zaterdag 8 januari 2011

Hoe beginnen?

Hoe beginnen?

Waar begint het mee, het gedicht?
Met een idee bij sommige dichters, met een melodie, een klankenreeks bij andere, woorden die blijven rondzingen in hun kop. Soms een betekenisgeheel dat nog geen woorden kent, bij weer andere. Zij menen dat er betekenis is vòòr de woorden, iets dat we misschien liever een gevoel noemen, een sfeer, waar de woorden nog moeten komen. Een gebaar, een beweging? Maar dan zit je al dicht bij een beeld, vaag nog, een beeld dat lijkt op te doemen uit een mist.
Eva Gerlach zegt (in de Poëziekrant, nr. 5, juli-augustus 2008, jrg. 32): ‘Het begint met een beeld. Op het eind pas krijg je de woorden. Het beeld komt als mist in de nacht.’ Let op de dubbele onzichtbaarheid!
Je bent met iets bezig dat je aandacht vraagt. Pas als je je weer kunt ontspannen, denk je na over de slierten mist. ‘Maar’, schrijft Eva, ‘denken over ze is niet hetzelfde als ze tegenkomen.’ En: ‘Jager! schrijf het hert op terwijl het wegrent. Bewaar het gewei.’
‘Het beeld moet aangeraakt, hoe dan ook. (…) Geen omhelzing, geen vrucht. Geen jacht, geen gewei. Geen aanraking geen gedicht.’

Bij Peter Verhelst begon het eens met beweging, met dans. Hij schrijft (in dezelfde PK): ‘Dans is bijna hetzelfde als poëzie. Bij dans heb je een pose, tussenbeweging, een pose, een tussenbeweging, een pose…’ ‘Poëzie als een soort dans in stilstand?’ vraagt Catherine de Kock. ‘Ja, maar eerder poses die morphen naar nieuwe poses.’ Dan komen er woorden en die woorden roepen hun associaties op, hun tegenstellingen. En langzaam volgt een gedachte. Nog niet rationeel. Misschien wel nooit rationeel, maar toch, achteraf, een gedachte, die je in een kritiek of essay op een rationele manier kunt neerschrijven, maar nooit met de kracht van het gedicht.
Bij Peter Verhelst en veel anderen, kan het ook beginnen met een opdracht. Een fotograaf vroeg hem gedichten te maken. Fotografie gaat over licht en zo ontstonden gedichten met veel licht-woorden. Misschien gingen de foto’s op een ingewikkelde manier over hoop en zo ontstond ‘Glimlach-licht 2’:

Het is erts dat ons beloofd werd
en alles zou goed komen. Ergens zal het.
Ooit zullen we. Als we maar lang genoeg.
We zijn bereid. We weten niet hoe lang
we nog op weg zijn, maar hoe langer, des te groter
het verlangen. En ooit komt een eind, zingen wij.
Nooit komt een eind, echoot het. Nooit komt
een eind aan de hoop. Aan ons. En ooit
komt een eind aan ons verdriet. Herhaal:

Erik Lindner kijkt naar bewegingen. Hij ziet een zwaan op een laag ijs en een ijsbreker. ‘De ijsbreker nadert. / De zwaan kijkt onafgebroken.’ Hij zegt hierover (in dezelfde PK): ‘Er is spanning tussen de ijsbreker en de zwaan. Als er een logische, visuele verklaring voor was, had ik er geen notitie van gemaakt, maar het beeld pakte me omdat het iets op zichzelf staands is.’ De dichter liep door voor duidelijk was wat er ging gebeuren. Het ging hem om de spanning, niet om de oplossing.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen