zaterdag 8 januari 2011

Het 'kwaad'

Het 'kwaad'

De ramp in Haïti laat net als vroeger in Lissabon (1755)
de vraag stellen naar de zin van het kwaad in de schepping.

In de Japanse Kodjiki wordt verhaald over de schepping van deze wereld. Er waren twee goden, Izanagi en Izanami, wat betekent het mannelijk resp.het vrouwelijk wezen dat uitnodigt. Zij ontmoeten elkaar voor het eerst: ' o, wat een verrukkelijke jongen/ meisje ' en dan beginnen ze een gesprek over het kleine verschil van hun beider lichamen. Ze besluiten tot paring. De eerste resultaten zijn onvoldoende: een bloedzuiger en een eilandje van schuim. De tweede ontmoeting gaat beter: de acht eilanden van Japan, bergen, bomen, dieren en tenslotte - en daar gaat het nu om: de snelle mannelijke vuurgeest die bij zijn geboorte zijn moeder ernstige brandwonden toebrengt. Zij sterft. Het verhaal gaat verder, maar het gaat mij om het kwaad dat in het begin dus al aanwezig is.

In de Edda ontstaat uit een soort nevelig niets kou en hitte: Niflheim en Muspelheim. Uit de botsing tussen die twee ontstaat de reus Ymir. Die reus wordt gevoed door de zuivere melk van de koe Audhumla en nu komt het: besmet door de giftige bron Elivagar. Gif, meteen al. Daarom zijn reuzen slecht en goden als Odin, Willi en We goed, want die zijn niet besmet. De godenwereld raakt wel betrokken bij de reuzenwereld en daaruit komt uiteindelijk Loki voort, een god die met vuur te maken heeft (denk aan Lucifer).Het raadsel van het kwaad. Het is in allerlei mythische verhalen meteen aanwezig.

Men hoort mensen zeggen: als er een god bestaat, hoe kan hij dan toelaten dat onschuldigen zo gruwelijk omkomen, half verpletterd, stikkend en gemarteld door dorst?
Anderen zeggen: de sadistische wreedheid van het lot: dat echtpaar dat een adoptiekind komt ophalen en sterft onder het puin van het hotel, mèt het adoptiekind, terwijl thuis het eindelijk toch gekomen eigen kind wees is geworden.

Dit alles veronderstelt dat de kosmos en de aarde geschapen zijn of ontstaan zijn vanuit een menselijk perspectief, maar de barre werkelijkheid is dat de natuur even onverschillig is ten aanzien van de verpletterde mier als tegenover de verbrande kankercel. Elders in het universum wordt een planeet verpletterd door een enorme komeet, of daar nu leven op aanwezig is of niet.
De vraag naar het kwaad is betekenisloos in het licht van de kosmische evolutie. Er is geen kwaad.
Er is alleen, voor ons, het lijden van de mensheid, dat we moeten verwachten en dat we uit solidariteit moeten verzachten.



Achter de grenzen...

Achter de grenzen zijn wij weerloos.

De wereld is een gevaarlijke plaats

alsof er een afvoerput bestaat

die wat je denkt te begrijpen wegtrekt.



Leve de zeeën, bossen en bloeiende hei.

Leve het leven in de oude krant

toen je nog niet wist waar het heenging.



Je bouwt een hek om de siertuin

graaft een vijver die blijft staan

ziet de muren van het woonhuis beven

midden in een lichtgroen bosbegin.



Als alles...

Als alles altijd al bestond

zouden wij niet ademen; de aarde

zou verbrand zijn in het licht

van alle zonnen: wij leven



omdat wij ooit niet leefden

verbleken omdat wij gelezen zijn.

Het is 's nachts donker omdat

alles ooit begonnen is met licht.



Als liefde altijd had bestaan

zouden wij verteerd zijn: dank zij

de immense onverschilligheid

kunnen wij soms houden van elkaar.


(Uit De Alice voorbij, 2005, Kleine Uil)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen