zaterdag 8 januari 2011

Stampend van woede (A.Enquist)

Stampend van woede



Wat zou je moeten vertellen over nergens? Er is geen nieuws. Het blijft zoals het was en is: het meisje, je dochter, is doodgereden en je blijft achter met een leegte, een groeiende leegte, zoals blijkt uit het gedicht in de reeks ‘ademloos razen’:

‘Je stuurt door de nacht,
strekt je hand uit naar rechts en tast in vertrouwde,
in bittere leegte.Voorwaarts, het is januari.’

Het gedicht begint met: ‘Januari zegt voorwaarts’. Dat is het gevoel aan het begin van het jaar. Aan het slot spreekt de dichteres zichzelf toe.

‘Tussen oevers’ heet het tweede gedicht van die reeks; het eerste ‘Tussen vuren’. Dat begint zo:

‘Van het tweevoudig gezicht de nachtkant;
ik reed met haar weg langs laaiend paasvuur,

het schemerde, wij baadden in mijn ongeduld,
haar pesthumeur, op weg naar taken, lijsten,

naar verlangens en de muur waartegen zij
te pletter slaan. Naar huis.’

Uit het oosten naar het westen. Let op de de zinsnede: ‘wij baadden in mijn ongeduld’.
Dat ongeduld, woede en heftigheid, blijkt voortdurend in de gedichten van Anna Enquist. Dat is niet iets van na de dood van de dochter. In de eerste bundel ‘Soldatenliederen’ was het al volop aanwezig. Een bepaalde karaktertrek leidt kennelijk tot een stijlkenmerk. Het dondert en raast in de gedichten van Anna Enquist. Ik citeer uit de eerste afdeling van de laatste bundel ‘Nieuws van nergens’:

‘laaiend paasvuur’, ‘pesthumeur’, ‘te pletter slaan’, ‘leven vol vaart en rumoer’, ‘Zuur moeras vrat de rotsen’, ‘ademloos razen op snijdende ijzers’, ‘kolkt briesend op’, ‘Je voeten stampen een beurtzang’, ‘van pijn en verlichting’, .’roestig borend door verstard land’, ‘En wij voorgoed verpletterd’, ‘Ze breken je arm met één zwaai / van hun engelenvleugels, ze schelden / sissend door hun snavels van vurig kraakbeen’.

In een gedicht over een wandeltocht over de afsluitdijk wordt geprobeerd een beschrijving te geven van de verwerking van rouw en verdriet middels een lichamelijke prestatie, een poging om evenwicht te hervinden.

Wat hier wordt afgesloten kolkt
briesend op in je hersens. Je loopt
op water, gedenkt grootvaders,

hun zandzakken en basalt, je begint
een bastante dagmars naar verte,
tussen tamme en wilde zee.

Een stip ben je, met snelheid, verzuring
en suikerspiegel, schuivend langs
schapen en fuiken. Je telt de uren.

Dan krimpen de kilometers, de tweeen
dertig. Het uitzicht verdampt,
de tijd is één machtig moment.

Je voeten stampen een beurtzang
van pijn en verlichting. Je bent.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen