zaterdag 8 januari 2011

Epifanie

Epifanie



De wereld om ons heen, zoals wij die ervaren: wind, bomen, brood, de geliefde, dat is de bron van onze poëzie. In de concrete werkelijkheid openbaart zich een veronderstelde achterliggende waarheid en schoonheid. Het is als een epifanie, een verschijning, openbaring, zoals in de christelijke theologie het goddelijke zich openbaart in de mens geworden godheid. Het woord is vlees geworden en omgekeerd zal in een goed gedicht het vlees woord worden. Ik denk hierbij meteen aan Gerrit Kouwenaar die bijvoorbeeld in zijn gedicht 'Volledig volmaakte oneetbare perzik' met een treffende, driedubbele synesthesie noteert:

'als een blinde met één dove hand
aan het hongerig uitgevierd zintuig

verslindt men de krekels de nachtwind de wereld, dit
is niet te verzinnen, geen zin, alles

zit fit in zijn schil onder de lichtrose maan, vol-
ledig volmaakte oneetbare perzik'

Hier lijkt sprake van een niet metafysieke openbaring: de wereld is genoeg, vol-ledig volmaakt, de transcendentie van een onbegrijpelijke leegte: 'geen zin'. Hier wordt niets geopenbaard door de goden, het ontstijgt aan het eenvoudig hoorbare, zichtbare, voelbare.

James Joyce laat Stephen, de jonge held uit zijn eerste autobiografische tekst zeggen: ‘Met een epifanie bedoelde hij: een plotse spirituele openbaring, hetzij in de banaliteit van het gezegde of van een gebaar, hetzij in een gedenkwaardig ogenblik van de geest zelve.’
'Het is', zoals Pascal Cornet schrijft in zijn beschouwing over 'De draagwijdte van het triviale' (zie http://pascaldigital.blogspot.com/2009/03/dag-557-vvh.html) 'Joyces overtuiging dat de kunstenaar (die hij bij het schrijven van Stephen Hero o zo graag wil zijn) voor deze eruptie van spiritualiteit oog hoort te hebben. Hij moet achter de schijn van de vluchtige werkelijkheid iets met een grotere consistentie en geldingskracht kunnen ontwaren.'
Dezelfde Stephen zegt: 'Voor schoonheid heb je drie dingen nodig: eenheid, harmonie en helderheid.’
Het gewone, alledaagse kan iets openbaren en dat heeft natuurlijk alles te maken met het associatie-vermogen van de dichter en zijn of haar talent om persoonlijke, dat wil ook zeggen nieuwe symbolen te scheppen.
In een gesprek over zijn Vermeer-gedicht zei Ramsey Nasr: ‘Zijn werk is niet religieus, wel transcendent. Ik heb het niet meer in het gedicht opgenomen, maar het hogere zit in de huiskamer zelf.’

In het gedicht 'dagval' van Trix Giebels uit haar ten onrechte niet in de pers opgemerkte bundel 'En geen andere ruimte dan die in je hoofd' is er 'de grote Chinese vaas, ooit in vele stukjes gebroken en weer met / eindeloos geduld de stukjes aan elkaar gelijmd, beeldt vroeger thuis'. Die gelijmde vaas als symbool van thuis is misschien niet zo nieuw of verrassend, maar dat is het verder in het gedicht genoemde handvatje van 't laatje van 't smalle kastje, in al zijn bescheidenheid wel.

'en weer is er dag / staan de stoelen leeg / brandt de zon / slaapt de hond / en staart 't handvatje van 't laatje van 't smalle kastje / dwars door de stilte / de spiegel een gat in de muur / waarachter / de verloren stoelen / het verweesde plafond / de verraderlijke vloer, het denkbeeldige licht'.

Wat willen de dingen van ons? Kopland schreef een reeks 'Dankzij de dingen' waarin de dingen ontwaken, 'het brood weer gaat ruiken naar brood, / de gebloemde theepot naar thee / en de lucht naar oude mensen'. 's Avonds verlangen de dingen weer naar verdwijnen en in de nacht worden ze schaduwen van zichzelf. Ik denk dat de dingen bij hem ons willen leren te verdwijnen, te sterven. Dat openbaren ze in die gedichten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen