote van Molière over de man die een briefje aan zijn geliefde wil schrijven, maar het mag geen proza zijn en evenmin poëzie. Zijn vraagbaak zegt dat het òf proza òf poëzie moet zijn. De man zegt: 'En als ik praat, wat is het dan?' 'Proza'. 'Mijn hemel', zegt de man, 'heb ik heel mijn leven proza gesproken en ik wist het niet!'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen