zaterdag 8 januari 2011

Pinguïn in rugzak

Pinguïn in rugzak

En nu over de inhoud. Het gedicht moet ergens over gaan. Het moet iets vertellen dat ons raakt, iets dat we herkennen of juist iets dat we nog nooit gezien of bedacht hadden, maar dat we zouden kunnen zien of bedenken. Iets dat een helder licht werpt op een probleem of situatie.

Een mooi verhaal, dat ik las bij K.Michel, is dat van Henri Michaux, die een baantje had als begeleider van kinderen met het syndroom van Down. Ze gingen naar een dierentuin. Eén van de jongens raakte zoek. Hij werd kletsnat op een bankje teruggevonden. Thuis werd hij onder de douche gezet. Hij wilde zijn rugzakje niet afgeven, maar het moest uiteindelijk wel; hij kon niet tegen de ordentelijke wereld op. Er bleek een kleine pinguïn in te zitten.
Als dat geen poëzie is!
Waarom is dat nou zo mooi? Omdat het een treffend beeld is van ons machteloos verlangen naar iets onvoorstelbaar kwetsbaars, iets dat we willen koesteren tegen beter weten in. De kleine jongen ging er het bassin voor in, deed zijn best om de tegenstribbelende pinguïn te vangen en bedacht toen hoe hij hem zou verbergen, want hij wist wel dat de verstandige wereld zijn actie niet zou goedkeuren. En dan de laatste hartbrekende scène: na dat tegenstribbelen geeft hij huilend toe. Hij weet dat hij verliest van de massale, goedbedoelende dwang van zijn begeleiders, beschermers ook. Zo geven wij onze onpraktische idealen op, die we eigenlijk zouden moeten koesteren. De dichter doet het voor ons.

Het verhaal over de kletsnatte jongen laat zich beter presenteren in proza, dan in dichtvorm. Waarom? Omdat er een noodzakelijke volgorde in de tijd is: eerst dit, dan dat, tenslotte dat. Eerst het verlangen, dan de moedige keuze het water in te gaan en het beestje te vangen, dan de zorg over het verbergen, tenslotte de overgave aan het gezag en het verlies van de pinguïn. Er is een duidelijke lijn, zoals in proza gebruikelijk. Een gedicht is een punt, een momentopname, een toestand. Een gedicht van Michel ('Het magerebrugwonder') gaat over een tot de boorden met water gevulde boot die door Amsterdam vaart. De dichter wacht. Hij moet boodschappen doen aan de overkant. Hij staat er bij de open Magere Brug naar te kijken en denkt: daar gaat de bron van de Amstel voorbij. De bron op de rug van de rivier; een metafoor voor ons leven. Dat is een flits van inzicht.

Het is goed hier even stil te staan bij de oude indeling van literatuur: epiek, lyriek, dramatiek en didactiek; anders gezegd: vertellend, bezingend, tonend, lerend.
Al deze genres werden vroeger in dichtvorm geschreven, met eindrijm. Dat was gemakkelijker om te onthouden. Tegenwoordig is de indeling: proza, poëzie, toneel. Alle drie kunnen lerend zijn. Het probleem met het woord 'poëzie' is dat het kan slaan op de vorm, het gedicht, en op de inhoud, het poëtische, lyrische. Het verhaal van de pinguin is poëtisch, maar het is geen gedicht. 'Het magerebrugwonder' is een poëtisch gedicht.

Vestdijk vergeleek poëzie met een kiemcel, proza met een meercellig organisme. Het kenmerkende van de kiemcel heeft ook betrekking op de inhoud, de gedachte. Op de eerste plaats is er de concentratie. Het gaat over één gedachte met zo weinig mogelijk woorden, zodat ‘ieder woord meer voor zijn rekening moet nemen’. Ieder woord draagt zo veel mogelijk betekenis en wordt daarmee algemener. Tegelijkertijd heeft het door concrete en plastische details juist aandacht voor het bijzondere, het particuliere. De gedachte is algemeen, het beeld is bijzonder. Denk even terug aan ‘Het magerebrugwonder’: de brug is bijzonder, de dichter die wordt opgehouden door de situatie en daarbij denkt aan zijn particuliere boodschappen eveneens. De gedachte dat alle rivieren hun oorsprong met zich meedragen, en bij uitbreiding geldt dat voor levende wezens en dus ook voor ons, is algemeen. De kiemcel bepaalt het organisme tot het verdwijnt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen