zaterdag 8 januari 2011

Tuintafel - tafeltuin

Tuintafel - tafeltuin

Het was mooi weer. De kat zat voor de ramen en keek, verlangend leek het, naar buiten. Ik pakte 'Keer en tegenkeer' van Camus, een flesje bier en ging naar buiten. De deur liet ik open. Al gauw kwam de kat mij gezelschap? houden. Hij sprong op de tafel in de tuin. Ik schreef op een blanke pagina:

'De kat in huis voelt dat ik naar buiten ga. In de tuin zoekt hij me op, draait om mijn benen, springt op de tafeltuin, verschuilt zich achter de potten met tulpen,
komt dichterbij aan de rand, likt zich even, springt omlaag, zoekt zijn rust op de andere stoel, houdt me in de gaten waar ik lees over bewustzijn, sluit zijn ogen in de verwachting dat ik blijf zitten lezen, maar staat even later miauwend voor de deur die ik gesloten heb om binnen iets anders te doen, loopt als een kat naar binnen in afwachting van brokjes of gaat vooruit en zit klaar voor het glas in de verwachting dat ik spoedig binnen kom.’ Eén lange zin die de doorgaande bewegingen van een kat suggereert..

Het werd geen wereldschokkende tekst, maar ik zette hem de volgende dag op mijn Volkskrantblog. Johanna Kruit schreef dat 'tafeltuin' zo'n mooi woord is. Ik keek en zag het toen pas.
Wat was er gebeurd?
Dat weet ik niet. De kat sprong op de tafel in de tuin, waarop potten
met tulpen stonden en ik schreef op wat ik zag, dacht ik. Nu kijk ik
weer naar de tekst, dankzij haar observatie, en ik denk: ja,
tafeltuin, het is een kleine tuin op de tafel. Mijn bewustzijn (was
het dat?) heeft me bedrogen, nee, heeft me het juiste woord gegeven,
zonder dat ik het door had. Was dat dus niet mijn bewustzijn? Maar
wat dan? Was het bewustzijn buiten mij? Zoiets als Van Lommel
bedoelt: een eindeloos bewustzijn dat zich even aan mij mededeelde?

Ik herinnerde me Johanna's gedicht 'Woonplaats' (op een kaart van
Plint). Ik dacht: wat een goed gedicht!

Ons houvast heet landschap. Wij planten
de dagen vol bomen en dromen van dijken
en duinen die als we er stranden nog lijken
op wat we bewaren. Wij sparen gedachten

en spannen steeds samen. Het noemen
van namen als vogel of wind overbodig
voor wie zal beamen dat alles wat nodig
is staat waar het hoort. Zoemen van

camera's blijft achterwege.Wij zeven
de kleuren, belichten de tijd die te ver
voor geluid als een stralende ster
op ons afkomt. Het aldus verkregen

gebied dat we opslaan is houvast en
huis. Steeds weer komen wij thuis.'

Ik dacht: zou Johanna het zelf begrijpen of heeft zij het
'opgevangen', medegedeeld gekregen van een eindeloos bewustzijn?

Vroeger hadden we het over inblazingen van de muze: letterlijk inblazing, inspiritus. Spiritus is ook geest. In gewone taal inspiratie.

Het is overigens duidelijk dat haar poëtische gaven ook bewust zijn aangewend. Kijk maar naar de sonnetvorm en de overheersende amfibrachen, een metrum dat vrij zeldzaam is en dat ik eigenlijk alleen ken van Gezelle ('Ze stáppen de vróme twee hórsen te gaar'. ( Vrome is brave, hors is paard; te gaar is samen.)
Het (niet consequent toegepaste) eindrijm en de opvallende assonanties; vooral de lange aa. Of heeft ze dat allemaal cadeau gekregen door te luisteren naar een stem. Waarvandaan?
Ze schreef op mijn reactie: 'Ik denk dat het van diep uit je onderbewustzijn komt, soms worden we begenadigd en krijgen zo iets cadeau. Zelf heb ik het ook zo nu en dan wanneer ik heel geinspireerd zit te schrijven: woorden, beelden dienen zich soms aan waarvan je op dat moment eigenlijk zelf niet precies weet wat er bedoeld wordt. Je moet daar niet over nadenken, gewoon opschrijven en vaak merk je dan later pas dat je iets heel moois cadeau hebt gekregen, van wie, van wat? Geen idee. Misschien van een of andere muze die over ons waakt wanneer we dat nodig hebben ?’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen