zaterdag 8 januari 2011

Faverey, Lucebert

Misverstanden over poëzie

Iemand heeft het over het verwachte verlies van zijn politieke partij. Treurnis alom. Hoofd omhoog in de regen en de druppels lachend opvangen: dat noemt hij poëzie.
Hij citeert Boudewijn Büch die dacht dat poëzie alleen gedijt in een poel van verderf - een achterhaalde romantische gedachte, die zelfs in de Romantiek niet serieus werd genomen.
Een slordige waarnemer is hij ook. Hij schrijft over Michael Jackson: 'Nu hij dood is - dieper kun je niet zakken - maakt hij ineens weer een mooie film en zingt hij de sterren van de hemel.'

Nu het slecht gaat met de partij moet de poëzie ontwaken. De partijleider toont zich een poëet. Hoe zo? Allerlei moeilijke problemen...maar hij veert op. De passie is helemaal terug. 'Pure poëzie'. Wonderlijk woordgebruik is dat.
Voor poëzie is misschien passie waardevol, maar de gelijkstelling poëzie en passie is triviaal.

Wat hij wil zeggen en hopen is dat we ons moeten 'herpakken'. Prima, maar met poëzie heeft dat niks te maken.
Slordig denken is dit: eerst veronderstellen dat poëzie het best gedijt in sombere omstandigheden (Slauerhoff jankend van heimwee) en dan zeggen dat de poëzie terug is omdat het vuur en het enthousiasme terug is.
In de roman 'De Idealisten' van Zoë Heller kom ik een ander misverstand tegen: 'Poëzie was het enige waarin ze op school nooit had uitgeblonken. Ook wanneer ze al haar intellectuele vermogens op bepaalde gedichten had losgelaten, weigerden ze hun betekenis prijs te geven. Ze herinnerde zich dat haar leraar Engels ooit wanhopig tegen haar gezegd had: 'Je wil de gedachten van het gedicht kraken zoals je een noot kraakt, om te ontdekken of de inhoud 'goed' is of niet. Maar als de dichter iets had willen zeggen dat je in één zin kon vatten, had hij waarschijnlijk geen gedicht geschreven, maar een slagzin.' Misschien was geloven net zoiets als poëzie. Het vereiste een gevoeligheid en subtiliteit van geest die ze nog moest bereiken.
Die leraar Engels had gelijk, maar de 'zij' van dit fragment begrijpt het niet. De gevoeligheid en subtiliteit had ze misschien als kind en heeft ze in een rationele opvoeding en schoolloopbaan verloren. Ze moet gewoon de tekst van het gedicht voor zichzelf laten spreken, er niks achter of 'in' zoeken.
Mijn studenten leken soms op Jantje van de zondagsschool. Juf geeft een raadsel. Het is wit en zwart en het zit in een boom. Jantje zegt: ‘Het is een ekster natuurlijk, maar het zal het kindje Jezus wel weer zijn.’ Zo lezen veel mensen poëzie. Het zal wel weer moeilijk zijn. je moet er van alles achter zoeken. De regel van Nijhoff heeft onbedoeld veel kwaad gedaan. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ (Dit was een grap over een tekst op een gebouw in Batavia: Waterstaat. Wat er staat? Er staat waterstaat.) Je moet integendeel gewoon lezen wat er staat, met in acht neming van beeldspraak uiteraard.
Onlangs klaagde een literatuurprof bij mij over een ‘onbegrijpelijk’ gedicht van Faverey.



Sneeuwbril op; kap op;

Polsriemen vast. Toestel
begint te trillen: je bent

nog iemand. Toestel verheft
zich: je kent niemand.

Toestel valt je aan:
je bent er nog.

Ben je er nog?

Niet bang zijn:
de beul is bij je.

-
In eerste instantie beschrijft het gedicht een vliegervaring: een eenvoudig vliegtuig boven een besneeuwd landschap (bergen bijvoorbeeld). Je voelt je nog betrekkelijk veilig: je bent nog iemand. Daarna gaat het toestel de lucht in. Je kent niemand. Je voelt je onveilig, vervreemd. Het toestel lijkt je aan te vallen: gevaar, maar je bent er nog. Juist omdat je er bent, voel je angst. Ben je er nog wel? Of ben je flauwgevallen? Je hoeft niet bang te zijn: het gevaar is niet onbekend, je zit er midden in. Je kunt alleen nog maar neerstorten en dan is alles voorbij.

Dat voert naar een tweede lezing, metaforisch. Leven. Sneeuwbril op. Het is verblindend. Kap op. Je moet je beschermen tegen van alles. Een polsriem kan als bescherming aangewend worden. In verpleeginrichtingen ook gebruikt. Dan ben je gevangen. Als de situatie in ‘werking treedt’, als het echt begint, wordt het angstig, maar je hoeft niet bang te zijn: je kunt alleen nog maar dood en dan is alles voorbij.
=
Verheven gelamenteer
aanbevelen 0 Waarschuw de redactie
Bewerk bericht donderdag 24 december 2009 8:56 door ekkersx

'Van de roerloze woelgeest' heet de bundel.
De dichter bleef een woelgeest, maar werd roerloos. De grimmige bundel
toont aan hoezeer Lucebert zichzelf is gebleven, in zijn woede en
zijn liefde, maar laat ook zien dat er afscheid genomen moet
worden. Ook van de anderen. Vriend Elburg is gestorven en
Lucebert schreef een tribuut met sleutelwoorden van de dichter:
'jan hij is vertrokken naar een ander land', 'jan deze schielijke
drinker van jaren kijkt scherp nu', 'jan is niet weggegaan hij is
't alleen dringend gaan zeggen', 'elb heet deze rivier hier met
steile oevers hoge boorden'.
De nieuwe grote dichter Faverey is gestorven en Lucebert schreef
een trotse herinnering. Hoe kort is het leven, hoe kort was ook
de ontmoeting.

ik herinner mij onze eerste
en tevens laatste ontmoeting
in een beroemd beroerd restaurant
twee die elkaar bloeddorstig
bespieden boven het anaemische eten
twee stokoude welpen van de muze

taal heeft geen verhaal meer
dat wisten wij zeg goede morgen
en de boze nacht breekt al aan
met goede nacht is het graf al gegraven
daarom geen afscheid
ook stijlbloemen overbodig

Geen groter tegenstelling dan tussen deze twee grote dichters.
Zie hoe het gedicht is opgebouwd uit tegenstellingen. Iemand die
lijdt aan bloedarmoede is anaemisch. Een goede dichter bewaart
het kinderlijke, maar wordt ouder.

En hoe is de stand van zaken in de wereld? Er is weinig
veranderd sinds de Tweede Wereldoorlog: 'in het grote nest is er
altijd wel geweld / god die als goed gold bladert / als een
waanzinnige in zijn eigen boek / en telt en telt de verminkten'.
Deze regels komen uit het eerste gedicht van de nieuwe bundel.
Alles kan gebeuren, alles wat fout kan gaan, gaat een keer fout,
maar de kwaadaardigheid lijkt altijd te heersen. Een moslim
vertelde onlangs in de krant hoe zijn vroegere collega's hem nu
hebben geïntimideerd en zelfs gemarteld. Lucebert schrijft: 'de
uitgestoken hand zal ons eerst bedriegen dan bedreigen / het zijn
brandende handen waarin de eieren verdwijnen' en 'grote tirannen
hebben zich geborgen in kleine kamers / optrekjes slechts met
vaal behang en leidingen lek / wel telefoons beschikbaar'.
Op p. 27 staat het gedicht 'ruïne'; het lijkt een beschrijving
van het voormalige Joegoslavië.

vermoeide wolken schuren de tuin
de doorzichtige maan verzwaart de pijn
voorzichtig verstuift het puin

de wildeman doet meer dan hij kan
hij knijpt de dromende hand
als gelei uit de tube in brand

vuurspuwer in de oven onsterfelijk
maar een gekwelde in de kelder
een gemartelde mascotte


de rozen vaal en bot
de hoge bomen rood en rot
buiten gaat alles teloor en kapot

Het is allemaal heel somber en ook persoonlijk is er weinig
hoop. Navranski, een navrante waarnemer van zijn eigen ondergang,
had bij zichzelf een slikmeter aangebracht. Het enge apparaat
sloeg 'ontzaggelijk' uit. Niet alleen het slikken werd gemeten,
ook het snikken, zodat hij door zijn tranen de nauwkeurige wijzer
niet goed meer kon zien. De dichter verwijst naar Leopold die
verwees naar de farao in de piramide van Cheops. Ook daar de
enorme tegenstellingen tussen de hoge verwachtingen die de mens
probeert waar te maken en de lage realiteit waaraan we ons zelf
vaak onderwerpen. In bijna elk gedicht vind je de teleurstelling
over 'het verkreukeld hoog heelal / tussen het kleumende kruid'.
Lucebert relativeert niet, is geen indifferente postmodernist,
nee, hij is nog steeds een woedende modernist, het kwaad bestaat,
het is aan te wijzen en de dichter doet dat - militairisme,
dogmatiek, ziekte en verval - nog steeds, hilarisch soms, met
veel zelfspot, navrante humor, razend knappe taalmuziek, rijke en
soms grillige klankassociaties.

Luceberts hang naar metafysica is terug te vinden op p. 54 in het
gedicht 'er is leven na de dood' dat eindigt met de terzine:
'alleen waadt een engel / door een vijver vol vuilnis / en kust
het kristallen hart'. Lijkt deze strofe een glimp van hoop te
geven, de bundel in zijn geheel is, zoals gezegd, zeer somber. De
laatste verzen luiden:

in de eeuwigheid zou ik uittreden en deel zijn
van doodseskaders die de bedevaart van bedelaars
en hoopvolle filosofen verstoren en uiteenrijten
zodat een ieder dwaalt in eeuwig onbehagen
zonder dageraad zonder lenteboden zonder liefde
zonder morgenrood zonder jaargetijden zonder taal
-
Dat laatste moet voor een dichter het ergste zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen