zaterdag 8 januari 2011

Eenvoudig of barok

Eenvoudig of barok


Hoe moet je schrijven? Eenvoudig of barok? Het antwoord is duidelijk: je moet zo schrijven dat het bij het karakter van het gedicht past. Dat karakter wordt bepaald door de inhoud, door wat je zeggen moest. Schrijf niet om een mooi of maatschappelijk relevant gedicht te maken, schrijf niet omdat je denkt dat ‘roomboter’ beter is dan planta, niet omdat je een bijl wilt hanteren en geen pennemes. 

‘Maak het niet mooier dan nodig. Schoonheid verwoest het drama.’
Dat zei Robbie Müller, cameraman van Wim Wenders, maar het geldt evenzeer voor poëzie. Dat wil zeggen: de werking van een gedicht wordt verzwakt door mooischrijverij. Weer anders gezegd: sommige gedichten gaan ten onder aan… ja, het is een lelijk woord, poëzie-achtigheid.

Ilja Leonard Pfeijffer schreef: ‘nu ben je ook een soort denker / want monden in donker geproefd betrekken de lucht / en blazen memorie aan en vermoeden / nu is kroniek meteen scenario / is kiezen balletje balletje en onderwijl wordt je zekere tred / uit je kontzak gelicht en je bent als bambi op het ijs / als rambo tussen de russen’ en hij vindt deze regels beter dan: ‘Het is een beetje bewolkt in mijn kop, / want ik heb in het donker een ander gezoend; / dat zet mij aan het denken: / over hoe dingen waren tot nu toe / en hoe ze zouden kunnen worden. / Wat moet ik doen? Evaluatie van het verleden / en plannen voor de toekomst / lopen door elkaar heen. Wie ik ook kies, / ik kies altijd de foute. Ik voel me onzeker; / ik sta wankelend in het leven / en ik wil dingen kapotmaken.’

Zie je het lezer? De eerste tekst is de opgepimpte versie van de tweede. De tweede is mij liever, hoewel ik het evenmin goede poëzie vind, maar dat komt omdat het zo triviaal, zo weinig verrassend is. Dat zag Ilja ook en toen heeft hij het verduisterd, verborgen en toen leek het hem wel wat. Maar de beelden blijven triviaal (balletje balletje; bambi). Het past bij de inhoud.

Frans Kuipers schrijft in Het illuseum van Hersenheim: (Hij laat in een gedicht HET aan het woord.) ‘ Ughe von Sylfe Nirgendpffftsj. / Uwes Cumules van Al. Kleurenkoning. / Dichterlaaie. Kutje Boe. Meester Foetsie. / Wolfram. Woef. Wolkenstein. / Het illuseum van Hersenheim. / Wind door een leeg huis ben ik, Archeopoa Ammeniet. / Zeven maal zeven mijlen graven en je vindt me niet.’ HET lijkt de muze die verscholen is in het hoofd van de dichter. Kuipers grossiert met veel zelfvoldoening in grappige neologismen en vreemde woorden; hij zwijmelt bij alliteraties.
Er zijn naar mijn smaak veel kinderachtige nieuwvormingen en taalgrapjes in zijn gedichten te vinden, maar andere lezers kunnen daar natuurlijk anders over denken. Je houdt van eenvoud of van barok, van versieringen of natuurlijkheid, opsmuk of ongekunsteldheid. Of van beide.
Ik hou ook van de barokke taal van Fritzi ten Harmsen van der Beek, van de exuberantie van Ter Balkt, van Lucebert niet te vergeten; de verrassende beelden, de woordkunst van Astrid Lampe, de breed uitgewerkte ballades van Liesbeth Lagemaat, het swingende ritme van Mustafa Stitou. Wat is dat? Het heeft te maken met authenticiteit. Bij de laatste dichters is de emotie zuiver, zij hoeft niet opgepimpt, zij is niet triviaal, zij vraagt wel om zwierigheid, schilderachtigheid, statie. De woede die deze dichters bezielt, geeft hun woorden vuur en majesteit.
In 1975 verscheen van Christine D'haen (1923-2009) 'Ick sluit vandaegh een ring'.
Op de flap staat onder meer: 'het gedicht ontstaat uit een spanning tussen wat de dichter kan (wat er staat), het ideaal-beeld dat hem voor ogen staat en waar hij naar streeft (het super-ego van het gedicht), en het tegengesteld soort gedicht, de tegenpool, het gedicht dat men niet aan het schrijven is, en waardoor het geschrevene zichzelve overdrijft als affirmatie (in casus: het lichte, luchtige, speelse, geestige vers).'
Dit lijkt van het maniëristische, erudiete vers een verdediging waarin de overdrijving wordt toegegeven. De tegenpool kan ook in laatste instantie helder zijn: het gedicht dat in al zijn eenvoud een diep geheim zichtbaar maakt. Elisabeth Eybers (1915-2007) schreef zulke gedichten.
Is D'haen in dit opzicht een tegenpool van Eybers, in andere opzichten vertonen zij overeenkomsten. Zo leefden en schreven zij beiden in de spanning tussen eenheidsverlangen en levensdrift, waarvan de liefde de paradoxale synthese is. Immers, de liefde die voortkomt uit levensdrift en die het individu laat zoeken naar het ongelijksoortige, doet ons verlangen naar eenheid, zelfverlies en dus uiteindelijk de dood. In de mythologieën zijn liefde en dood dan ook onverbrekelijk verbonden. Als je een gedicht schrijft, moet je niet denken aan het effect op de lezer. Het enige dat van belang is, is dat jij schrijft omdat het moet.
Toon gerelateerde artikelen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen