zondag 9 januari 2011

Harmen Wind

Hier en nu


De bijwoorden ‘hier’ en ‘nu’ hebben iets gemeenschappelijks: ze verwijzen naar het standpunt van de spreker.
De dichter Harmen Wind (1945) schrijft in zijn nieuwe, zevende, bundel Killroy in het gedicht ‘Hier’: ‘Hier is waar ik nu ben.’ Interessant is dat de dichter de plaatsbepaling als titel kiest. Wij kunnen ons in de ruimte verplaatsen; in de tijd niet, dat wil zeggen niet naar onze vrije wil. In de tijd worden we verplaatst. De dichter schrijft: ‘Voortdurend / verschuift het, neemt het mij mee, houdt / het mij aanwezig, plaatselijk, beperkt.’
We zijn in het nu op een bepaalde plaats. Ooit zullen we er niet zijn, alleen nog als herinnering tussen de twee data van ons komen en gaan.
Het gedicht eindigt met een hartstochtelijke oproep aan de lezer, nu: ‘Hoor eens, jij daar! Laat deze man die / strakjes uit zijn hier verdwijnt jouw / warme tegenwoordigheid omarmen!’
Nu, terwijl ik nog leef, wil ik graag dat ik de lezer raak.

Hier

Hier is waar ik nu ben. Voortdurend
verschuift het, neemt het mij mee, houdt
het mij aanwezig, plaatselijk, beperkt.

Vrijheid beweegt zich in stof, bestaan
is een zwervende plek. Zie mij dan,
proef mij, kus de grond op mijn mond.

Ooit valt mijn adem stil, trekt mijn zijn
zich terug onder de tekens van een
naam, tijden van komen en van gaan.

Hoor eens, jij daar! Laat deze man die
strakjes uit zijn hier verdwijnt jouw
warme tegenwoordigheid omarmen!

Nadenkend over het gedicht en over de eerste zin: ‘Hier is waar ik nu ben.’ maakt het niet uit of de dichter als persoon nog leeft. Hij is hier en nu in het gedicht. De lezer laat zijn ogen schuiven over de woorden; het gedicht houdt de dichter aanwezig, plaatselijk, op de bladzijde, beperkt, want niet in al zijn facetten.
‘Zie mij dan,’ vraagt de dichter, ‘proef mij, kus de grond op mijn mond.’ Kilroy was here.
Het gedicht doet natuurlijk denken aan Vromans ‘Voor wie dit leest’, zonder de pathetische slotzin. (‘Lees dit dan als een lang verwachte brief, / en wees gerust, en vrees niet de gedachte / dat U door deze woorden werd gekust: / Ik heb je zo lief.’)

Het spelen met tijd en ruimte vinden we ook in het gedicht ‘Tafelblad’, waarin opgemerkt wordt dat tijd scheidt, maar dat je in de ruimte verenigd blijft.

In de bundel figureert een opmerkelijke zij-figuur.in de afdeling ‘Confrontaties’, een vertrouwde geliefde met wie de ik uit de gedichten samen oud is geworden. ‘Wij hadden altijd woorden om verleiden / toe te lichten’; let op de verleden tijd. Zij houdt niet van uitgebreide maaltijden, het toetje lokt. Ze laat zich graag overtuigen door zijn overtuigingskracht, maar er moet ook weer niet te veel gesproken worden. Muziek liever dan gedichten en hij moet ook niet te veel naar haar luisteren als hij advies wil over de gedichten. Hij leest haar voor en zij wil hem laten schrappen en als hij niet oppast, blijven geen woorden over. In feite is de poëzie een concurrent, die ze het liefst zou willen uitschakelen. Ze kunnen samen prachtig spelen met woorden.

Conversatie

‘Gisteren was ik op mijn mooist,’ onthult ze, ‘zonde
dat je me toen niet hebt genomen.’ Je kijkt haar
door de zoeker aan en concludeert dat het vandaag

geen zin meer heeft. En voegt ze eraan toe: ‘Ik zeg
ook elke keer iets anders dan ik werkelijk bedoel,’
dan zeg jij dat je haar begrijpt en hoort het al:

dat is niet de bedoeling. Waarom neem je haar niet
gewoon zoals ze is. Zelf ben je ook bepaald de mooiste
niet. Het lijkt waarachtig wel of jij van gister bent.

Oude geliefden: het leidt tot confidenties. De zij zegt: ‘Wij zijn ons kwijt.’ Hij schrikt, maar moet erkennen dat ze gelijk heeft: ‘daar / / lagen we, uiteen. Twee individuele / naakten op een bed.’
De dichter ziet het en ‘dat / er iemand langskwam die ons zag.’
De lezer, hier en nu en vast ook wel straks en waar dan ook.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen