zondag 9 januari 2011

Zelfgekozen dood?

Zelfgekozen dood?


'Denkend aan de dood kan ik niet slapen, 
En niet slapend denk ik aan de dood, ', aldus J.C.Bloem, een wonderlijke tautologie. Betekent de tweede regel dat de ik altijd denkt aan de dood? Hoe denkt hij over de zelfgekozen dood? En hoe over een wettelijke regeling met deskundigen die bepalen of iemands doodswens, na zijn zeventigste (waarom niet na zijn zestigste of na zijn twintigste) gerechtvaardigd is? Het lijkt me een enge regeling en ik zou me niet graag aan zulke deskundigen willen overleveren. Zonder regeling is het verstrekken van gewenste middelen misschien nog enger, vanwege het mogelijke misbruik en vanwege een tijdelijke vertwijfeling. Dan toch maar de trein, de zee of de plastic zak? Wat doe je de nabestaanden aan? Ik wil anderen niet verbieden een einde te maken aan hun leven, om welke reden dan ook. Een kliniek inrichten waar je op een zachte manier kunt sterven, na een verplichte rustdag en na gesprekken met geestelijke verzorgers naar eigen keus, die proberen je zekerheid te geven omtrent je doodswens, zou een humane maatregel zijn.
Maar nu de vraag: wil ik dat zelf? Er lijkt een soort logica te zitten in het feit dat ik niet gevraagd heb om te leven en dus zou ik ook geen beschikking hebben over mijn levenseinde. Het leven is me geschonken. ( Iemand kan zeggen: nee, het is me opgedrongen.)
Ben ik religieus als ik denk dat ik moet accepteren dat ik geen zeggenschap heb over mijn leven?
Ik schreef ooit:
Dood
Ik zal mijn dood niet zien
in de laatste seconde
als mijn lichaam neerblijft.
Ik zal niet weten hoe kracht

van het liggen naar
het dromen wegdrijft.
Ik zal niet zijn die ik was
als dood mij leegdroomt

en tot de laatste leden stijft.
Maar dit verwart mij het meest:
het oog dat nu leest, zag
nooit de hand die nu schrijft.
=
Maar dat gaat over de verwarring van het er niet meer zijn, waaraan ik nu kan denken. Toch heeft het ook te maken met het raadsel van leven en dood, dat groter is dan ik kan begrijpen. Het lijkt voor mij iets onbeschaamds te hebben, getuigen van een ongepaste hoogmoed in te grijpen in dat grotere. Ik kan mij vinden in het slotgedicht van Hans Faverey:
Zonder begeerte, zonder hoop
op beloning, ook niet uit angst voor straf,
de roekeloze, de meedogenloze schoonheid

te fixeren waarin leegte zich meedeelt,
zich uitspreekt in het bestaande.

Laat de god die zich in mij verborgen houdt
mij willen aanhoren, mij laten uitspreken,
voor hij mij met stomheid slaat en mij
doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat.
-
Hij moet mij met stomheid slaan, niet ikzelf.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen