zondag 9 januari 2011

Kees Ouwens

Afbraak


Een dichter kan zijn eigen werk ruïneren. Hij kan het voor de lezer te moeilijk maken door alle aanzetten tot de geformuleerde gedachte weg te laten, waardoor de lezer in het duister tast.
Theo de Boer wees daar op in een gesprek met Peter Henk Steenhuis over de dichter Kees Ouwens.
Theo de Boer bespreekt daarin ‘voorproef’ en ‘betreft het breskens?’ en hun onderlinge verhouding en komt tot de volgende uitspraak: ‘Eerlijk gezegd vind ik dat Ouwens het gedicht bij de herschrijving op slot gegooid heeft. Hij heeft het versleuteld en de sleutel weggestopt. Maar die tweede versie getuigt wél van rijper inzicht.’
Ouwens was teleurgesteld over het feit dat de critici niet hadden opgemerkt hoe beide gedichten zich tot elkaar verhielden. Hij vond dat ze hadden moeten zien dat de ‘voorproef’ geen gedicht was, maar De Boer oordeelt dus anders. Ouwens wilde opbouwen, maar bleek af te breken.
Toon gerelateerde artikelen

Volgend artikel in dit blog
2reacties Volg reacties met RSS aanbevelen Waarschuw de redactie Je moet inloggen om het bericht in een van je groepen onder te brengen Attendeer je vrienden Delen op nujij.nl Delen op ekudos.nl Delen op del.icio.us
Avatar van marijke marijke 20-02-2010 10:48
voorproef

nee, nergens, ook in geen eeuwigheid, ook in de jaartelling
niet, noch in Venus’ laden, opengetrokken, leeg bevonden; in
de slaap niet, in de droom in de slaap nergens, noch
in het zelfbewustzijn, of in de zelfopstanding- of doding; niet
in de onthechting, of het niets zelf, of de zielsverhuizing,
of de gelatenheid; de daad niet – het de dag op de been
helpen – of de afwachting – het gaan zien cultisch –
evenmin
of in de ene God, de persoonlijke, of in de vele god, het
onbestemde, of in de Vader, de dader, of in de moeder, het
dulden, of hun voortplanting waarheen ook, of de voorlanden
daaruit volgend, of de Natuur wie zij ook is, of de afdanking
– het zien van het geziene uit – of de vermanning
tot in de verstening...
toch, of altijd, vaker soms, is er de scheldemond, breskens’
haven, het westelijk zonlicht aan scherven, schitterend
gebroken
op vlissingens rede
en van een lieflijkheid die wij niet bereiken kunnen


betreft het breskens

betreft het breskens?
dan in der minne
kan het, de zee een arm zijn/aan
zee arm zijn/ arm aan
zee zijn?
als je jouw wemeling niet toelicht
zie ik mij voor jou aan
andersom is er lichtval, geen wenk
wat houd je buiten mijn gading?
niet dat je golft, niet dat ik wegkeek.
nog
voor ik stierf, voer het veer, eerder
boog ik mij naar forellen, troebel water
in een binnenschip, daar was de kiel
uit, verving een net die
laat je mij na? mijn kijk, verblindende, deel je? hoe
drieledig het is: dat ik natuur ben, dat
ik die kennen kan, dat het geen doen is, de dag,
gevorderd tot het jaarmidden, een schelde
sprekend in tongen, in mijn ogen
die mij het licht gunnen
maar zich afwenden
aan deze zijde
bij achten,
toen ik het niet aan kon zien
dat gene er schitterde op de rede,
en van
een lieflijkheid die wij niet bereiken kunnen

zo, anders weten wij niet waarover wij lezen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen